Logboek

Terug naar de voorpagina

 

Volksgericht

Wij gingen wandelen in het mooie Amstelpark dat in 1972 uit de Floriade is ontstaan. Omdat ik na een operatie niet al te ver meer kan lopen, noch fietsen, namen we de auto. Mijn vrouw parkeerde moeizaam tussen twee reusachtige terreinwagens, maar schampte een van beide voertuigen. Voordat we hadden kunnen uitstappen om de schade op te nemen, stond er al een vrouw met een blaffende hond krijsend op het portierraam te beuken. ‘Ik heb jullie nummer genoteerd, hoor,’ schreeuwde ze. Een stel juist gearriveerde automobilisten kwam onmiddellijk op de plaats delict af. De krenkende opmerkingen waren niet van de lucht. ‘Ouwe lul’, hoorde ik, ‘fossiel’, en andere invectieven die bedoeld zijn om ouderen hun leeftijd in te wrijven. Het zal de stok geweest zijn die na mijn verblijf in het ziekenhuis tijdelijk mijn stut en mijn steun is, anders dan voor Johan van Oldenbarnevelt die er volgens Joost van den Vondel het schavot mee beklom om daar onder de ogen van het Haagse gepeupel te worden onthoofd. Wat een agressie. Wat een haat. Inmiddels had ik het gewraakte vervoermiddel bekeken en gezien dat er nauwelijks schade was. Die bovendien door de verzekering werd gedekt. Vanwaar dan dit volksgericht? Wat bemoeiden deze mensen zich mee? Wat maakte hen zo kwaad? Om wat? Je ziet het tegenwoordig steeds meer op de televisie. Die hysterie. Een uurtje wandelen in het Amstelpark zou zulke opgefokte wezens goed doen, maar ze lopen niet. Even naar de coffee-to-go en dan met beker en al terug in de auto. Even had ik het gevoel in een uitzending van De Rijdende Rechter te zijn terechtgekomen. Dezelfde voor geen rede of relativering vatbare medemens, maar live was het erger. Ik stond oog in oog met omstanders die me het liefst hadden doodgereden…
2 5  J A N U A R I

 

Voice of Holland

Als in een land met zeventien miljoen inwoners zeven miljoen mensen de tijd vinden om midden op de dag naar een YouTube-film over misstanden bij een zangwedstrijd van een commerciële omroep te kijken – waar allerlei hotemetoten al dan niet aan vrouwen zouden hebben gezeten – is dat op zijn minst een bizar verschijnsel. Om niet te zeggen: angstaanjagend. Hoe interessant is zoiets – in het licht van de eeuwigheid? Onwenselijk seksueel gedrag is zou oud als de wereld – lees er het Oude Testament maar op na – en het zal niet verdwijnen zolang een bepaald soort mannen in wereldvreemde besloten kringen – de rooms-katholieke kerk, de televisiestudio’s, het meisjesturnen, de Zuidas – ongestraft zijn gang kan gaan. Maar zeven miljoen? Hadden die niets anders aan hun hoofd? Was het inderdaad zo erg? Of had die massale belangstelling misschien ook nog met iets anders te maken? Bijvoorbeeld met de hunkering van een door de commercie afgestompte menigte naar schandalen die we kennen van De Telegraaf, Privé, Story en Boulevard, om nog maar te zwijgen over de overtrokken nadruk in onze veramerikaniseerde cultuur op seksualiteit. Het meest intieme dat een mens in zijn leven mag ervaren, ligt op straat. Het wordt al decennialang in allerlei prikkelend bedoelde reclame misbruikt. Symptomatisch voor dat niveau is het grab them by the pussy van een voormalige Amerikaanse president. Dat alles, écht alles van opvoeding tot kledij, tegenwoordig sexy moet zijn, daar hoor je niemand over. Op een Amsterdamse basisschool leren kinderen paaldansen, vertelde een moeder mij. Miljoenen mensen kijken dagelijks urenlang naar ranzige, gewelddadige Amerikaanse porno. Zulke seksualiteit is gewoon. Alledaags vermaak, dat nóg leuker wordt als machtige macho’s ermee ten val worden gebracht. Dan roept iedereen schande en geniet. The Voice of Holland lijkt nu voorgoed het zwijgen opgelegd te worden, maar de verwende consument snakt naar meer van zulke Kitsch.
2 2  J A N U A R I

 

Dikke Van Dale

Zelfs de hoofdredacteur van De Dikke Van Dale lijkt niet te begrijpen dat woordgeslacht iets anders is dan biologisch geslacht. Als het gaat om het biologische geslacht heerst er heden ten dage grote verwarring onder pubers, adolescenten, ouders, leerkrachten, psychologen en andere hulpverleners. Ben ik man, vrouw of iets daartussen in? Met het woordgeslacht (genus) is het al langer tobben, maar het gedoe met taal en het biologische geslacht is nieuw. Ooit, lang geleden, toen het Nederlands uit het Indo-Europees tevoorschijn kroop – als een kuiken uit het ei, om met Robbert Dijkgraaf te spreken – zagen mensen dat een koe en een stier, een hen (hoen of kip) en een haan van elkaar verschilden. Ze wisten al dat mannen anders waren dan vrouwen. ‘Karin, moet-ie daarin?’ Maar hoe dit ertoe leidde dat álle zelfstandige woorden mannelijk,vrouwelijk of onzijdig werden, dat weten we niet. We weten wel dat in het oudste Nederlands al onderscheid werd gemaakt, maar dat verschil vervaagde in de loop van de tijd steeds sneller. Bij Multatuli kun je nog een Amsterdams stadsjochie tegenkomen dat (die) zelfs een koe ‘hij’ en ‘hem’ noemt. Een stad? Mannelijk of vrouwelijk? Een woning? Mannelijk of vrouwelijk? Een schoen? Mannelijk of vrouwelijk? Wij weten het niet meer. We hadden schoolboekjes nodig om het geslacht van zelfstandige naamwoorden te kunnen benoemen. Mooi, zo leerde iedereen dat woorden op -heid en -ing vrouwelijk waren, dat raad mannelijk was en katheder geen ‘het’ maar ‘de’ was – iets waartegen men in de politieke verslaggeving vandaag de dag regelmatig zondigt. Een richtlijn voor veel taalgebruikers is De Dikke Van Dale, een populair Nederlands woordenboek, dat graag de vinger aan de pols houdt. Niets op tegen. Maar moet die Dikke Van Dale ons nu ook al dan niet biologische genderveranderingen gaan voorschrijven als het om een vanouds mannelijk beroep gaat dat tegenwoordig ook door een vrouw of een lhbtq’er uitgeoefend wordt? Doe het niet, zou ik zeggen, maar nee, de Dikke Van Dale gaat zelfstandige naamwoorden voor beroepen behalve van een m (mannelijk), een v (vrouwelijk) of  een het (onzijdig) van een x voorzien wat men genderinclusief noemt omdat je tussen m, v en het inmiddels een heel alfabet aan menselijke variaties kunt invullen. Behalve m, v of het is de fietsenmaker voortaan ook x. Mijn hip bebaarde kaasboer die zich graag op zijn mannelijkheid voorstaat, treft hetzelfde lot. Ook hij krijgt gezelschap van de x. De x – de grote onbekende, zo wordt taal algebra. Ik ben bang dat degenen die zo, genderinclusief of niet, met hun taal aan het knoeien slaan, maar één ding bereiken: dat niemand meer buiten de Dikke Van Dale kan, want zelf los je die x niet op. Maar waarom niet gewoon die v of m afgeschaft? Het verschil kent toch niemand meer. Dan houd je alleen het over en ben je van die maffe x af.
1 4  J A N U A R I         

 

Verstopte neus

Jan Mulder heeft er indertijd al op gewezen. In de spreektaal legt men stelselmatig de klemtónen verkeerd. Het valt bijna niemand meer op. Nieuw is voor mij een manier van praten die je tot voor kort in het Nederlands niet hoorde, wel in het Frans. Ik bedoel de nasalisering die vrouwen zich hebben eigengemaakt. Vooral bij het gebruik van werkwoorden. Ze zeggen bijvoorbeeld niet meer speluh, maar – hoe schrijf je dat? – spela waarbij de laatste klank uit een verstopte neus lijkt te komen. Is het een voorbijgaand verschijnsel, zoals nog niet zo lang geleden de rare, rollende r van meisjes die te veel naar derderangs Amerikaanse series op de televisie keken? We moeten het afwachten, afwachta... Maar intussen zijn ook mánnelijke sprekers raar gaan praten. Het is langzamerhand heel gewoon dat nieuwslezers in de officiële journaals het niet meer hebben over ménsen, maar over minsen. Een prent kan zomaar in een print veranderen en een wens in een wins. Je denkt niet langer, maar je dinkt. Deze sprekers – minse met al hun minsewinse – veranderen de e in een i maar dan zonder puntjes want die hoor je niet. Fonetisch gesproken was het me ook al eerder opgevallen dat steeds meer Nederlanders de Nederlandse o, één van de twee die was overgebleven, de o-mikron naast de o-mega zogezegd, als een Rotterdamse ou zijn gaan zeggen. Of au, dat hoor je niet. Over de s die steeds meer als een palatale ssj – wordt uitgesproken, heb ik het al eens gehad. Taal verandert, ja, maar in Nederland reageren schoolmeesters meestal pas als je dat ziet. Is het niet de moeite waard om ook eens die hoorbare veranderingen onder de aandacht te brengen? Het is vaak modieuze aanstellerij, naäperij  en gemakzucht en de televisie verspreidt deze slechte gewoonten dag in dag uit onder het volk. Dat volk spreekt op den duur geen Nederlands meer, maar mediataal. Waar leren Nederlanders nog Nederlands dat iedereen geacht wordt te spreken?
1 2  J A N U A R I

 

Wens

Wij wensen alle lezers en gebruikers van wiewiewie een gelukkig nieuwjaar, een jaar, waarin het nieuwe kabinet de opwarming van de aarde, de woningbouw, de ruimtelijke ordening, de zorg, het openbaar vervoer, de strijd tegen de veramerikanisering van  onze cultuur en de uitbreiding van het bomenbestand voortvarend ter hand zal nemen. Kortom: meer groen, minder vervuiling, een menselijker economie, meer Europa, het Nederlands weer als voertaal en een krachtdadige heropvoeding van de onbeschofte, verwende en verwaten Nederlander.
1 J A N U A R I   2 0 2 2

 

 

 

Heks

Wat een bange man moet die Wilders zijn. Zoals hij bij de Algemene Politieke Beschouwingen uitviel tegen Sigrid Kaag – spreekt daaruit niet een diep verborgen angst voor de vrouw? Misschien verft hij om die reden ook zijn haar. Waar waren feministen in de Tweede Kamer om hun collega tegen deze manicheïst in bescherming te nemen. Of dachten ze: dat kan ze wel alleen af? Dezelfde angst die Wilders tegenover Kaag aan de dag legt, ligt ook ten grondslag aan zijn psychopathische xenofobie die zich richt op de aanhangers van de Islam in Nederland.. Als hij niet zo streng bewaakt werd, zou je haast medelijden met hem krijgen. Dat zoveel Nederlanders hem – net als de vrouwenhater en dierenliefhebber Dion Graus – klakkeloos blijven volgen, vind ik tamelijk verontrustend. Angstaanjagend is de modderstroom aan vrouwenhaat die hij met zijn typering van Sigrid Kaag als heks op Twitter in gang zette. Pijnlijk. Aan het woord heks kleeft een zo lugubere geschiedenis van vrouwenonderdrukking dat je het alleen al om die reden uit je hoofd laat om een vrouw zo te noemen – of af te beelden, zoals Ruben Oppenheimer in de NRC. Kennelijk werkt de middeleeuwse Heksenhamer (Maleus maleficarum) in het onderbewuste van een bepaald soort mannen tot in deze tijd door. Dat de meesten van hen geen idee hebben is, hoe verschrikkelijk ook, nog tot daaraan toe, maar een katholieke zuiderling als Geert Wilders moet van de afschuwelijke heksenvervolging door de eeuwen heen gehoord hebben. Ze waren erger dan de Bokkenrijders.
2 3  S E P T E M B E R

 

Van horen zeggen

Weinig mensen, is mijn indruk, doen hun best om zich over de samenleving te informeren. Of denken zelf na. Dat is ook moeilijk, ik weet het, maar ik zou zeggen, je kunt het toch proberen. Ga eens op onderzoek uit, bijvoorbeeld door met iemand uit een andere kring dan de jouwe te praten. Eng? Zeker. Het is makkelijker om onder ons te blijven. Een nadeel is dat je steeds dezelfde vertrouwde opinies hoort die je vanzelf gaat napraten, zeker als je ze ook nog eens kunt optuigen met standpunten in je eigen media, je eigen krant en je eigen tv- en radioprogramma’s. Op sociale media – Twitter – zie je wat er gebeurt als men lichtvaardig doorgeeft wat men in de eigen omgeving heeft gehoord. Kritiekloos. Niemand spreekt je tegen. Je hoeft de vraag niet te stellen of het wel waar is wat er wordt beweerd. Natuurlijk is het waar en je praat het na. Napraten is steeds een algemeen aanvaarde vorm van openbare communicatie geworden sinds radio en televisie naar Amerikaans voorbeeld met hun kletsprogramma’s (talkshows) de massa begonnen te paaien. Niet feiten of kennis van zaken, maar meningen werden belangrijk. Goed idee. Gemakzucht dient de media. Niemand hoeft iets te weten of te kunnen. Je roept maar wat. De spreker wordt geen strobreed in de weg gelegd, als hij of zij maar leuk is of plat of net als die boerenmevrouw met haar Jip- en Janneke-taal duizenden landbouwers op hun tractor naar Den Haag weet te dirigeren. De macht van het getal telt. Kwantiteit telt. Populariteit is een kwaliteit geworden. Geen gespreksleider roept ooit: maar, man, het is helemaal niet waar wat je zegt. Je liegt in commissie. Je praat na. Zulk gepraat staat niet zwart op wit. Het kan niet worden gecorrigeerd. Het vervliegt, maar daardoor wordt het – paradoxaal genoeg – eerder waarheid dan het geschreven woord. Zo informeren de kletsprogramma’s de bevolking en de bevolking praat na. Geen wonder dat we omkomen in het geouwehoer, vaak doorspekt met clichés, krom Nederlands en Amerikaanse clichés die iedereen in de mond bestorven liggen. Het onderwerp is stelselmatig een simpele tweedeling zoals hoog- of laagopgeleid, links of rechts, hoge of lage kunst en volk of elite. Zulke dichotomieën – de media zijn er gek op, want altijd makkelijk hanteerbaar – worden al snel waarheden die niemand meer ter discussie kan stellen. Het wordt een nietes-welles en zo wordt de openbare meningsvorming in Nederland een schoolklas met veel te luidruchtige kinderen die het heel erg naar hun zin hebben omdat ze nooit, maar dan ook nooit iets hebben hoeven leren, terwijl de meester opgebrand thuis zit.   
2 2   S E P T E M B E R

 

Superdry

We zagen de minister-president en de minister van financiën in een T-shirtje op de foto van de formatiebijeenkomst in Hilversum. Het leken wel brave jongens op school. Op het hemdje van Wopke las ik superdry , wat Aaf Brandt Corstius in de Volkskrant vertaalde als superdroog, maar dat is niet goed. Dat is nog half Amerikaans. In Nederland zeggen we in plaats van superdry gortdroog, een heel ander begrip, maar wel een dat me uitstekend lijkt te passen bij de christelijke consultant uit Zeist die Wopke is. Er is al heel veel gezegd over de onmacht van deze twee om knopen door te hakken, maar meer dan alle woorden, vertellen hun truitjes het verhaal van hun burgerlijke provincialisme dat het landsbestuur verlamt.   
2 0  S E P T E M B E R

 

Afghanistan

Sigrid Kaag trok het boetekleed aan en dat siert haar. Zij nam de verantwoordelijkheid voor wat er fout ging in Kaboel. Met al in het beginstadium een blunder van minister Stef Blok (VVD), haar voorganger. Minister Ank Bijleveld (CDA) en staatssecretaris Ankie Broekers-Knol (VVD) drukten hun snor terwijl steeds duidelijker wordt hoe de laatste keer op keer faalde. Ze deed niets. Ze wou geen misdadigers uit Afghanistan. Het is verschrikkelijk wat er is gebeurd, laat daar geen misverstand over bestaan, maar de gespeelde toorn waarmee de populisten in de Tweede Kamer Sigrid Kaag de les lazen, bood een ontluisterende aanblik. Op een enkeling na – ik durf mijn hand ervoor in het vuur te steken – heeft niet één van deze opponenten ooit iets in het leven gepresteerd – laat staan te hebben moeten handelen onder levensgevaarlijke omstandigheden als in Afghanistan. We zijn een griezelig soort democratie geworden. Een bot geformuleerde mening – of een statement met een tractor – maakt op je electoraat én de media meer indruk dan kennis van zaken. Dan is het des te makkelijk om achteraf de indruk te wekken dat jij het zoveel beter gedaan zou hebben. Mij viel ook op dat de Kamerleden de feilen van de minister niet zelf aan het licht hadden gebracht, maar ontleenden aan krantenstukken van een paar goed schrijvende journalisten. Hun onthullingen werden klakkeloos overgenomen. Een vertrouwd beeld. Kennis van horen zeggen. We zagen weer eens hoe de stupide televisiekletsprogramma’s school maken in de huiskamer van de democratie die de Tweede Kamer lang is geweest.
1 6  S E P T E M B E R

 

Kaag is de koetjes en kalfjes van Rutte beu

In Den Haag hebben ze er moeite mee, met het begrip inhoud.  Ja, wat wil je als je nooit een boek leest. Voor hedendaagse volksvertegenwoordigers is een boek iets overbodigs, iets wat je rustig links kunt laten liggen. Gelijk hebben ze. Maar er zijn boeken die ook hun de ogen voor onbekende verten kunnen openen. Lezers weten dat. Dan kun je het ergens over hebben. In Den Haag  lezen ze niet, zelfs de verontrustende rapporten over het Haagse beleid die regelmatig het licht zien, worden genegeerd. Tja , dan weet niemand meer wat het begrip inhoud eh.. inhoudt, behalve die drie of vier volksvertegenwoordigers die nog ergens voor staan – en lezen. Een van hen is – bij alle onzekerheid die zich aandient als ook zij gedwongen wordt om zich met de kneuterige Haagse spelletjes in te laten – Sigrid Kaag. Zij kent de wereld buiten Den Haag, ze heeft in het Midden-Oosten politieke en bestuurlijke ervaring opgedaan, ze is voor geen kleintje vervaard en schroomt niet aandacht te vragen voor de grote vraagstukken van onze tijd waarmee iedereen op deze aardkloot te maken heeft. Ze benoemde ze in haar H.J.Schoo-lezing, en ja, daar gingen we weer, hoor: haar kritische analyse werd teruggebracht tot een afkeer van Mark Rutte, een man die al tien jaar lang geniet van zijn baan, iemand die ermee koketteert dat hij geen visie heeft en alles wat hem te nakomt schaterend weglacht – een typisch liberale eigenschap die ook mannen als Zalm en Opstelten kenmerkte. Dat zou je een subjectieve kijk mijnerzijds kunnen noemen, maar de Algemene Rekenkamer heeft in objectieve zin aangetoond dat er in de tien jaar van Rutte geen enkel substantieel probleem van de vele die Sigrid Kaag noemde, is aangepakt. Wat doe je als je gedwongen bent zaken te doen met een man die bij alles wat ook maar enigszins ingewikkeld is, zijn schouders ophaalt, op z’n best begint te grijnzen en overgaat tot de koetjes en kalfjes die in VVD-kringen geliefde huisdieren zijn bij de barbecue. Ja, wat doe je dan? Het ergste is nog wel dat ook parlementaire journalisten van betere kranten dan De Telegraaf zich dit niet afvragen en het Haagse spel meespelen alsof het een partijtje Mens-erger-je-niet in huiselijke kring betreft. Ook zij doen grote vraagstukken af, zoals in Den Haag gebruikelijk, als gekissebis van ijdele politieke leiders die moeten scoren om kiezers te paaien. Gekissebis. Ik kan me goed voorstellen dat Kaag het met Mark Rutte helemaal gehad heeft, een beperkte man die er tien jaar lang in geslaagd is zichzelve koste wat kost met steun van zijn VVD-vrinden te handhaven en het begrip inhoud voorgoed achter de Haagse duinen heeft laten verdwijnen. Deze week leek het er even op dat iemand er toch nog iets van boven de Doggersbank had zien zweven, maar het bleek om een verdwaalde zwemster te gaan die bijna verzoop….
9  S E P T E M B E R

 

Het dagboek van augustus ontbreekt omdat de auteur die maand in het ziekenhuis van de Vrije Universiteit in Amsterdam verbleef na een nogal ingrijpende operatie.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dichtkunst

De Rijksbouwmeester, Floris Alkemade, is een man naar mijn hart. Een avond lang wist hij mij in Zomergasten te boeien met zijn rustige beschouwingen over de ingrijpende veranderingen in de samenleving die ons te wachten staan. Janine Abbring hoorde het verrast aan. Ik ook, maar mij verraste vooral de liefde voor de poëzie waarvan de rijksbouwmeester getuigde. Een voorbeeld was een televisie-interview met de Franse schrijver Michel Houellebecq die voor de camera onomwonden zijn liefde aan de dichtkunst verklaarde. Menigeen vindt deze man nogal een nurks wiens proza je moet lezen, maar niet voor de lol, en uitgerekend hij begint over het belang van de poëzie in het algemeen en voor hem in het bijzonder. De keuze van Floris Alkemade versterkte mijn indruk dat de poëzie ook voor hem een bron van inspiratie is als hij nadenkt over de inrichting van de samenleving, het bouwen in de toekomst en de bewoonbaarheid van onze steden. Het was heerlijk om uit die hoek en op dat niveau als poëzielezer bij een meer dan particulier belang betrokken te worden. Poëzie is in ons veramerikaniseerde mediatijdperk een Fremdkörper, iets geks of spokenword-achtigs, een incident dat in het openbaar nauwelijks invloed heeft, maar een beschaving kan er niet buiten – of ze sterft af. Het gaat niet alleen om de wóórden die met hun klank en ritme hart en hoofd beroeren, maar ook om een levenshouding die je anders naar de wereld doet kijken dan waartoe onderwijs, arbeid en politiek je dwingen. Die druk veroorzaakt een vorm van bijziendheid die alle schoonheid wazig maakt. Floris Alkemade zette de boel op scherp.
2 0  J U L I  

 

Da Costa

Wook en humor gaan niet samen. Dat zegt Ilse Warringa van De luizenmoeder in de Volkskrant. Ze heeft gelijk. Zwarte kousen lachen niet. Des te grappiger is het stukje van Sylvia Witteman vanmorgen in de Volkskrant. Niet alleen registreert ze opgewekt een staaltje  grensoverschrijdend seksueel gedrag dat haar als oudere witte moeder door een zwarte man op de markt in Amsterdam te beurt valt, maar ook citeert zij Isaäc da Costa die schreef:

Kan het zijn dat de lier, die sinds lang niet meer ruiste,
die sinds lang tot geen harten in dichtmuziek sprak,
weer opeens van verrukking en hemellust bruiste,
en in stromende galmen het stilzwijgen brak?

Hoe lang kunnen we nog genieten van columnisten die je zo de weg wijzen naar de schatkamer van de Nederlands poëzie waar zoveel zeldzame anapestische tetrameters liggen te verstoffen?
1 3  J U L I

Binair

Omdat ik zelf al heel, heel erg lang binair ben, verplaats ik me niet meer zo makkelijk in mannen en vrouwen die niet binair zijn, dat wil zeggen medemensen die eruit zien als man, maar zich vrouw voelen – of omgekeerd. Lastig. Ik heb mezelf als man regelmatig op vrouwelijke gevoelens betrapt – ik las en genoot van poëzie, hield van smaakvolle kleding en had niet zoveel met mannen die van die mannelijke dingen doen als wijdbeens zitten, opscheppen, niet luisteren, in te grote auto’s rijden en over vrouwen – behalve over potten – praten alsof het speelballen zijn. Ik heb er vaak over geschreven. Zo hoopte ik te leren aanvaarden dat ik waarschijnlijk nooit zo’n man zou worden, maar een vrouw werd ik ook niet. Wat dan wel? Die twijfel zeurt nog altijd zachtjes door. Lastig, maar hij (m/v) stimuleert me hoe dan ook om mee te denken over een manier van praten en schrijven die niemand, echt helemaal niemand, het gevoel geeft dat-ie wordt uitgesloten. Hoe doe je dat? Freeks Staps, de hoofdredacteur van het Algemeen Nederlands Persbureau, weet het al, maar het lijkt me niet verstandig zo’n mediamanager te volgen. Ik denk dat ik, lang geleden als taalkundige opgeleid, zelf maar eens ga zoeken naar een oplossing voor dat verdomde hij en zij, die twee voornaamwoorden die bewoners van ons westelijk halfrond zo akelig in twee groepen verdelen. Laten we ze vervangen door fij,  stel ik voor. Je schrijft en zegt dan: Fij loopt langs en groet fij. Maar nij of vij kan ook. Dan zeg je bijvoorbeeld: Nij belt aan en zegt dat nij eraan komt, nij moet de auto nog parkeren. Vij kan ook. Vij maakte vij onbeschaamd avances. Kiest u maar. Leerkrachten en andere betrokkenen – leerlingen, ouders, werkgevers, journalisten, uitgevers, redacteuren, copywriters, schrijvers en dichters – geef ik in overweging om kennis te nemen van de pogingen die de geniale taalkundige Noam Chomsky ondernam om de ingewikkelde systematiek van een levende taal met zijn transformationeel-generatieve grammatica recht te doen. Hij (vij, nij) kwam er niet uit. Chomsky’s onderzoek toonde in elk geval aan dat taal een veel en veel te ingewikkeld communicatiemiddel is om aan de eerste de beste woke – wakker geworden – mediamanager over te laten. Nij kan zich beter verdiepen in de praktische vraagstukken die niet-binairen in een binaire samenleving dagelijks het hoofd moeten bieden. Welke? Wanneer? Hoe erg? Hoe te voorkomen of te verhelpen? Lastig, maar daar hebben ze meer aan dan dat wij iedereen, ja, écht iedereen, óók onze al dan niet binaire nazaten tot in het derde en vierde geslacht, opzadelen met een uitzichtsloos taalkundig gepuzzel.
8  J U L I

 

Excuses

Ik bied alvast mijn verontschuldigingen aan. Over vijftig, of misschien pas over honderd jaar, hoop ik, zal ik van hoogopgeleide jongelui die het dan voor het zeggen hebben, te horen krijgen hoe fout ik was omdat ik (soms) vlees at, in een benzine-auto reed, soms met een Boeing naar Stockholm, New York of  Taormina op Sicilië vloog en mijn huis niet of nauwelijks had geïsoleerd, hoewel ik wist dat de beschikbare energievoorraad uitgeput raakte. O ja, ik maakte me mét mijn leeftijdgenoten die nooit een boek lazen, maar de smartphone als een adder aan hun borst koesterden, heel druk om van álles. Om de bondscoach, om de huizenprijzen, om het lerarentekort, om de opwarming van de aarde, om het vluchtelingenprobleem, om ongelijke kansen, om belastingontwijkende multinationals, om de rotstreken van De Telegraaf  tegen vrouwen als Sigrid Kaag en Femke Halsema en om het matige niveau van de vaderlandse politiek en journalistiek, om over de literatuur en vooral de literaire kritiek maar te zwijgen, en ik deed niks. Stom, stom, stom, ja, heel stom. Of was het lafheid? Gemakzucht misschien? Desinteresse? Of eenvoudigweg meer dan een mens in één leven aan kan? Maar, lieve genderneutrale bachelors en masters van kleur – of hoe jullie over vijftig jaar ook mogen heten – te mijner verdediging mag ik toch wel aanvoeren dat ik vanaf mijn achttiende levensjaar vijf dagen in de week zinnig werk deed in het belang van mijn medemensen, vrouw en kinderen liefdevol bijstond, offerde aan goede doelen, vluchtelingen in nood hielp, heel veel film keek, naar muziek luisterde, wandelde en fietste – om het milieu te ontzien, ja,  en óók omdat ik van het buitenleven genoot toen boeren op hun akkers nog tarwe, rogge en spelt oogstten in plaats van zonne-energie met high-techplaten. En ik las. Op 3 juli 2021 alweer mijn tienduizendste boek. Ik weet nog welk. Madoc. Het zegt jullie niks meer, zo’n Nederlands boek, maar ik kan er niet om heen. Ik was er bij toen het dagelijkse leven in Nederland almaar holler, banaler, rechtser en liberaler werd terwijl De Grote Noodzakelijke Verandering (DGNV) op zich liet wachten. Als op Godot (?). En ik deed niks. Ik probeerde alleen de paar jongelui die dit domme, domme uitstel aan het hart ging te troosten met het verhaal van mijn grootouders die honderd jaar daarvoor armlastig en onopgeleid als ze waren Drenthe en de turf achter zich lieten om in Duitsland een boterham in de kolenmijnen te verdienen. Daar, in het Ruhrgebied, leek het ze zowaar een poosje voor de wind te gaan, totdat het gruwelijke abces dat ‘nationalisme’ heet in de zieke onderbuik van Europa openbrak en hele volkeren – ook het Nederlandse – met zijn dodelijke pus vergiftigde. Miljoenen onschuldigen – onder wie mijn familieleden – hebben het niet kunnen na vertellen. Maar ik overleefde…  
1  J U L I