Totaalvoetbal

 

Bij de dood van Piet Keizer

 

Soms, als ik ’s zondagsochtends wakker word.
hoor ik mijn moeder roepen: ‘Kees
Opstaan! Je moet om tien uur voetballen!
C.BUDDINGH’: ZO’N TWINTIG SECONDEN

 

et sneeuwt. Op de radio hoor ik dat Piet Keizer is overleden. Zijn naam roept persoonlijke herinneringen op. In 1960 – ik was toen 19 jaar oud – zag ik hem voor het eerst spelen. Een oefenwedstrijd van de nationale jeugdselectie tegen AFC Quick in Amersfoort. Ik had nog nooit iemand zó zien voetballen. Ik deed er verslag van in de Utrechtse krant Het Centrum. Korte tijd later ging ik – net als Piet Keizer – in dienst. Ik voetbalde er met halve en hele profs van Rapid JC uit Kerkrade, NOAD Longa uit Tilburg en AGOVV – de Apeldoornse Geheelonthoudersvereniging ‘Steeds Voorwaarts’, zeg maar jongens van ‘de blauwe knoop’. Uitgerekend een speler van deze club – de chauffeur van een tientonner – maakte mij als amateur duidelijk hoe het er onder profs aan toe ging. Nog voor het eerste fluitsignaal had geklonken, voegde hij me toe dat hij mijn beide poten zou breken als ik probeerde hem te passeren. Voetbal was oorlog.

Piet Keizer debuteerde op zijn zeventiende in het eerste elftal van Ajax. Op 25 maart 1964 raakte hij zwaargewond in een wedstrijd tegen DWS. Hij leek een hersenschudding te hebben, maar na een paar dagen werd vastgesteld dat er sprake was van een schedelbasisfractuur die een dodelijke bloedprop tussen de schedel en het hersenvlies ten gevolge had. Voor zijn leven werd gevreesd. Maar Piet herstelde. Hij werd een van de beste buitenspelers ter wereld.

Ik ging uit dienst terug naar de krant – nog in het bezit van beide ‘poten’ – en begon aan een lange beklimming van de Internationale Literaire Olympus in Amsterdam. Piet kreeg het moeilijk bij Ajax toen Rinus Michels er trainer werd. Michels kon z’n twee grootste talenten, Piet Keizer en Johan Cruijff, niet aan. Ze hadden een heel andere kijk op voetbal dan hij. De twee ontwikkelden spelenderwijs een volkomen nieuwe manier van aanvallen, die Nederland in 1974 in de finale van het Wereldkampioenschap bracht. Nederland verloor, door jammerlijke fouten van de man die De Generaal werd genoemd. Hij stelde Piet Keizer niet op. Vond hij Piet te oud? Was Piet hem te grillig? Ik ben ervan overtuigd dat Nederland mét Piet van Duitsland gewonnen zou hebben. Zijn naam alleen al! De wereld zou er anders hebben uitgezien.

Law and order

Piet was méér dan een linksbuiten, méér dan een voetballer. Piet Keizer belichaamde mét Johan Cruijff het spel dat onder de luisterrijke naam ‘totaalvoetbal’ de wereld over ging. De kern ervan was – voor iedereen zichtbaar – de oneindige lol in het spel van die twee. Hun vernuft. Hun techniek. Jammer voor Piet Keizer was het dat hij te maken kreeg met een coach die daar aanvankelijk niets van snapte. Voor Rinus Michels – net als voor Louis van Gaal – was voetbal discipline, onderwerping, law and order. Voor Piet was voetbal kunst, een vorm van improviseren met inachtneming van de regels – zoals in de jazz – die telkens weer volledige overgave eiste. Daardoor – en door zijn relativering van alle gedoe om het voetbal heen – was hij minder weerbaar dan Cruijff die op den duur Michels aan zijn zegekar bond.

Ik leerde Piet Keizer in de jaren negentig van de vorige eeuw persoonlijk kennen toen ik een tijdlang in de sportschool aan mijn gezondheid moest werken. We ontmoetten elkaar op de hometrainer in het oude Frans Otten-stadion – onder leiding van de fantastische fysiotherapeut Jan Stappenbelt. Piet bleek een hoffelijk en humoristisch man. Wat me vooral opviel was zijn ongelooflijke, bijna kinderlijke nieuwsgierigheid – altijd een teken van talent en intelligentie. Tot mijn stomme verbazing bleek hij meer in mij geïnteresseerd te zijn dan je van een wereldberoemde Nederlander zou verwachten. Dat ik over boeken schreef. Mooi, maar welke? Van wie? Waarom? Hoe? Hij wilde het naadje van de kous weten. En ik vertelde. Ik kon hem moeilijk als een Rinus Michels met een snauw en een grauw terechtwijzen: ‘Fietsen, Piet! Fietsen!’ Voor mij vervloog daar in die aftandse sporthal, op die rotfiets, naast Piet Keizer elke nare associatie van voetbal met oorlog. Er ontstond een aanstekelijke, literaire, muzische samenhang die veel beter bij het spel paste dan de sfeer van de dienstplicht en de kazerne.

Piet begon steeds meer op de door mij zo bewonderde schrijver W.F. Hermans te lijken.

De laatste rokers. 

11 FEBRUARI 2017
WKtS