Een Gepeperde Rekening

6

In de gespannen stilte die de atmosfeer in de Opel er niet vrolijker op maakte, overwoog ik dat ik misschien banger was dan die jongen naast me wiens lichaamswarmte ik door onze kleding heen voelde. Hij gloeide. Ik zag vochtplekken in zijn kleding. Wat kon ik doen? Het geladen pistool zat onbereikbaar in mijn zak. De jongen probeerde zich zo ver mogelijk van me af te keren, maar het bracht hem alleen maar dichterbij. Hij werd deel van mij, een wederhelft, hij kleefde aan me…

Voelde Snor het ook zo? Ik zocht zijn blik maar hij bleef unverfroren uit het raam kijken. Ook de mannen op de voorbank zaten maar voor zich uit te koekeloeren. Wat een gemelijk zootje. Gewoon weer een klus gedaan. Ik had ze wel willen toe schreeuwen. ‘Wollt ihr den totalen Krieg?’ God, wat moest ik pissen. Maar ik durfde het niet te zeggen. En die jongen? Ik kreeg het Spaans benauwd. Zelfs de simpele zin ‘ik moet pissen’ kwam mijn strot niet uit. Je hoorde de motor en het windgeruis van de Opel, maar verder was het stil. Geen radio? Het laatste nieuws? Je hoorde ons inzittenden, vijf mannen, dicht opeen, samen in deze gevangenis, niet eens ademen.
Ik begon ook te gloeien. Een hete harses en tegelijk koude rillingen op mijn rug. Koorts. Het zweet brak me uit. Ik keek naar de jongen. Nog meer zweetdruppels op zijn voorhoofd. Het was een mooie jongen. Nog nooit had ik iemand met zo’n mooi gezicht van zo nabij zo durven bekijken. Geen moedervlek, geen pokkengat, litteken of jeugdpuistje op zijn matglanzende huid. Puntgaaf ventje. Snor vond ik ook mooi, maar anders, een blonde West-Friese reus, een schaatser. Onze deserteur had iets vrouwelijks, die fijne gelaatstrekken, zijn mond en die volle lippen, enigszins open zag ik, die gratie, dat ranke lijf. Snor was zozeer in alle opzichten een mán dat het me soms jaloers maakte. Ineens overweldigde me een heftige wellust. Ik schrok ervan. Ik zou de jongen kunnen strelen, zijn gevechtspak openen, het zweet op zijn borst deppen, zijn tepels… Ik voelde hoe mijn geslacht zich naast de browning roerde… Lust. Weg. Aftuigen moesten ze die blauwe, martelen zoals ze Sebastiaan hadden gemarteld, duizend pijlen in zijn lijf, niks ‘engeltje’, doodmartelen, dit sieraad Gods.

Plotseling klonk het: ‘Godverdomme, kijk uit.’ Ik schoot naar voren. De bijrijder schreeuwde. Hij trommelde op het dashboard. De auto voor ons had zo schielijk vaart geminderd dat we er bijna bovenop geknald waren. De stip ging stoppen. We zagen hem afslaan en volgden hem een parkeerplaats op…  Leeg, alleen ver weg zagen we een bemodderde truck met oplegger waarvan de cabinegordijntjes gesloten waren.

De stip was zijn auto al uit. Hij dribbelde op ons af. ‘Sanitaire stop,’ deelde hij kortaf mee. Alle marechaussees verlieten de auto’s, maar Snor en mij was die bewegingsvrijheid niet vergund. We zaten vast. De stip maakte mij los en ik klom, stijf van het benarde zitten, het pistool in de hand, de auto uit. Aan de andere kant zag ik hoe Snor zich met de deserteur naar buiten worstelde.

Bos gebaarde in de richting van wat bomen en struiken. Daar konden we sassen, maar hij begreep dat onze arrestant het niet alleen af kon. ‘Wachtmeester,’ riep hij naar mij, ‘help die man.’ Snor was het struikgewas al genaderd. Hij keek om en wees op de jongen, een teken, leek mij, dat er van hoge nood sprake was. Ik zette het op een lopen, knoopte de gulp van de Ambonees open en tastte naar zijn gevalletje dat even later bruin en slap in mijn hand lag. Ik zei: ‘Pissen maar, vriend!’

Er gebeurde niets. Zelf stond ik inmiddels op knappen. Ik keek de jongen aan. Voor het eerst zag ik hem recht in de ogen. De haat trof me vol in het wankele gemoed. Hij weigerde te wateren. Of hij hoefde niet. Kon ook. Nors wendde hij zich af. Vermoedelijk zou hij ons het liefst allemaal tegelijk omgelegd hebben. Snor stond bruisend te lozen, buik vooruit, een gelukzalige grijns krulde zijn knevel. Ik waterde ook. Daarna sjouwden we met zijn drieën terug naar de Opel en namen onze posities weer in, ik links van de jongen, Snor rechts.

Opgelucht reden we door. De kazerne was niet ver meer. Ik tastte naar het pistool. Met een kalme gang rondden we het verkeersplein Oudenrijn waar op dit uur van de dag het verkeer nog kon doorrijden. Nog even. Ik dacht dat we het ergste wel hadden gehad. Plotseling drong een weerzinwekkende lucht mijn neus in. Ik zag het kruis van de jongen donker kleuren. ‘Christus,’ riep Snor, ‘Jezus Christus. Hij heeft in zijn broek gezeken.’ De stank was, op zijn zachtst gezegd, onverdraaglijk, on-Nederlands, ja. Zelfs de marechaussees waren er door van slag. De bijrijder keek met een vies gezicht om. De chauffeur zei: ‘We rijden door. Dat regelen we in de kazerne wel.’

Het was niet alleen de pis. Het was meer. Het had er veel van weg dat het lijf van de Molukker ál zijn secretiën in één keer had prijsgegeven. Zijn onderbroek, hemd, T-shirt en gevechtspak moesten doordrenkt zijn van zeik, zweet, zaad misschien wel en stront – wat moest die jongen zich belabberd voelen. Maar geen kik. Haat. De intimiteit tussen ons werd er nog beklemmender door. Een echtverbintenis waaraan geen ontsnappen mogelijk was. Wilde ik dit? Ik wist het niet. Ik zou er mijn hand niet voor in het vuur hebben gestoken. Hij trok me aan, die jongen, al stonk hij als een latrine. Ik wist dat hij het expres gedaan had. Hij had uit dwarsigheid niet gepist toen het kon. Niet zo, met die boeien om, zijn mannelijkheid in mijn hand. Was ik daardoor nóg afhankelijker van hem geworden? Zijn slachtoffer? Wiens pik hield je zo vast? Moest ik hem redden? Iemand moest het doen.

De stank in de auto was niet te harden. Ik zou mijn neus hebben willen dicht knijpen. De bijrijder leek deze zwakheid te willen begaan, maar Snor en ik kónden het niet eens, al zouden we willen, we zaten vast. We wisten dat de legerplaats nabij was. Dat hielp. Volhouden… We draaiden de provinciale weg naar Ede al op. Ik had al die tijd mijn adem ingehouden maar durfde nu weer wat zuurstof toe te laten. Gelukkig mochten we zonder gedoe de poort van de kazerne passeren. De slagboom stond al omhoog.

We reden linea recta door naar de stafbatterij. In zijn bureau bleek de kapitein Rombouts in gesprek met een collega, de batterijcommandant van de jongen. Samen hadden ze besloten wat er moest gebeuren. ‘Neem hem maar mee,’ zei Rombouts tegen de marechaussees toen we allemaal in zijn kantoor stonden, Snor en ik nog steeds aan de jongen vast. Hij stonk hier  nog erger dan in de auto. ‘Hij moet voor de krijgsraad verschijnen,’ zei Rombouts. ‘Dan kunnen jullie hem het beste maar meenemen. Jullie zijn daar meer voor geëquipeerd dan wij.’ Aan de adjudant Bos vroeg hij: ‘Hoe zat het met die wapens?’ ‘Dat zijn we nog aan het onderzoeken,’ zei de stip, ‘dat zal nog wel even duren.’

Snor en ik zouden in de maanden die we nog dienden van niemand horen, niet van opper Den Daas, niet van kapitein Rombouts, maar ook niet van onze dove spionage-expert wiens vrouw aan de kanker was overleden of er in Leiden wapens gevonden waren en zo ja welke, van ons? Evenmin werd ons verteld wie de jongen was of hoe hij heette. Een Ambonees, ja, dat hadden wij ook wel gezien.

De deserteur was een dag of wat onderwerp van gesprek, voor ons, voor de opper en voor een enkele collega en daarna deed iedereen er verder het zwijgen toe. Ik dacht er ook niet meer aan. Als je de godganse dag niks te doen hebt, denk je aan steeds minder. Lijfsbehoud. Het belangrijkste voor ons was dat we over 59 dagen zouden afzwaaien. Mij bedrukte de prangende vraag wat ik met mijn leven aan moest. Op Snor wachtte een ‘landbouwbedrijf’ in ‘het nieuwe land’. En Joke. Ze zouden twee kinderen krijgen, een jongen, en een meisje, enfin… je kon zijn hele plaatje zo inkleuren… Ik nam, toen het zo ver was, diep geroerd afscheid van mijn besnorde wapenbroeder. Ruim anderhalf jaar hadden we lief en leed gedeeld. Samen op één kamer geslapen. We omhelsden elkaar lang en geëmotioneerd en beloofden elkaar eeuwige trouw. We zouden elkaar nooit meer zien.

Ik dacht pas weer aan Snor en wat we samen beleefd hadden toen ik, inmiddels huisvader geworden en als redacteur werkzaam bij een uitgeverij in Baarn, op een decemberochtend in 1975 naar de radio luisterde en hoorde dat er bij Wijster een trein  door ‘Zuid-Molukse jongeren’ was gekaapt. Of misschien drong het op dat moment nog niet tot me door. Misschien begon het me pas te dagen toen de gijzeling al een paar dagen doorziekte en er mondjesmaat meer bekend werd. Aarzelend, herinner ik me, drong zich op dat moment het denkbeeld aan me op dat onze deserteur, de jongen die Snor en ik samen met die vier marechaussees gevangen hadden genomen, bij deze actie betrokken was, een jaar of tien, twaalf ouder inmiddels en een gedreven leidsman voor deze Zuid-Molukse jongeren die genoeg haat in hun lijf hadden om héél Nederland op te blazen.

Die gedachte werd – naarmate ik meer zag en hoorde, de lichamen van de gefusilleerden die als meelbalen uit de trein werden gesmeten – een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, hij zát erbij, en van een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid werd ze een zekerheid, een obsessie, een dwanggedachte die me in de bijsluiter van alle middelen die ik – geestelijk gesproken – te hulp riep een reeks wurgende angstdromen beloofde waarover ik zelfs met mijn vrouw niet durfde te praten.

De reden was, denk ik, dat ik me schaamde. Dat ik me schaamde. Dat ik  me zo verschrikkelijk schaamde dat ik niet meer kon werken, niet meer kon lézen, wat mijn werk was. Elk woord dat ik onder ogen kreeg, trok een wespennest aan rampspoed los waarin de dood, steeds maar weer de dood, in telkens andere vermomming zijn lugubere danse macabre opvoerde. Hunde, wollt ihr ewig leben? huilde het ’s nachts in mijn hoofd. Ik had aan iets meegedaan waaraan ik niet had mee mogen doen. Ik had het niet moeten doen. Ik had moeten weigeren. Ik was bij die arrestatie een figuur in mezelf tegengekomen die ik niet kende, die niet bij me paste en die ik niet wilde kennen, maar hoe spottend ik deze Faust ook tegemoet trad, weglachen liet hij zich niet.

Niet meer. De tijd van grappen maken, besefte ik, was voorbij. Het leven was geen komedie, laat staan een klucht. De kwelgeest wist het. De kwelgeest wist dat ik tot onmenselijke gedragingen in staat was gebleken en hij zou mij daar zwaar voor laten boeten. Mij werd het recht op een geslaagd bestaan ontzegd. De halfzachte manicheïst die ik altijd was geweest, was niet God maar de Duivel in handen gevallen. Ik had van de boom der kennis gegeten en het kwaad in een nieuwe, ontluisterende gedaante ontmoet – het kwaad dat zich schuilhoudt in wat wij ‘redelijk’ vinden of ‘normaal’, in wat wij gemakzuchtig, laf dan wel onverschillig of gelaten accepteren, het kwaad dat de zachte hand van het Gezag van het ene moment op het andere in een pantservuist kan veranderen. De regering had de Molukkers een thuis beloofd. Ze hadden een concentratiekamp van de moffen gekregen.

Ik voelde de alles verzengende haat van die jongen opnieuw toen de kapers in die angstaanjagende decemberdagen drie treinreizigers voor de ogen van heel kijkend Nederland standrechtelijk executeerden. Merdeka, merdeka. Hun kleurige hoofddoeken, hun lange zwarte haar, hun automatische, misschien in Ede gejatte wapens, riepen beelden op van bloedbaden en verraad waartegen hun onschuld, hun trouw, hun verscheurdheid, hun wanhoop en hun niet te lenigen weemoed, de blues, hun blues om het verloren paradijs Ambon met zijn geur van kruidnagel niet bestand waren gebleken. Het zou altijd oorlog blijven.

Ik had die jongen als een opstandige pelopper ontmand toen ik zijn slappe pik in mijn hand had genomen en hij niet wilde plassen. Niet zo. Niet deze vernedering. Hij had wraak genomen. Op iedereen. Op mij. Wat ik de komende jaren ook zou aanpakken, hoeveel kinderen ik ook zou krijgen en wat ik ook tot stand zou brengen – een bibliotheek van wereldfaam bijvoorbeeld – na korte tijd al zou het allemaal gaan stinken naar lafheid, mislukking, pis.

EINDE

Geschreven door Willem Kuipers.
Gepubliceerd op 30 januari 2013.