Logboek

Het is een land van grijsaards na de zomer
hier geeuwt de heide in haar gal van zonde;
het bruin der eiken heeft de geur van honden,
het dorp gloeit in zijn klokken van october

MAURICE GILLIAMS: HERFST

 

Terug naar de voorpagina

 

Bootcamp

‘In de aanloop naar de klimaattop in Glasgow kwamen zaterdag in Amsterdam klimaatactivisten-in-spe bijeen voor een ‘bootcamp’,’ lees ik in de Volkskrant. Ik weet niet wat een bootcamp is en zoek het daarom op. Een bootcamp blijkt iets heel gewoons. We kennen het al heel lang. Wij plachten het vroeger gymnastiek te noemen, een vorm van geforceerde lichaamsbeweging, die in een bootcamp het liefst in de openlucht wordt beoefend en gericht is op de mind. Mens sana in corpore sano zeiden wij Latinisten. Een gezonde geest in een gezond lichaam. Die mind geeft ons al een aanwijzing voor de herkomst van deze inmiddels hier gewortelde fysieke en geestelijke kastijding. Van het Amerikaanse leger – the marines! – verhuisde deze trainingsmethode naar de markt van welzijn en geluk in Amerika waar ze veranderde in een commercieel opgeklopte hype. Dikdoenerij! En daar moeten onze klimaatactivisten-in-spe het van hebben? Arme schapen! Nog maar kort geleden – vóór Bush en diens wederrechtelijke inval in Irak – was Amerika ons geadoreerde voorland, een ontwikkeld land dat ons veel te bieden had – en had meegeholpen ons te bevrijden – maar vandaag de dag waait ons van over de oceaan almaar meer vreselijks tegemoet aan xenofobie, domheid, agressie, armoede, verrijking, oplichterij – verpakt als marketing, reclame en public relations – en algoritmische tirannie, ontwikkelingen die Joe Biden en zijn goedwillende democraten niet zullen keren. Het heeft wel iets ironisch, vind ik, dat klimaatactivisten-in-spe deze Amerikaanse verwording aldus op een Amerikaanse manier – in an American way – leren kennen. Mij lijkt dat hele bootcamp-gedoe tamelijk ongezond, maar ik hoop dat onze klimaatactiviten-in-spe zich geen oor zullen laten aannaaien. De Volkskrant deed mij er iets te opgewekt over.
2 5  O K T O B E R

 

Koning Maxima

Nu officieel – door Mark Rutte, de premier – uitgesproken is dat Amalia als koningin van Nederland straks gerust lesbisch mag zijn, doemt de mogelijkheid op dat onze nazaten niet met één maar met twee koninginnen opgezadeld worden. Een verrassend vooruitzicht. Bert Wagendorp snijdt de kwestie aan in de Volkskrant. Heel vermakelijk. Maar klopt het wel? Kan er te zijner tijd van twee koninginnen sprake zijn? Nee, althans niet in de Volkskrant, want die krant heeft vrouwelijke beroepsaanduidingen in de ban gedaan. Ze krijgen de mannelijke vorm. Leve de vooruitgang! Zo is in die krant een schrijfster een schrijver geworden, een studente een student, een spreekster een spreker en zo voorts en zo verder, de reeks is onuitputtelijk en niet vrij van lastige vraagstukken, want wat doet de krant met mijn naaister of met de vrouwelijke volgelingen van die schertsboerin in de Tweede Kamer? Worden zij naaier en boer? Help, mijn moeder is een naaier! Help, mijn moeder is een boer! Kunnen we zulk journalistiek ingrijpen behalve volslagen krankzinnig vooral óók een verschrikkelijke verarming van het Nederlands noemen? Kennelijk weegt bij onze verlichte (woke) media de wens om hun lezers – lezeressen! – politiek correct naar de mond te praten zwaarder dan het eerbiedigen van ons aller moedertaal waaraan zelfs koning Máxima altijd con amore heeft meegewerkt.
1 4  O K T O B E R     

 

 

Nobelprijs

De Zweedse Nobelprijs voor literatuur kreeg weer vele pagina’s in de kranten. Gelegenheidsstukken, geschreven door medewerkers die thema’s als ‘Afrika’, ‘racisme’, ‘slavernij’ en ‘kolonisatie’ als een onverbrekelijk eenheid uit de kast hadden gegoogled. Begrijp me niet verkeerd. Ik gun de intellectueel Abdulrazak Gurnah de prijs van harte – evenals alle belangstelling – maar ik heb nog nooit een roman van hem gelezen en ga dat – net als heel veel anderen- hoogstwaarschijnlijk ook niet doen. Wat betekent dan zo’n prijs? Het is een instituut geworden dat lezers nog maar weinig zegt. Geen van hen weet dan ook dat de prijs wordt toegekend door een gezelschap naamloze studeerkamergeleerden die ettelijke duizenden (!) boeken per jaar in alle wereldtalen beoordelen of laten beoordelen – door wie? – om het oeuvre te vinden dat met kop en schouders boven de rest uitsteekt. Wie gelooft dat zoiets kan? Wie won vorig jaar de prijs ook al weer? Juist! Prijzen, en zeker prijzen als de Nobelprijs, zijn volkomen uit de tijd. Ze stammen uit een burgerlijke periode in de geschiedenis toen er nog tegen autoriteiten werd opgezien omdat ze macht hadden en geld, niet omdat ze de wijsheid in pacht hadden. Van die reputatie is niet veel meer van over. Prijzen zijn tegenwoordig een beproefd publicitair middel om jezelf een veer in je reet te steken. Dat is  iets van deze tijd. het gaat om jou en het is nooit genoeg. Er komen dan ook elke dag nieuwe prijzen bij. Zo véél, dat de paar prijzen die een vermelding in de media krijgen, vanzelfsprekend wel heel, heel erg bijzonder moeten zijn. Daarom zijn zulke prijzen altijd ‘prestigieus’ hoewel we nooit te horen krijgen wie of wat ze dan zo prestigieus maakt. Inmiddels zijn het trouwens awards geworden, zoals de Sonja Barend Award, want als Nederlandse prijs tel je niet meer mee. Ik zou zeggen, zo lang ze bestaan, een tienregelig berichtje in de krant, maar hele pagina’s? Of avonden lang op de televisie? Ik benut die tijd liever om een roman als A.D. van Gustaaf Peek te lezen. Ik ben op een schip – onder zeer vreemde, zeg maar gerust: huiveringwekkende omstandigheden, maar wat er speelt, ik weet het halverwege het boek nog steeds niet. Niettemin lees ik door en tast in den blinde rond in bloed, geil, stront en etter, hoewel de een of andere idioot mij in zijn krant heeft ‘verklapt’ dat de roman over een VOC-schip gaat in de tijd van de slavenhandel. In het boek zélf ben ik dat gegeven nog niet tegengekomen en iemand die een boek schrijft als dit, doet dat niet voor niets. Wat moet je ermee? Babbelen over literatuur in de kranten heeft almaar minder met literatuur te maken… Literair werk is er alleen nog maar voor uitgevers, media en vooral de hoogopgeleide hulpjes van kletsprogramma’s op radio en tv die het moeten doorvlooien op actuele thema’s.
1 0  O K T O B E R   

 

Spoken word

Paulien Cornelisse maakte voor de VPRO reportages over het dagelijkse leven in Japan. Ze sprak daar met de inwoners in hun eigen taal. Taal is zo’n beetje Paulien d’r ding, dat bleek. Aan de voorpagina van de Volkskrant mag ze, denk ik, om die reden een paar keer per week een stukje proza bijdragen. Ze wisselt dat werk af met Sander Donkers. Het verschil is schrijnend. Donkers schrijft, Cornelisse flanst een anekdote in elkaar die kant noch wal raakt. Toch hoor ik dat ze leuk schrijft. Leuk. Als het om schrijven gaat – ik bedoel de tantaliserende kunst om telkens opnieuw die ene spijker op de kop te slaan – is dát geen criterium. Met haar vergeleken is Sander Donkers een toonbeeld van talent. Hij is ook geestig en zij, de cabaretière, zelden. Een scheut humor in de ochtendkoffie kun je als krantenlezer goed gebruiken. Remedie tegen berichten op de radio waar elke dag weer een bont gezelschap babbelende landgenoten tussen de weerzinwekkende reclame door zijn onnozele zegje mag doen. Dat begrijpen journalisten bij de Volkskrant beter dan de filisters van De Telegraaf, maar helaas dreigt men bij de Volkskrant te vergeten dat iemand met een column in de krant – en dat zijn er nogal wat – vooral goed moet kunnen schrijven. Slechts weinigen zijn daartoe uitverkoren. Als ik er met lezers over praat, hoor ik zelden dat men er zich druk om maakt. Kwaliteit, het verschil tussen goed en niet goed schrijven? Is geen maatstaf meer. Maakt men dit onderscheid niet meer? Of kán men het niet meer maken? Misschien mág je het ook niet meer maken. Ik heb de indruk dat goed schrijven alleen nog maar aan mij en sommige van mijn leeftijdgenoten is besteed, ouderen. Later geborenen – zoals onze millennials – lijken er minder gevoelig voor. Zij zijn als middle-class Amerikanen zo druk met het op peil houden van hun sociale status dat ze aan literaire genoegens in hun moedertaal niet toekomen. Het moet Amerikaans zijn. Die houding draagt ertoe bij dat een modieus mediaverschijnsel als het Amerikaanse spoken word onze rijke Nederlandse dichtkunst voorgoed het zwijgen oplegt.
3  O K T O B E R

   

Sigrid Kaag

Geboeid  blijf ik Sigrid Kaag volgen. Niet per se om te zien of ze de liberale democraten van D66 naar een glorieuze toekomst leidt, maar vooral omdat ik benieuwd ben naar de manier waarop ze door collega’s, parlementaire verslaggevers en columnisten geframed wordt – ja, dat zeg je tegenwoordig zo. Geframed.  Dat betekent: in een jouw welgevallige hoek gedrukt. Het valt me op dat vooral mánnen haar niet pruimen. Soms zit er een welwillend type tussen, maar overwegend worden er flinke tikken uitgedeeld. Die vrouw moet haar plaats weten. Jeugdige behoudzuchtigen als Mark Rutte en zijn christelijke kompaan Wobke Hoekstra spannen samen en in vereniging de kroon. Wat hebben zij op haar tegen? Dat ze vrouw is, uiteraard. Je ziet het aan beider lichaamstaal. Die horkerigheid. Die afstand. En verder uiteraard dat ze beschaafder praat dan de koning, breed ontwikkeld is en haar beroepservaring heeft opgedaan in de wereld buiten Den Haag die nogal groot is. In Den Haag slaagt men er al sinds Thorbecke in dat te negeren. Daar bestaat en regeert alleen Den Haag, en of je nu minister, staatssecretaris of een zogenaamde onafhankelijke journalist bent – wat die tv-lui op geen enkele manier kúnnen zijn, afhankelijk als ze zijn van staatssubsidie, kijkcijfers en hun voortdurende aanwezigheid in een van die kakelende talkshows – je bent schatplichtig aan de zeden en gewoonten van een cultuur waarvan de ware aard in deze formatieperiode almaar meer bloot kwam te liggen. Een cultuur van inteelt en nepotisme. Ons kent ons. Fremdkörper worden er meedogenloos kaltgestellt – om me eens van een taal te bedienen die Pieter Omtzigt vermoedelijk vertrouwder in de oren klinkt dan het modieuze Amerikaanse idioom van de spindoctors, consultants, en voorlichters wier invloed op de politiek in Den Haag onder Mark Rutte drastisch is toegenomen. Wie je ook bent in politiek Den Haag, je hoort je te onderwerpen aan de ongeschreven wetten van die cultuur. Je speelt het spelletje mee, je móet het spelletje meespelen, maar zo niet, nóg niet, Sigrid Kaag. die paradoxaal genoeg in de media geframed wordt alsof zij van hetzelfde laken een pak is. Zo blijft verborgen dat zij iets nastreeft wat maar weinigen in politiek Den Haag nastreven: dat ze knopen wil doorhakken, dat ze in beweging wil brengen wat al jaren stilstaat, dat ze vooruit wil. Vooruit? Mark en Wobke – en niet te vergeten nóg zo’n haantje als Geert Wilders – vragen zich al maanden geprikkeld af: Was will das Weib?
2  O K T O B E R

 

Bewindspersoon

Je hebt de indruk dat volksvertegenwoordigers en parlementaire journalisten in Den Haag vooral pas op de plaats maken, maar vergis je niet, als ze onze staatstaal, het Nederlands, verder kunnen verbasteren, zijn ze er als de kippen bij. Een woord dat hun in de mond bestorven ligt en dat ik niet meer kan hóren, is het woord bewindspersoon. Bewindspersoon. Ik begrijp ongeveer wat ermee bedoeld wordt, maar daarom hoef ik er nog geen genoegen mee te nemen. Voordat je het weet ga je het ook gebruiken. Bewindspersoon. Wie bedenkt er zoiets? Geen wonder dat de mannen die zo worden betiteld, meestentijd nogal hol ogen. Wat zegt de kleine Hugo als een vriendje hem vraagt wat zijn vader doet? Zegt hij dan: mijn vader is bewindspersoon? Ik ben bang dat het het vertrouwen in de politiek – en misschien zelfs in de vriendschap – op die manier al vroeg wordt ondermijnd.
1  O K T O B E R

 

 

 

Heks

Wat een bange man moet die Wilders zijn. Zoals hij bij de Algemene Politieke Beschouwingen uitviel tegen Sigrid Kaag – spreekt daaruit niet een diep verborgen angst voor de vrouw? Misschien verft hij om die reden ook zijn haar. Waar waren feministen in de Tweede Kamer om hun collega tegen deze manicheïst in bescherming te nemen. Of dachten ze: dat kan ze wel alleen af? Dezelfde angst die Wilders tegenover Kaag aan de dag legt, ligt ook ten grondslag aan zijn psychopathische xenofobie die zich richt op de aanhangers van de Islam in Nederland.. Als hij niet zo streng bewaakt werd, zou je haast medelijden met hem krijgen. Dat zoveel Nederlanders hem – net als de vrouwenhater en dierenliefhebber Dion Graus – klakkeloos blijven volgen, vind ik tamelijk verontrustend. Angstaanjagend is de modderstroom aan vrouwenhaat die hij met zijn typering van Sigrid Kaag als heks op Twitter in gang zette. Pijnlijk. Aan het woord heks kleeft een zo lugubere geschiedenis van vrouwenonderdrukking dat je het alleen al om die reden uit je hoofd laat om een vrouw zo te noemen – of af te beelden, zoals Ruben Oppenheimer in de NRC. Kennelijk werkt de middeleeuwse Heksenhamer (Maleus maleficarum) in het onderbewuste van een bepaald soort mannen tot in deze tijd door. Dat de meesten van hen geen idee hebben is, hoe verschrikkelijk ook, nog tot daaraan toe, maar een katholieke zuiderling als Geert Wilders moet van de afschuwelijke heksenvervolging door de eeuwen heen gehoord hebben. Ze waren erger dan de Bokkenrijders.
2 3  S E P T E M B E R

 

Van horen zeggen

Weinig mensen, is mijn indruk, doen hun best om zich over de samenleving te informeren. Of denken zelf na. Dat is ook moeilijk, ik weet het, maar ik zou zeggen, je kunt het toch proberen. Ga eens op onderzoek uit, bijvoorbeeld door met iemand uit een andere kring dan de jouwe te praten. Eng? Zeker. Het is makkelijker om onder ons te blijven. Een nadeel is dat je steeds dezelfde vertrouwde opinies hoort die je vanzelf gaat napraten, zeker als je ze ook nog eens kunt optuigen met standpunten in je eigen media, je eigen krant en je eigen tv- en radioprogramma’s. Op sociale media – Twitter – zie je wat er gebeurt als men lichtvaardig doorgeeft wat men in de eigen omgeving heeft gehoord. Kritiekloos. Niemand spreekt je tegen. Je hoeft de vraag niet te stellen of het wel waar is wat er wordt beweerd. Natuurlijk is het waar en je praat het na. Napraten is steeds een algemeen aanvaarde vorm van openbare communicatie geworden sinds radio en televisie naar Amerikaans voorbeeld met hun kletsprogramma’s (talkshows) de massa begonnen te paaien. Niet feiten of kennis van zaken, maar meningen werden belangrijk. Goed idee. Gemakzucht dient de media. Niemand hoeft iets te weten of te kunnen. Je roept maar wat. De spreker wordt geen strobreed in de weg gelegd, als hij of zij maar leuk is of plat of net als die boerenmevrouw met haar Jip- en Janneke-taal duizenden landbouwers op hun tractor naar Den Haag weet te dirigeren. De macht van het getal telt. Kwantiteit telt. Populariteit is een kwaliteit geworden. Geen gespreksleider roept ooit: maar, man, het is helemaal niet waar wat je zegt. Je liegt in commissie. Je praat na. Zulk gepraat staat niet zwart op wit. Het kan niet worden gecorrigeerd. Het vervliegt, maar daardoor wordt het – paradoxaal genoeg – eerder waarheid dan het geschreven woord. Zo informeren de kletsprogramma’s de bevolking en de bevolking praat na. Geen wonder dat we omkomen in het geouwehoer, vaak doorspekt met clichés, krom Nederlands en Amerikaanse clichés die iedereen in de mond bestorven liggen. Het onderwerp is stelselmatig een simpele tweedeling zoals hoog- of laagopgeleid, links of rechts, hoge of lage kunst en volk of elite. Zulke dichotomieën – de media zijn er gek op, want altijd makkelijk hanteerbaar – worden al snel waarheden die niemand meer ter discussie kan stellen. Het wordt een nietes-welles en zo wordt de openbare meningsvorming in Nederland een schoolklas met veel te luidruchtige kinderen die het heel erg naar hun zin hebben omdat ze nooit, maar dan ook nooit iets hebben hoeven leren, terwijl de meester opgebrand thuis zit.   
2 2   S E P T E M B E R

 

Superdry

We zagen de minister-president en de minister van financiën in hun T-shirtje op de foto van de formatiebijeenkomst in Hilversum. Het leken wel jongens op een schoolreisje. Op het hemdje van Wopke las ik superdry wat Aaf Brandt Corstius in de Volkskrant vertaalde als superdroog, maar dat is niet goed. Dat is nog half Amerikaans. In Nederland zeggen we in plaats van superdry gortdroog, een heel ander begrip, maar wel een dat me uitstekend lijkt te passen bij de christelijke consultant uit Zeist die Wopke is. Er is al heel veel gezegd over de onmacht van deze twee om knopen door te hakken, maar meer dan alle woorden, vertellen hun truitjes het verhaal van hun burgerlijke provincialisme dat het landsbestuur verlamt.   
2 0  S E P T E M B E R

 

Afghanistan

Sigrid Kaag trok het boetekleed aan en dat siert haar. Zij nam de verantwoordelijkheid voor wat er fout ging in Kaboel. Met al in het beginstadium een blunder van minister Stef Blok (VVD), haar voorganger. Minister Ank Bijleveld (CDA) en staatssecretaris Ankie Broekers-Knol (VVD) drukten hun snor terwijl steeds duidelijker wordt hoe de laatste keer op keer faalde. Ze deed niets. Ze wou geen misdadigers uit Afghanistan. Het is verschrikkelijk wat er is gebeurd, laat daar geen misverstand over bestaan, maar de gespeelde toorn waarmee de populisten in de Tweede Kamer Sigrid Kaag de les lazen, bood een ontluisterende aanblik. Op een enkeling na – ik durf mijn hand ervoor in het vuur te steken – heeft niet één van deze opponenten ooit iets in het leven gepresteerd – laat staan te hebben moeten handelen onder levensgevaarlijke omstandigheden als in Afghanistan. We zijn een griezelig soort democratie geworden. Een bot geformuleerde mening – of een statement met een tractor – maakt op je electoraat én de media meer indruk dan kennis van zaken. Dan is het des te makkelijk om achteraf de indruk te wekken dat jij het zoveel beter gedaan zou hebben. Mij viel ook op dat de Kamerleden de feilen van de minister niet zelf aan het licht hadden gebracht, maar ontleenden aan krantenstukken van een paar goed schrijvende journalisten. Hun onthullingen werden klakkeloos overgenomen. Een vertrouwd beeld. Kennis van horen zeggen. We zagen weer eens hoe de stupide televisiekletsprogramma’s school maken in de huiskamer van de democratie die de Tweede Kamer lang is geweest.
1 6  S E P T E M B E R

 

Kaag is de koetjes en kalfjes van Rutte beu

In Den Haag hebben ze er moeite mee, met het begrip inhoud.  Ja, wat wil je als je nooit een boek leest. Voor hedendaagse volksvertegenwoordigers is een boek iets overbodigs, iets wat je rustig links kunt laten liggen. Gelijk hebben ze. Maar er zijn boeken die ook hun de ogen voor onbekende verten kunnen openen. Lezers weten dat. Dan kun je het ergens over hebben. In Den Haag  lezen ze niet, zelfs de verontrustende rapporten over het Haagse beleid die regelmatig het licht zien, worden genegeerd. Tja , dan weet niemand meer wat het begrip inhoud eh.. inhoudt, behalve die drie of vier volksvertegenwoordigers die nog ergens voor staan – en lezen. Een van hen is – bij alle onzekerheid die zich aandient als ook zij gedwongen wordt om zich met de kneuterige Haagse spelletjes in te laten – Sigrid Kaag. Zij kent de wereld buiten Den Haag, ze heeft in het Midden-Oosten politieke en bestuurlijke ervaring opgedaan, ze is voor geen kleintje vervaard en schroomt niet aandacht te vragen voor de grote vraagstukken van onze tijd waarmee iedereen op deze aardkloot te maken heeft. Ze benoemde ze in haar H.J.Schoo-lezing, en ja, daar gingen we weer, hoor: haar kritische analyse werd teruggebracht tot een afkeer van Mark Rutte, een man die al tien jaar lang geniet van zijn baan, iemand die ermee koketteert dat hij geen visie heeft en alles wat hem te nakomt schaterend weglacht – een typisch liberale eigenschap die ook mannen als Zalm en Opstelten kenmerkte. Dat zou je een subjectieve kijk mijnerzijds kunnen noemen, maar de Algemene Rekenkamer heeft in objectieve zin aangetoond dat er in de tien jaar van Rutte geen enkel substantieel probleem van de vele die Sigrid Kaag noemde, is aangepakt. Wat doe je als je gedwongen bent zaken te doen met een man die bij alles wat ook maar enigszins ingewikkeld is, zijn schouders ophaalt, op z’n best begint te grijnzen en overgaat tot de koetjes en kalfjes die in VVD-kringen geliefde huisdieren zijn bij de barbecue. Ja, wat doe je dan? Het ergste is nog wel dat ook parlementaire journalisten van betere kranten dan De Telegraaf zich dit niet afvragen en het Haagse spel meespelen alsof het een partijtje Mens-erger-je-niet in huiselijke kring betreft. Ook zij doen grote vraagstukken af, zoals in Den Haag gebruikelijk, als gekissebis van ijdele politieke leiders die moeten scoren om kiezers te paaien. Gekissebis. Ik kan me goed voorstellen dat Kaag het met Mark Rutte helemaal gehad heeft, een beperkte man die er tien jaar lang in geslaagd is zichzelve koste wat kost met steun van zijn VVD-vrinden te handhaven en het begrip inhoud voorgoed achter de Haagse duinen heeft laten verdwijnen. Deze week leek het er even op dat iemand er toch nog iets van boven de Doggersbank had zien zweven, maar het bleek om een verdwaalde zwemster te gaan die bijna verzoop….
9  S E P T E M B E R

 

Het dagboek van augustus ontbreekt omdat de auteur die maand in het ziekenhuis van de Vrije Universiteit in Amsterdam verbleef na een nogal ingrijpende operatie.

 

 

 

Dichtkunst

De Rijksbouwmeester, Floris Alkemade, is een man naar mijn hart. Een avond lang wist hij mij in Zomergasten te boeien met zijn rustige beschouwingen over de ingrijpende veranderingen in de samenleving die ons te wachten staan. Janine Abbring hoorde het verrast aan. Ik ook, maar mij verraste vooral de liefde voor de poëzie waarvan de rijksbouwmeester getuigde. Een voorbeeld was een televisie-interview met de Franse schrijver Michel Houellebecq die voor de camera onomwonden zijn liefde aan de dichtkunst verklaarde. Menigeen vindt deze man nogal een nurks wiens proza je moet lezen, maar niet voor de lol, en uitgerekend hij begint over het belang van de poëzie in het algemeen en voor hem in het bijzonder. De keuze van Floris Alkemade versterkte mijn indruk dat de poëzie ook voor hem een bron van inspiratie is als hij nadenkt over de inrichting van de samenleving, het bouwen in de toekomst en de bewoonbaarheid van onze steden. Het was heerlijk om uit die hoek en op dat niveau als poëzielezer bij een meer dan particulier belang betrokken te worden. Poëzie is in ons veramerikaniseerde mediatijdperk een Fremdkörper, iets geks of spokenword-achtigs, een incident dat in het openbaar nauwelijks invloed heeft, maar een beschaving kan er niet buiten – of ze sterft af. Het gaat niet alleen om de wóórden die met hun klank en ritme hart en hoofd beroeren, maar ook om een levenshouding die je anders naar de wereld doet kijken dan waartoe onderwijs, arbeid en politiek je dwingen. Die druk veroorzaakt een vorm van bijziendheid die alle schoonheid wazig maakt. Floris Alkemade zette de boel op scherp.
2 0  J U L I  

 

Da Costa

Wook en humor gaan niet samen. Dat zegt Ilse Warringa van De luizenmoeder in de Volkskrant. Ze heeft gelijk. Zwarte kousen lachen niet. Des te grappiger is het stukje van Sylvia Witteman vanmorgen in de Volkskrant. Niet alleen registreert ze opgewekt een staaltje  grensoverschrijdend seksueel gedrag dat haar als oudere witte moeder door een zwarte man op de markt in Amsterdam te beurt valt, maar ook citeert zij Isaäc da Costa die schreef:

Kan het zijn dat de lier, die sinds lang niet meer ruiste,
die sinds lang tot geen harten in dichtmuziek sprak,
weer opeens van verrukking en hemellust bruiste,
en in stromende galmen het stilzwijgen brak?

Hoe lang kunnen we nog genieten van columnisten die je zo de weg wijzen naar de schatkamer van de Nederlands poëzie waar zoveel zeldzame anapestische tetrameters liggen te verstoffen?
1 3  J U L I

Binair

Omdat ik zelf al heel, heel erg lang binair ben, verplaats ik me niet meer zo makkelijk in mannen en vrouwen die niet binair zijn, dat wil zeggen medemensen die eruit zien als man, maar zich vrouw voelen – of omgekeerd. Lastig. Ik heb mezelf als man regelmatig op vrouwelijke gevoelens betrapt – ik las en genoot van poëzie, hield van smaakvolle kleding en had niet zoveel met mannen die van die mannelijke dingen doen als wijdbeens zitten, opscheppen, niet luisteren, in te grote auto’s rijden en over vrouwen – behalve over potten – praten alsof het speelballen zijn. Ik heb er vaak over geschreven. Zo hoopte ik te leren aanvaarden dat ik waarschijnlijk nooit zo’n man zou worden, maar een vrouw werd ik ook niet. Wat dan wel? Die twijfel zeurt nog altijd zachtjes door. Lastig, maar hij (m/v) stimuleert me hoe dan ook om mee te denken over een manier van praten en schrijven die niemand, echt helemaal niemand, het gevoel geeft dat-ie wordt uitgesloten. Hoe doe je dat? Freeks Staps, de hoofdredacteur van het Algemeen Nederlands Persbureau, weet het al, maar het lijkt me niet verstandig zo’n mediamanager te volgen. Ik denk dat ik, lang geleden als taalkundige opgeleid, zelf maar eens ga zoeken naar een oplossing voor dat verdomde hij en zij, die twee voornaamwoorden die bewoners van ons westelijk halfrond zo akelig in twee groepen verdelen. Laten we ze vervangen door fij,  stel ik voor. Je schrijft en zegt dan: Fij loopt langs en groet fij. Maar nij of vij kan ook. Dan zeg je bijvoorbeeld: Nij belt aan en zegt dat nij eraan komt, nij moet de auto nog parkeren. Vij kan ook. Vij maakte vij onbeschaamd avances. Kiest u maar. Leerkrachten en andere betrokkenen – leerlingen, ouders, werkgevers, journalisten, uitgevers, redacteuren, copywriters, schrijvers en dichters – geef ik in overweging om kennis te nemen van de pogingen die de geniale taalkundige Noam Chomsky ondernam om de ingewikkelde systematiek van een levende taal met zijn transformationeel-generatieve grammatica recht te doen. Hij (vij, nij) kwam er niet uit. Chomsky’s onderzoek toonde in elk geval aan dat taal een veel en veel te ingewikkeld communicatiemiddel is om aan de eerste de beste woke – wakker geworden – mediamanager over te laten. Nij kan zich beter verdiepen in de praktische vraagstukken die niet-binairen in een binaire samenleving dagelijks het hoofd moeten bieden. Welke? Wanneer? Hoe erg? Hoe te voorkomen of te verhelpen? Lastig, maar daar hebben ze meer aan dan dat wij iedereen, ja, écht iedereen, óók onze al dan niet binaire nazaten tot in het derde en vierde geslacht, opzadelen met een uitzichtsloos taalkundig gepuzzel.
8  J U L I

 

Excuses

Ik bied alvast mijn verontschuldigingen aan. Over vijftig, of misschien pas over honderd jaar, hoop ik, zal ik van hoogopgeleide jongelui die het dan voor het zeggen hebben, te horen krijgen hoe fout ik was omdat ik (soms) vlees at, in een benzine-auto reed, soms met een Boeing naar Stockholm, New York of  Taormina op Sicilië vloog en mijn huis niet of nauwelijks had geïsoleerd, hoewel ik wist dat de beschikbare energievoorraad uitgeput raakte. O ja, ik maakte me mét mijn leeftijdgenoten die nooit een boek lazen, maar de smartphone als een adder aan hun borst koesterden, heel druk om van álles. Om de bondscoach, om de huizenprijzen, om het lerarentekort, om de opwarming van de aarde, om het vluchtelingenprobleem, om ongelijke kansen, om belastingontwijkende multinationals, om de rotstreken van De Telegraaf  tegen vrouwen als Sigrid Kaag en Femke Halsema en om het matige niveau van de vaderlandse politiek en journalistiek, om over de literatuur en vooral de literaire kritiek maar te zwijgen, en ik deed niks. Stom, stom, stom, ja, heel stom. Of was het lafheid? Gemakzucht misschien? Desinteresse? Of eenvoudigweg meer dan een mens in één leven aan kan? Maar, lieve genderneutrale bachelors en masters van kleur – of hoe jullie over vijftig jaar ook mogen heten – te mijner verdediging mag ik toch wel aanvoeren dat ik vanaf mijn achttiende levensjaar vijf dagen in de week zinnig werk deed in het belang van mijn medemensen, vrouw en kinderen liefdevol bijstond, offerde aan goede doelen, vluchtelingen in nood hielp, heel veel film keek, naar muziek luisterde, wandelde en fietste – om het milieu te ontzien, ja,  en óók omdat ik van het buitenleven genoot toen boeren op hun akkers nog tarwe, rogge en spelt oogstten in plaats van zonne-energie met high-techplaten. En ik las. Op 3 juli 2021 alweer mijn tienduizendste boek. Ik weet nog welk. Madoc. Het zegt jullie niks meer, zo’n Nederlands boek, maar ik kan er niet om heen. Ik was er bij toen het dagelijkse leven in Nederland almaar holler, banaler, rechtser en liberaler werd terwijl De Grote Noodzakelijke Verandering (DGNV) op zich liet wachten. Als op Godot (?). En ik deed niks. Ik probeerde alleen de paar jongelui die dit domme, domme uitstel aan het hart ging te troosten met het verhaal van mijn grootouders die honderd jaar daarvoor armlastig en onopgeleid als ze waren Drenthe en de turf achter zich lieten om in Duitsland een boterham in de kolenmijnen te verdienen. Daar, in het Ruhrgebied, leek het ze zowaar een poosje voor de wind te gaan, totdat het gruwelijke abces dat ‘nationalisme’ heet in de zieke onderbuik van Europa openbrak en hele volkeren – ook het Nederlandse – met zijn dodelijke pus vergiftigde. Miljoenen onschuldigen – onder wie mijn familieleden – hebben het niet kunnen na vertellen. Maar ik overleefde…  
1  J U L I