Smaak (8)

MAAK IS VERDACHT,’ zei Kees. ‘En dat zeg ik niet zomaar.’

Zou het er dan eindelijk van komen, vroeg Gemma zich af. Al weken wilden ze het erover hebben, maar tot nu toe was het nauwelijks over smaak gegaan. Gemma spitste daarom haar oren, benieuwd als ze was naar wat Kees te zeggen had.

‘Ja,’ herhaalde Kees, omdat niemand reageerde. ‘Smaak is verdacht in deze tijd. Ik leg het uit…’

‘Nee,’ kreunde Gemma, ‘nee, Kees, alsjeblieft. . . Een gesprek is geen college. We zijn geen kinderen die ademloos naar de schoolmeester luisteren. Jij zou dat moeten weten, als man van smaak.’

‘Nou ja,’ bond Kees in, ‘zo bedoel ik het niet, hoor, neem me niet kwalijk. Ik wil alleen maar zeggen dat ik veel over smaak heb nagedacht, of eigenlijk: hoe ik in de loop van mijn leven mijn eigen smaak ben geworden. Ik vind smaak dus nogal belangrijk, en ik kan er dan ook niet tegen als mensen in mijn omgeving er blijk van geven helemaal geen smaak te hebben.’

Ook Hein spitste nu zijn oren. Hij haatte schoolmeesters. Voor hem was de soort – lieverds als Theo Thijssen niet te na gesproken – rechtstreeks verbonden met de onderdrukking die hij vooral in zijn jeugd als lid van de homoseksuele herenliefde had ervaren. In zijn ogen stond de schoolmeester (dwang, domme niet ter discussie staande regels, machtswellust) haaks op de kunstenaar, wiens bijdrage aan deze verschrikkelijke wereld het nu juist was al die regels, al dat nut af te zwakken. ‘Karel van het Reve,’ dacht hij vilein, ‘tegenover Gerard Reve.’

‘Smaak,’ hoorde hij Kees zeggen, ‘begint met iets ongrijpbaars, iets wat je zou willen hebben, maar niet hebt. Je weet niet wat het is als je jong bent. Je luistert naar muziek, in mijn tijd vooral de jazz die met veel Mexicaanse Hond via The American Forces Network op de radio doorkwam, en misschien ook om die reden een heel strijdbare indruk maakte – vergeet niet dat voor ons de Amerikanen de overwinnaars waren – maar voor mij was de jazz toch niet het einde.

‘Ik bleef zoeken naar mijn muziek, en dat was zeker niet het belcanto van mijn ouders. Bij toeval hoorde ik een keer Chopin, omdat een vrijer van een van mijn zussen na een feest zo’n draagbaar pick-upje had achtergelaten, met plaatjes erbij, Sidney Bechet, Bix Beiderbecke, prachtig allemaal, maar ook nocturnes van Chopin. Ik wist niet wat me overkwam.

‘Dat is dus muziek, dacht ik. Sindsdien verzamel ik muziek. Sindsdien heb ik ook moeite met leeftijdgenoten die alleen maar naar jazz of pop luisteren. Alsof er geen Allegri, Bach of Charpentier is geweest. Ik neem in de kunst geen genoegen met genres, afbakeningen. Ook in de literatuur niet. Ook in de beeldende kunst niet. Voor mij, ik zeg er nadrukkelijk bij als kind van zeer eenvoudige komaf, bestaat er ook geen hogere en lagere cultuur. Dat vind ik zo’n onzinnig taalgebruik…

‘Let maar op, het wordt meestal gebezigd door mensen die gezien hun maatschappelijke positie de “hogere cultuur” zouden moeten zijn toegedaan…, zeg ik dat goed…, zouden moeten zijn toegedaan…, maar eenvoudig alle gevoel ervoor missen. Of het zijn van die gemelijke fellow travellers uit de jaren zeventig, die alleen maar afgaven op de “hogere cultuur” om hun ouders te pesten. Nu staan ze als één man achter Bush. Ze zijn in zoverre slachtoffer van hun milieu dat ze misschien wel iets van politiek of economie, maar nooit iets van cultuur hebben begrepen.’

Hij zweeg. De anderen waren stomverbaasd. Zo hadden ze Kees nog nooit meegemaakt. Wat was er in hem gevaren?

‘Smaak,’ zei Kees, alsof hij hun onuitgesproken vraag had gehoord, ‘is tegenwoordig verdacht. Men denkt dat je smaak imago is, en dat is een postmoderne, of barokke gedachte, die ervan uitgaat dat iedereen een rol speelt, een rol die je ook naar willekeur kunt veranderen. Imago en corruptie zijn twee kanten van dezelfde medalje. Maar smaak speel je niet,’ hij aarzelde even en zei toen, ‘je smaak ben je.’

Lees verder
Oorspronkelijk gepubliceerd in de Volkskrant van 12 oktober 2001