Waakhond

 

 

 

 

 

Verbeter Je Taal Nog Meer – 6

Ik hoorde al vroeg dat je als journalist een waakhond was. Ik wist wat een waakhond was. We hadden er zelf een. Bobby. Hij blafte bij onraad en beet onverlaten in hun kuiten. Moest ik dat ook doen?

Al doende leerde je dat het nog niet zo eenvoudig was om als journalist een waakhond te zijn. Je zag onraad niet zo maar.  Je wist te weinig. Je wist niet wanneer je moest blaffen. Tegen wie?

Mijn leermeesters in de jaren vijftig van de vorige eeuw, Arie Kuiper en Henk Huurdeman, wezen me erop dat je als journalist in een democratie als een waakhond het gezag in de gaten moest houden en verder zocht je het zelf maar uit. Een opleiding journalistiek bestond nog niet.

Algauw ontdekte ik dat wat – naast het voetballen – altijd mijn liefste tijdverdrijf was geweest, lezen, nu ook uitkomst bood. Wilde ik de burgemeester en zijn wethouders op corruptie en overspel betrappen, dan moest ik niet alleen weten wat politiek was – en overspel – maar ook hoe zij al of niet de rechtsstaat dienden. De rechtsstaat. Ik las niet langer te hooi en te gras, maar voor m’n vák.

Jaren later stel ik vast dat geschreven journalistiek onmogelijk is zonder lezende journalisten. De besten die ik gekend heb, lazen. Ze zijn er nog steeds, gelukkig, maar de meesten laten zich gijzelen door de televisie en haar onverbiddelijk hic et nunc, dat elke verdieping verdacht maakt en het lezen definitief heeft buitengesloten.

Journalisten, zou ik zeggen, gord je aan.

Als er één vorm van journalistiek is die we in dit digitale tijdperk niet kunnen missen, dan is het de geschreven journalistiek.

Het woord.

De taal.

De waakhond is lezer én schrijver.

Of keft alleen nog maar.

LEES VERDER

WKtS
25 MAART 2015
          DE VOLKSKNAR