Een Gepeperde Rekening

5

Snor zat voor zijn doen nogal passief, sloom bijna – als dat woord hem tenminste paste – onderuitgezakt naast me. Hij leek geen last te hebben van de browning in zijn zak. Hij was in gedachten verzonken. Blik op nul, verstand op oneindig. Normale houding voor een militair. Ik zou er wat voor gegeven hebben om te weten wat hem bezighield. Nam hij de arrestatie al door? Dacht hij aan zijn boerderij? Aan zijn Joke?

Nog een half uur en we zouden Leiden binnenrijden. Het was gaan regenen, zo’n kille, treurige druilregen. ‘Land van mest en mist, van vuile, koude regen…’ Het gezwiep van de ruitenwissers maakte me slaperig. De marechaussees op de voorbank zwegen. Ik was er na aan toe ze een bak te vertellen. ‘Kennen jullie die van die commando’s….’

Ik grinnikte en tastte naar de browning in mijn zak. Ik dacht aan de deserteur in zijn keukentje vol vaatwerk bij zijn vriendin in Leiden.
‘Wat kan dat voor een jongen zijn, Snor?’ vroeg ik.
Snor trok zijn wenkbrauwen op.  ‘Geen idee,’ zei hij.
Wie gingen we dan oppakken? Het was niet waarschijnlijk dat we de jongen kenden of zelfs ooit hadden gezien. Je kende niet alle kanonniers in de kazerne. Hoeveel waren het er wel niet? Buiten je eigen kringetje kende je niemand. We kenden de soldaten van de stafbatterij en een paar anderen van een oefening, het wachtlopen, de mess of het voetballen.

In je opleiding, als rekruut, als officier of als onderofficier kreeg je tot vervelens toe te horen dat het ‘werk’ in dienst ‘teamwork’ was, ‘teamwork’, op z’n Engels, maar in de praktijk merkte je daar weinig van. Het was eerder ieder voor zich en God voor ons allen. Ik was waarnemer, Snor landmeter, specialisten, wij zagen nooit een kanon, of zoals je moest zeggen ‘een stuk geschut’, laat staan de mannen die die krengen moesten afvuren, de stukscommandanten en hun manschappen die na hun afzwaaien gehoorgestoord naar moeders pappot terugkeerden.

Je niet hechten – dat was, onuitgesproken, een veel belangrijker boodschap. Vroeg of laat ging je eraan. Wij waarnemers zeker. Je deed je werk, alleen, geïsoleerd, ver voor de eigen troepen uit in onbekend terrein. Jij zag als eerste het vijandelijke doel. Door je veldtelefoon gaf je de coördinaten door aan je collega’s, wiskundigen veelal, die ze – ballistisch juist – tot instructies voor de stukscommandanten omrekenden. En dan maar knallen. Ja, dat was teamwork. Een ketting van informatie waaraan jij je niet te missen bijdrage leverde. Maar intussen had een vijandelijke sluipschutter je al ontdekt en kapotgeschoten. De ogen van de artillerie.

Statistisch, wist je, had je –  bij ‘een gewapend conflict’ – ‘een maximale levensduur’ van drie minuten en negentien seconden. In hoeveel films hadden we het gezien, onder de indruk van zulk heldhaftig gedrag, blind voor de vernietiging. Idolatrie van de doodsdrift. Jij stuurde de dood op de vijand af en legde het loodje. De staf – op veilige afstand – kwam collectief klaar. Zo stonden de zaken. Zo waren de verhoudingen. Snor vroeg het de MP’s. Wisten zij wie die jongen was. ‘Een deserteur,’ zei de bijrijder. Iets is wat het is.

Soms zag je een film die afweek van de verplichte heroïek waartoe de Amerikaanse Endsieg de Hollywood-regisseurs dwong. Pas nog een in het Protestants Militair Tehuis waar dominee op zijn manier het onchristelijke heldendom bestreed. Het verhaal speelde zich af in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Met blote handen tegen tanks, vliegtuigen, artillerievuur en het giftige mosterdgas dat tergend langzaam je longen vulde en je ten slotte rochelend, bloed spuwend liet stikken.

Het verhaal had me zeer aangegrepen. Ik was er pijnlijk door getroffen, des te meer toen bleek dat de verantwoordelijke generaal, een Fransman, zijn eigen troepen had laten beschieten om zijn positie ten koste van een rivaal te versterken. De man had uit louter eigenbelang zijn eigen manschappen laten vermoorden. Dat zoiets mogelijk was – het was nota bene wáár gebeurd, zo bleek, uit getuigenverklaringen – was een schok die ik niet meer te boven zou komen. Hoe viel er met zo’n waarheid te leven? Hoe kon je welk gezag dan ook nog vertrouwen? Wat was zo’n hiërarchie van rangen en standen waard? De brand erin.

We reden langs het Centraal Station van Leiden. Ik kende het stadje nauwelijks. Terra incognita. Snor was er als student weleens geweest. Dan brachten ze vanuit Wageningen een bezoek aan het corps op het Rapenburg. Uitgerekend die naam viel toen de bijrijder met een kaart op schoot de chauffeur wees waar hij was. ‘We zitten op het Rapenburg,’ zei hij. Zijn maat knikte en gebaarde naar de Opel voor ons die steeds omzichtiger zijn weg zocht in dit middeleeuwse labyrint. Na het ontzet van Leiden was hier de klok voorgoed stilgezet. Je zag geen levend wezen op straat, zelfs geen studenten, lagen natuurlijk nog op één oor.

Op een pleintje voor een grote, oude kerk stopte de auto van de adjudant. We zagen hem uitstappen en op ons afkomen. Onze chauffeur draaide het portierraam alvast open. ‘Om de hoek parkeren,’ zei de stip. ‘Daar beraad.’ Ik keek naar Snor en zag dat hij zijn hand op het pistool had gelegd. Hij was op het ergste voorbereid. Ik deed hetzelfde. Om de hoek troffen we de vier marechaussees. Ze staarden naar een huis wat verderop in de straat. Dat was het. Ons doel.

De twee marechaussees uit onze auto zouden via een brandgang achterom het pand benaderen, de stip en zijn chauffeur zouden bij de voordeur aanbellen. Tegen ons zei Bos: ‘Jullie houden onopvallend de straat in de gaten totdat wij binnen zijn. Na exact twee minuten komen jullie ook.’ Hij keek ons vorsend aan. Hij  vertrouwde die artilleristen nog steeds niet. Toen zei hij, weer met die nauw bedwongen stemverheffing: ‘Actie.’

Meteen snelden de vier marechaussees weg. Hun manier van doen, hun uitdossing, de stip met zijn lange jas en slappe hoed en de leegte van de stille straat met zijn kinderkopjes riepen onweerstaanbaar het beeld op van een razzia in de oorlog. Ik zag in de ‘actie’ van deze mannen vier ‘stillen’, Nederlanders die voor de Sicherheitsdienst meedogenloos op joden en onderduikers hadden gejaagd. Ik had er een lief ding voor over gehad zulke associaties niet te hoeven hebben, maar ik hád ze, zo wás het gegaan. Nu deed ik mee.

Vanuit ons portiek zagen we de stip aanbellen. Nog zeep nodig, mevrouw? Aan de deur wordt niet gekocht. Niets, geen enkele reactie. De stip belde weer. Dit keer ging de deur open, juist zo ver dat we een meisje konden zien. De vriendin van de deserteur? Ze leek niet op een studente. Piekhaar, mager, sjofel truitje, een beetje een morsig typje. De adjudant praatte op haar in. Toen gebaarde hij naar ons. ‘Ze zegt dat hij er niet is,’ zei hij. ‘Doorzoek het huis en het plaatsje achter.’

In de krappe vestibule had het meisje zich kleingemaakt tussen de jassen aan een kapstok. Ongemakkelijk schoof ik langs haar heen. Ik zag de grote, donkere ogen waarmee ze me onverschrokken opnam. Wist ze wat er ging gebeuren? Boven ons hoorde ik een van de marechaussees lopen. ‘Waar is hij?’ vroeg de adjudant aan het meisje en hij trok haar mee het keukentje in dat – inderdaad – volstond met vaat. Op een walmend peterolie-stel dampte een gebutste koffiepot. ‘Ik weet niet waar u het over hebt,’ zei het meisje met een opvallend nette, bijna bekakte stem, maar voordat de stip haar aan de tand had kunnen voelen, stoof de man die boven had rondgekeken langs ons heen. ‘Hij zit in dat hok,’ riep hij en wees naar het plaatsje.

Zijn collega’s gingen hem achterna en stelden zich gedrieën in slagorde op voor het fietsenhok of kolenschuurtje waar de jongen zich verborgen hield. Een van de marechaussees probeerde de deur te openen. Het meisje glipte achter Snor en mij langs de voordeur uit. De adjudant duwde zijn mannen opzij en bonsde op de deur. Er gebeurde niets. ‘Openmaken,’ riep hij, ditmaal zonder zich in te houden. Maar er gebeurde weer niets. Een van de marechaussees haalde een koevoet te voorschijn en forceerde de deur. In het halfduister zagen we een jongen op een stapel paardendekens, vodden of afgedankte kleren liggen. Was dat onze deserteur? De jongen rilde als een aangeschoten dier. Ik schrok ervan. Hij was bang. Het verbaasde me. Telkens wanneer een van de marechaussees een stap naar hem toe deed, schoof hij op zijn kont achteruit, net zo lang totdat hij tegen de achtermuur aan gedrukt zat.

Ik kon het niet meer houden. Ik liep erheen. Ik wilde iets ter ontspanning zeggen, lotgenoten per slot van rekening, maar mijn keel was zo droog dat ik geen woord kon uitbrengen. Ken je die van die commando’s…? Waarom zo’n spanning? Waarom moest het zo? Wat was er nu helemaal aan de hand? Hoe erg was het godverdomme dat zo’n jongen tien dagen bij zijn vriendinnetje had doorgebracht?

Het tafereel had iets onwerkelijks, bijna iets potsierlijks. Snor en ik, allebei met een browning in de hand, die stip in zijn confectiepak, die bomen van kerels, ook al met revolvers in hun poten – en zelfs een koevoet – en daartegenover dat doodsbange kereltje. Maar ik kon lullen wat ik wilde, de angst van die jongen was echt en mijn spanning ook. Het benam me zowat de adem. Snor had met zijn bekende kreet ‘het lijkt wel oorlog’ alle spoken kunnen verdrijven, maar hij zweeg. Iedereen zweeg. Nu kon er alleen nog maar geschoten worden. Voelde de jongen het? Wat had hij misdaan? De stip moest ervan op de hoogte zijn. We wachtten… we wachtten op…  ja, op wat…? In het schuurtje vol oude meuk hoorde je de zware ademhaling van al die rokers, maar de ademhaling van die jongen, een kind nog haast, op zijn voddige legerstee, hoorde je niet. Ademde hij niet? Hij hield zich in. Gaf niets, onbenaderbaar, onaanraakbaar als een soefi in zijn witte kleed uit één stuk.

De beklemming was onverdraaglijk. Veel langer moest dit niet duren. Eindelijk sprak de adjudant dan de verlossende woorden: ‘In de boeien.’ Twee marechaussees pakten de jongen vast en legden hem de handboeien aan. Ze zeulden hem overeind en namen hem in de houdgreep. Zo sjouwden ze hem naar buiten en daar, in het volle daglicht, zag ik dat de jongen een Molukker was. Ook dat nog. Een Ambonees. Vader als voormalig KNIL-soldaat door de Nederlandse staat verraden. Merdeka, merdeka. Uitgebuit door de Nederlanders. Om de kruidnagel nota bene. De kruidnagel! Amsterdamse kooplui waren in de zeventiende eeuw schatrijk geworden door de kruidnagel en andere onbetaalbare specerijen waar de hogere standen naar snakten in hun ledigheid.

Ik zag nu ook, ondanks het onflatteuze licht van de grauwe ochtend, hoe mooi de jongen was, mooier dan zijn vriendin die de benen had genomen. Blauwzwarte lokken omrankten zijn smalle gezicht, een koninklijke hoofdtooi die hem het aanzien gaven van een prins van den bloede aan het hof van Willem I – onze eerste koning na het vertrek van de Fransen, wier gevreesde gens d’armes hij door het korps marechaussee verving.

We stommelden het huisje door en kwamen er aan de andere kant weer uit. Op de stoep hield de stip ons staande. Hij had zijn hoed afgezet en veegde met een boerenzakdoek zijn kale schedel droog. ‘Die vent,’ zei hij tegen ons, ‘gaat tussen jullie in op de achterbank.’ We liepen naar de auto. De marechaussees ontdeden de jongen van zijn boeien, schoven hem achterin de Opel en duwden vervolgens Snor en mij naar binnen. Daarna klonken ze hem aan ons vast. Ze leken plotseling haast te hebben. Was er alarm geslagen? Bereidden Molukse guerrilla’s een bevrijdingsactie voor? De messentrekkers kwamen op snelle blote voeten aansluipen, op de daken stelden snipers hun vizier in.

We scheurden weg. Het leek niet te kunnen in de nauwe stegen, maar het gebeurde. Onze chauffeur trapte het gas met kracht op de plank. De banden jankten. Alsof de duivel ons op de hielen zat. Ik werd met geweld in de zitting gedrukt. In de eerste scherpgenomen bocht al zakte de jongen als een zak zand tegen mij aan. Ik huiverde. Ik voelde mijn pistool. De handboei knelde. Zweet, zag ik, parelde de jongen op het voorhoofd. Zijn haar glansde als geolied in het diffuse licht. Ik keek naar Snor. Ik zou er een lief ding voor over gehad hebben als iemand, desnoods een van die klootzakken voorin, iets had gezegd. Iets. Voor mijn part: ‘We hebben hem.’ Triomf desnoods, of trots, maar niets, geen woord….

Ik probeerde me tot een grap te forceren – ‘lekker weer om met open dak te rijden’ – maar hield me in. Ik kreeg nauwelijks nog lucht. Het liefst had ik mijn pistool te voorschijn gehaald en het de jongen getoond, patronen eruit, hier, weg ermee, mijn manier om te zeggen: Hou maar op met die flauwekul, deze grap heeft nu wel lang genoeg geduurd, we spelen geen winkeltje, doe maar weer gewoon, jongens. Maar ik kon niet bij mijn pistool, hoe ik worstelde. De jongen moest het voelen, maar hij gaf geen teken. Hij moest merken dat ik naar hem keek, maar hij liet niets blijken. Trots. Ik zag zijn matte, bruine huid, zijn mooie volle lippen met een vleugje vlas erboven, dat misschien ooit de snor van een mán zou worden. Zijn hoofdtooi vroeg om een rode gebatikte bandana. Merdeka, merdeka. Zijn zweet, ik rook het, ik rook zijn zweet. Kruidig, penetrant, on-Nederlands. Ander eten. Het bracht me een verhaal van Snor te binnen. Hij had me verteld over een Nederlandse psycholoog, een specialist in geur- en smaakstoffen. Die vent had meegewerkt aan een Amerikaans militair programma om bommen te ‘ontwikkelen’ die ‘vijandelijke geuren’ roken, ‘snuffelbommen’ werden ze genoemd. Afrikanen, Chinezen, Vietnamezen, Japanners, Indonesiërs en ja, natuurlijk ook die Molukkers, wisten zulke geleerden, roken zo heel anders dan die Amerikaanse hamburgervreters. Hun snuffelbommen wisten er wel raad mee.

Ik kende geen Molukkers, niet een. Op de middelbare school had ik een klasgenoot gehad, Ger, maar die kwam uit Solo, van Java. Ik had de tragedie van de Molukkers pas in dienst leren kennen. Ze waren als verraders uit ‘ons Indië’ verdreven en door hun Nederlandse bazen in het concentratiekamp van de moffen, in Westerbork, opgesloten. Kapitein Griffioen, een Indo, mocht er graag over vertellen. Griffioen moest mij – Snor niet, die was landmeter – het waarnemen leren. De lessen vonden plaats onder de hanenbalken van een oud garnizoensgebouw in Breda. Een sergeant van de intendance had daar van papier-maché een immens Veluws landschap geknutseld dat op tafelhoogte was uitgestald. De man had zijn indrukwekkende, maar enigszins stoffige natuur rijkelijk bestrooid met huizen, opstallen, tanks en tinnen soldaatjes die hij vermoedelijk op kosten van de staat in een speelgoedwinkel had aangeschaft of van zijn zoontje gejat.

Als we met de kapitein Griffioen in de landerige namiddag hier het waarnemen oefenden, zat de schepper van het luisterrijke toneel ónder de tafel om telkens wanneer wij de plaats doorgaven waarop gevuurd moest worden, met de krijtspuit van zijn vrouw de granaatinslagen na te bootsen. Steeds een pufje. Net zo lang tot we ingeschoten waren en ‘uitwerkingsvuur’ riepen en de sergeant aan het puffen bleef. Tevreden leunden we daarna achterover en offreerden elkaar een sigaret. Uitgepuft, net als de sergeant.

De werkelijkheid, wist ik als ouwehapper, was zo volkomen anders. Dan zát je niet gezellig op een zolder waar je oma haar wintervoorraad appeltjes te drogen had gelegd, maar met de kapitein Griffioen en een of twee collega’s in of voor een bunker op de hei bij Oldebroek en bestelde daar via de veldtelefoon je portie dodelijke granaten bij de kanonnen. Als dan het ‘uitwerkingsvuur’ klonk en de zware granaten rakelings over je kop vlogen – een minieme rekenfout en je was er geweest – viel er weinig te lachen. Het was een sensatie, zeker, een huiveringwekkende sensatie zelfs, esthetisch verantwoord, beslist, maar tegelijk een kil berekende, doeltreffende, onthutsende en onvoorstelbaar wrede vernietiging, een angstaanjagend voorschot op het geweld waarvan de leidinggevende mensheid in het Westen uit pure doodsangst en onbenul nooit afscheid zou nemen.

Ook hier staken we na afloop ontspannen een saffie op, tevreden dat het werk zonder ongelukken was verlopen. Dan kwamen de verhalen. Griffioen was er een meester in, meer nog dan Den Daas. De man wist je de oorlog zo magistraal – full colour en widescreen – voor ogen te toveren dat je geen scène meer vergat. Uit het leven gegrepen en eraan teruggegeven. Hij had als beroepsofficier van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger de politionele acties in zijn geboorteland meegemaakt. Zijn Indonesische landgenoten en zijn Nederlandse landgenoten had hij toen niet begrepen, maar die vreemde Molukkers des te beter. Hij wist waarvoor ze streden en hoe. Het waren, liet hij niet na met vele voorbeelden te illustreren, uitmuntende soldaten, door en door trouw en – Griffioens hoogste lof – nooit bang.

Nooit bang.
De woorden van Griffioen schoten me weer te binnen terwijl ik naast me die jongen voelde. Wie was er nou nooit bang? Ik had het graag van mezelf gezegd maar dan zou ik liegen. Ik was altijd bang. Vanaf het moment dat ik oud genoeg was om te beseffen dat mijn vader er niet was en zeker wist dat hij ook niet meer zou terugkomen – opgepakt en doodgemaakt door de moffen – vergezelde mij de angst waar ik ook ging, behalve op de schaarse momenten dat de lust en vooral de wellust erin slaagden me op te tillen naar normaal gesproken onbereikbare hoogten, ver weg. De totale metamorfose.

De dag waarop een Duitse soldaat – in uniform, mét pistoolmitrailleur en helm – mij op straat toeschreeuwde – ik was nog geen vijf, het was het laatste jaar van de oorlog, de moffen werden almaar zenuwachtiger – zou ik nooit meer vergeten, geen dag. Toen en daar, vlak bij het huis waar ik mijn moeder wist, was ik de schijtlaars en angsthaas geworden die ik was, die stoer deed, maar nooit was wat hij voor zichzelf moest zijn: moedig, verstandig, evenwichtig, kalm. Ik werd een zwijger, Rinus de Zwijger, ik zweeg, en zo, zwijgend, kon ik mezelf in de waan brengen dat ik degene was die ik vond dat ik moest zijn. Men trapte erin, dacht ik, en dat hielp, maar van binnen woelde na elke schrik dagen achtereen een hypochonder die in stilte jankte als een hond, geen pitbull, maar een schoothondje. Ik werd een slappeling, een huilebalk, en ten slotte – in een uiterste poging de beklemming die door  mijn angst te weeg werd gebracht van me af te werpen – een onverdraaglijke ouwehoer, want angst doet je veel, te veel zien  en dat kun je maar het beste van je af lullen.

Ook nu rilde ik vanbinnen. Ik had er graag met Snor over gepraat want Snor was niet bang, nooit. Als bangerik herkende ik als geen ander de moedigen. Zijn vader, een huisarts in Alkmaar, had in de oorlog verzetswerk gedaan. Hij had zijn zoon niet veel, maar wel genoeg verteld om te kunnen weten wat het was, moed, toen, onder die omstandigheden. Mijn vader was in zijn eigen luchtballon van opgeblazen heroïek hoog, te hoog voor mij opgestegen en al vroeg achter de horizon verdwenen. Snor had nooit hoeven overwegen dienst te weigeren. Ben je gek…  Wie beschermde dan de zwakken, Rinus? Je deed je plicht. Snor wás zijn  plicht…  Liet nooit iemand in de steek. Twijfelde ook nooit. Hij dacht na, ja, soms urenlang, mijn god, ik kon daar heel zenuwachtig van worden, bijna zichtbaar zat hij dan tegenover je te wikken en te wegen, zijn hersenen kraakten, maar ten slotte nam hij dan ook een beslissing die stond als een huis. Definitief. Voor altijd. Zo had hij ook zijn Joke gekozen. En een leven als boer.