Rede En Waanzin Aan Het Deense Hof

Voor zijn luid aangeprezen film A royal affair – Een affaire aan het hof – liet de Deense regisseur Nikolaj Arcel  zich inspireren door een boek van de Deense schrijfster Bodil Steensen-Leth.  Maar het verhaal over de waanzinnige koning Christiaan VII, diens vrouw en haar liefde voor de Duitse arts Johann Friedrich Struensee was in 1999 al door de Zweed Per Olov Enquist verteld. Zijn boek, Het bezoek van de lijfarts, verscheen in 2000 bij uitgeverij Ambo. Willem Kuipers besprak het in de Volkskrant.


oe goed kan een roman zijn? Je kunt daar over piekeren tot je een ons weegt, maar de vraag dient zich pas echt aan, als je een boek hebt gelezen waarvan je met zekerheid weet dat het briljant is, maar niet goed kunt aangeven waar ‘m dat in zit. Het bezoek van de lijfarts van de Zweedse schrijver Per Olov Enquist is zo’n boek.

Waar Het bezoek van de lijfarts over gaat, is gauw verteld. Het gaat over de twee jaar waarin een Duitse arts, Johann Friedrich Struensee, de dienst uitmaakte aan het Deense hof. Dat was van 1770 tot 1772.

Struensee werd door een paar hofdignitarissen als de lijfarts van de kleine, tengere (en nog onvolwassen) koning van Denemarken binnengehaald, en twee jaar later, op 28 april 1772, in het openbaar terechtgesteld (anders gezegd: in het openbaar op gruwelijke wijze vermoord).

In die twee jaar gebeuren er dingen die kennelijk maar door één pen te beschrijven waren, die van Per Olov Enquist (foto), want wie in de geschiedenisboeken duikt, vindt als historische waarheid de feiten terug waarvan Enquist gebruikmaakt, maar mist de honderden, levendige details, die maar uit één bron kunnen zijn opgeweld: de verbeeldingskracht van de schrijver.

Wat er geschiedt, is het volgende: nadat de oude koning van Denemarken is overleden, wordt de verantwoordelijkheid voor het rijk op de schouders gelegd van Christiaan, Christiaan VII. De jongen – het is nog een kind, of eigenlijk een puber, want de grootste zonde die hij voor zijn eigen gevoel in die jaren pleegt, is het bedrijven van de onanie (zo heet het in de roman) – is op geen enkele manier op zijn taak berekend. Sterker: men schijnt er alles aan te doen om de jongen te misvormen, uit te hollen, gek te maken.

De praktijk van zijn handelen lijkt erop op te wijzen dat men daar aardig in slaagt. De jongen gedraagt zich als iemand die niet helemaal goed bij zinnen is, en omdat hij de wereld beleeft als een toneelstuk, maar ook zelf graag toneel speelt, dringt zich als vanzelf de naam van Hamlet op, de waanzinnige prins uit Shakespeares gelijknamige stuk. Enquist heeft dat gegeven bewust gebruikt, zoals blijkt wanneer hij – later in het verhaal – Struensee laat verhinderen dat de koning in Engeland een uitvoering van Hamlet te zien krijgt.

SPEELBAL

Aan de ‘opvoeding’ van de jonge koning ligt, volgens de verteller, het voornemen ten grondslag hem uit te schakelen, zodat anderen – machtsbelusten aan het hof – hun gang kunnen gaan, terwijl ze in alle opzichten door de koning worden gedekt.

Ook verder is de jonge koning een speelbal van het hof. Er is een huwelijk voor hem gearrangeerd, met het kind Caroline Mathilde, de jongste zuster van de koning van Engeland. Er wordt, als de zwangerschap van de koningin te lang op zich laat wachten, een methode bedacht om ’s konings viriliteit aan te wakkeren. Daartoe wordt een hoer uit Kopenhagen in de arm genomen, die wonder boven wonder niet de oude fiets blijkt te zijn waarop de koning het moet leren, maar een warmbloedige vrouw, die haar proefkonijn voor het eerst in zijn leven een idee geeft van wat liefde zou kunnen zijn.

Voor de koning, met zijn vervormde denkbeelden over de werkelijkheid – in zijn hoofd staat de wereld letterlijk op z’n kop -, groeit deze vrouw uit tot een bijzonder, hoger wezen: zij wordt niet minder dan de Heerseres van het Universum. Maar ze wordt hem afgenomen. Door haar kracht en goedheid – hier is Enquist wel een tikkeltje romantisch-sentimenteel – belet zij de machtige dienaren van de publieke zaak hun plannen te volvoeren.

Omdat het daarna met de koning weer bergafwaarts gaat, opperen dezelfde machtige dienaren van de publieke zaak hem van een lijfarts te voorzien. In aanmerking komt een gepromoveerde arts uit Altona, Johann Friedrich Struensee, die de naam heeft een nuchter en betrouwbaar man te zijn. Dat hij ook een ‘man van de Verlichting’ is – we schrijven de tweede helft van de achttiende eeuw – spreekt enigszins in zijn nadeel, maar na kennismaking besluit men daar niet al te zwaar aan te tillen.

De verlichtingsideeën, zo maakt Enquist bladzijde na bladzijde duidelijk, werden door de machthebbers aan dit gesloten Deense hof zeer gevreesd. Ze dreigden de wereld, zoals deze door hen absoluut werd beheerst, ingrijpend te veranderen.

Een deel van de waarde van dit boek schuilt in het beeld dat erin wordt gegeven van de ontvangst die de denkbeelden van Diderot, Voltaire, Rousseau en andere Franse denkers rond de Grote Encyclopedie in Europese intellectuele kringen te beurt viel.

Grappig is dat Voltaire in de Deense (als half waanzinnig beschouwde) koning degene ziet die het licht van de rede in die noordelijke contreien zal uitdragen – en het pleit voor het vakmanschap (en de humor) van Enquist dat hij in deze tournure zoveel system aanbrengt dat je de madness ervan voor zoete koek slikt.

VERLICHTING

Halverwege het boek begint Johann Friedrich Struensee, de lijfarts die op bezoek kwam – visite zouden wij zeggen, zoals een huisarts ook heden ten dage nog wel visite rijdt -, steeds meer het belangrijkste personage te worden. Logisch, want door het vertrouwen dat hij geniet van de koning, en door zijn invloed op hem, krijgt hij steeds meer macht. Het komt hem goed uit, want weliswaar voelt Struensee zich in de eerste plaats arts, en alleen maar arts, hij is ook aangeraakt door de ideeën van de Verlichting en ziet nu zijn kans schoon om – volgens het woord van Voltaire – de kier die soms onverwacht in de geschiedenis ontstaat, te gebruiken.

Soepel en elegant slaagt hij erin die kier zodanig te verwijden dat niet alleen de revolutionaire Franse ideeën de Deense samenleving binnenstromen, maar ook een oeverloze stroom van besluiten en maatregelen, die zo’n beetje heel het leven ter plaatse ingrijpend veranderen: van vrijheid voor de horige boeren tot vrijheid van drukpers. Een doorn in het oog van de conservatieven, die dan ook – achter de rug van de koning en zijn lijfarts om – aan hun verweer beginnen.

Een bijkomende moeilijkheid voor de volslagen apolitieke Struensee is dat hij inmiddels zo in de ban is geraakt van de kleine ‘Engelse hoer’, zoals de koningin aan het verdorven hof wordt genoemd, dat hij niet altijd meer aan voldoende nachtrust toekomt.

Met de eerste erotische contacten tussen Struensee en de koningin dient zich een tweede krachtige hoofdpersoon in het verhaal aan, en dat is de kleine Caroline Mathilde die, kuis opgevoed als ze is, zelf geleidelijk aan haar seksuele potentie ontdekt, die in haar geval niet alleen voor een prikkeling (en zelfs overprikkeling) van het hof leidt, maar tegelijkertijd de doodsgedachte – die dit hele boek doortrekt – op een verrassende manier concretiseert: wie z’n begerige vingers naar het hoogste vrouwelijke wezen in het rijk uitstrekt, is een kind des doods. De voorspellende waarde van dit denkbeeld blijkt op het moment dat Struensee aan het eind van het boek ten val wordt gebracht.

Over het verhaal, en z’n talloze details, is veel meer te vertellen, maar dat is tegelijkertijd, zoals in elk goed boek, onbegonnen werk, omdat er geen eind aan komt, elk woord, elk idee, alles wat Enquist aanraakt, opent de deur naar nieuwe aspecten van die tijd, dat hof, die mensen en niet te vergeten: de condition humaine in het algemeen (of de ‘actualiteit’, want wie het boek zit te lezen ontkomt er niet aan van tijd tot tijd ook eens aan die arme koningskinderen in onze tijd te denken).

Met de monarchie, en alles wat daarmee is verbonden, heeft Enquist niet alleen een irrationele tegenhanger opgevoerd van de zo rationeel gedachte Verlichting, hij heeft er ook gebruik van gemaakt om nog andere, veel ingrijpender en veelal psychologisch te duiden tegenstellingen schitterend en elegant te verbeelden, zoals die tussen een ‘gesloten wereld’ (en het gevaar van waanzin en perversie, dat daarmee is verbonden), en een ‘open wereld’ (waarin democratie niet vanzelfsprekend is, maar evengoed een slangenkuil van belangentegenstellingen kan ontstaan).

MOOI VERHAAL

Zo is er veel te zeggen over Het bezoek van de lijfarts, maar het belangrijkste is toch wel dat het zo’n mooi verhaal is, zo mooi en overtuigend verteld, alsof er een ingetogen, precieze kroniekschrijver (of journalist avant-la-lettre) aan het woord is, die niet de emoties laat gisten en woelen, maar quasi streeft naar een zo feitelijk mogelijk relaas. Zelfs het paren van Struensee en de koningin wordt zo klinisch beschreven dat er van gevoelens nauwelijks sprake lijkt. Maar laten we ons niet vergissen, de erotische spanning is om te snijden.

Het bezoek van de lijfarts
is een door en door emotioneel boek. De emoties lopen zo hoog op, getuige de heftigheid van sommige gebeurtenissen, dat het verhaal je geen seconde onberoerd laat, maar je wordt zelden meteen getroffen; meestal achteraf, alsof je eerst je ogen (en oren) niet gelooft.

In z’n sierlijke, evenwichtige bouw (en verteltrant) is dit boek vooral ook een barok boek, en dat maakt het pas echt meesterlijk. Zoals in de barok de werkelijkheid wordt gezien als een toneelstuk, waarin de mensen hun rol spelen onder toezicht van het Opperwezen, is in Het bezoek van de lijfarts alles theater – met dit verschil dat er geen Opperwezen meer is. Met die in wezen tragische visie haalt Enquist de historische gebeurtenissen waarover hij vertelt, naar onze verweesde tijd en schiep hij een voorbeeldige historische roman. Jammer alleen dat de Nederlandse uitgever de tekst niet wat beter heeft laten corrigeren. Zulke slordigheid is een affront voor een schrijver die terecht een kandidaat voor de Nobelprijs wordt genoemd.

 

WKtS
13JULI 2001