De Opstand Der Maximalen

Wat waren ze jong, de opstandige dichters die het werk van hun voorgangers zo zat waren. De Maximalen noemden ze zich. Op een zoele zomeravond in 1988 gaven de rebellen bescheid in een kraakpand aan de Rozengracht.

STARIK, DALSTAR, LAVA, BOSKMA, ZWAGERMAN. HUIGEN  FOTO HARRY MEIJER

 

neens  gonsde het van de geruchten binnen de Grachtengordel. Opnieuw, voor het eerst sinds de beweging van Vijftig – Lucebert, Campert, Kouwenaar, Elburg en Schierbeek – zou de ingedommelde vaderlandse poëzie een watjekou te incasseren krijgen.

Een watjekou?

Een klauwhamer maakte Joost Zwagerman ervan in de Volkskrant van 6 november 1987.

Met één klap zou de nieuwe poëzie de gevestigde dichtkunst – die louter vrijetijdsbesteding van een stel bezadigde academici was geworden – vermorzelen..

Ruim een half jaar later weten we iets beter hoe we dit nieuwe, lyrische elan in de poëtische realiteit moeten plaatsen.

De Maximalen hebben zich officieel gepresenteerd, in de Roxy, Amsterdams meest ‘inne’ uitgaanscentrum, en door een bloemlezing van hun salesmanager Arthur Lava (‘Er worden in Nederland de meest onmogelijke producten verkocht, door miljoenen mensen gebruikt, gegeten, besnuffeld, waarom dan geen poëzie?’) krijgen we iets meer zicht op de ‘maximale poëzie’.

GEFIGUURDE STILLEVENS

Tijd voor een ontmoeting. De Rozengracht ademt de stille verlatenheid van een zoele zomeravond. Gefluit als van een orgelpijp dringt door een wijd geopend raam het pand binnen waar we ons hebben verzameld, een kraakpand, rijp voor de sloop. Hier kunnen zich alleen daklozen ophouden. Of kunstenaars. Om mij heen drie Maximalen: Pieter Boskma, Arthur Lava (pseudoniem van Howard Krol) en Frank Starik.

In de loop van de avond zal het gezelschap nog worden uitgebreid met al of niet gezonnebrilde en in slechts aan krakers of erkende straatschuimers voorbehouden outfit gehulde geestverwanten als Joost Zwagerman, Koos Dalstra (Dalstar) en René Huigen (‘Hé René, heb je een staartje?’).

Een cercle van intimi, van wie sommigen elkaar al jaren kennen. Van de podia, van de blaadjes Virus en Essay en het daaruit voortgekomen steeds groeiende en in gewicht toenemende orgaan De Held, met elkaar verbonden door het verlangen de uitgemergelde Nederlandse muze weer draagster te maken van Het Volle Leven.

‘Als er één kunstuiting bestaat die ons tegenwoordig als een geeuwend nijlpaard doet vastkoeken aan de oevers van de verveling,’ schrijft Arthur Lava in het voorwoord van de bundel Maximaal, ‘dan is het wel de poëzie.’

‘Dat komt,’ legt hij uit, ‘doordat veel hedendaagse dichters zich hebben toegelegd op het figuurzagen van fletse stillevens, die geen enkele aantrekkingskracht bezitten. Alles oogt weliswaar verfijnd, onberispelijk en goed doordacht, maar bij nadere beschouwing valt op dat het eigenlijk helemaal nergens over gaat.’

De Maximalen lijken definitief ontstegen aan het circuit van honderden amateur-poëten die door middel van rokerige achteraf-podia en in klein-offset gedrukte blaadjes de dichtkunst van een vaste humus-laag voorzien.

Arthur Lava: ‘Wij zijn inderdaad de exponenten van de eigenbeheergeneratie. Dat schreef Joost Niemöller in het laatste nummer van De Held. Dat zijn geen mensen die net zo lang aan hun gedichten hebben geslepen en geschaafd tot ook die meneer van Tirade het mooi vindt, nee, die doen het gewoon zelf. Het kwam niet in je op het naar De Revisor te sturen.’

Pieter Boskma: ‘Nou, dat is niet helemaal waar. Het is wel gedaan.’

Frank Starik: ‘Ik heb het niet meer gedaan toen ik mezelf als dichter serieus begon te nemen.’

Boskma: ‘Dat heeft ook te maken met de reacties die je krijgt, of liever gezegd, niet krijgt, of niet noemenswaardig. Het is absurd zoals er soms, in mijn geval door De Tweede Ronde gereageerd wordt, bijvoorbeeld over de logica van een tekst of een beeld. Ik noem maar iets: de maan zweet bruin. Of dat wel kon. Of het echt iets was in de objectieve werkelijkheid dat de maan bruin kon zweten. Als je zulke reacties krijgt, voel je je niet serieus genomen. Toen heb ik hen ook absoluut niet meer serieus genomen en ben ik zelf blaadjes gaan maken.’

Ze ontmoetten elkaar op feestjes, in kroegen, bij optredens, bij presentaties van bundeltjes.

Starik: ‘In die tijd was het ook een beetje de rormantiek van het kraakcircuit.’

Lava: ‘Het was gewoon vanzelfsprekend het allemaal zelf te doen.’

Starik: ‘Wat we deelden was een bepaald levensgevoel, een tamelijk failliet levensgevoel. De muziek van Joy Division, van Nick Cave was daar ook belangrijk bij.’

Lava: ‘Dichterlijke muziek.’

VORM EN VENT

Door toedoen van Lava kwamen ze bij De Held, een blad dat inmiddels de keus had gemaakt te willen groeien, weg van het marge-achtige. Lava bracht De Held onder bij uitgeverij In de Knipscheer. ‘Knipscheer is een uitgever die zijn nek durft uit te steken en die voeling heeft met deze eigenbeheergeneratie. Die niet met een geborneerd gezicht zegt: De vorm is nog niet honderd procent. Als een Magister. Laten we even Menno ter Braak in herinnering roepen, die ook zo afgaf op de magisters, op de academici, die zo koek en ei waren met de vorm, zoals hij bijna letterlijk heeft gezegd, dat het magistraal vervelend werd.’Boskma: ‘Wij zeggen daarom altijd: Het is vorm én vent, het gaat ook om inhoud, om persoonlijkheid, om wát je te zeggen hebt.’

Toch kan jullie luidruchtigheid gemakkelijk de associatie oproepen met de performing poets en hun geschetter zonder enige vorm, zoals Joost Zwagerman schreef.

Lava: ‘Ah, dat is belangrijk, want voordat je het weet krijgen wij dat etiket opgedrukt. Vandaar die reclame-achtige slogan: vorm én vent. Ik denk dat wij beide zaken verenigen: taalpoëzie, maar ook het theater, dat we niet schuwen. De zwakte van de performing poets, nee, niet de zwakte, laat ik het anders formuleren: hun is altijd verweten dat zij geen antwoord waren, de strijd niet konden aangaan met de ingetogen, hermetische dichters van de jaren zeventig omdat het zo volslagen anders was, werelden van verschil. Dat ligt in ons geval anders. Wij zijn niet uitsluitend podiumdichters, wij zijn óók taaldichters.’

Boskma: ‘Wij zijn volgens mij eigentijdse klassieken. Al dat afzetten tegen Tom van Deel en al die mensen, dat is in feite niet interessant. Waarom zou ik mij fixeren op een saai zij-stroompje van de mainstream in de poëzie. Ik neem er kennis van, zie dat het tamelijk onbetekenend is, en sla het dan bij voorkeur allemaal integraal over. Wat ik doe, en alle Maximalen, is het oppakken van de lijn van de klassieken.’

Lava: ‘Precies.’

Boskma: ‘De grote namen: Rimbaud, Trakl, Hölderlin, Pound, Rilke, Whitman, Camoes, Van Ostaijen, Lucebert, Marsman, Slauerhoff.’

Starik: ‘Pound niet.’

Boskma: ‘Jawel, Pound ook.’

Lava: ‘En Majakovski hadden we toch ook?’

Een bekende avantgardistische lijn?

Boskma: ‘Niet een bekénde avantgardistische lijn, de belangrijkste lijn, gewoon, overduidelijk. Ik stippel dat toch niet van te voren uit? Je begint poëzie te lezen en dan pik je hen eruit, intuïtief, je voelt het, je hoeft maar één gedicht van Hölderlin te kezen en je weet, ja, dat is het.’

Lava: ‘Begrijp je nu een beetje hoe het zit? Ik begon op een gegeven moment poëzie te lezen in de bibliotheek en dan begin je bij de A: Armando, Andreus, Jan Arends, en je denkt, goh, dat is interessant en dan kom je bij de Z van Zuiderent. Nou dan heb je het wel gezien.’

Door de poezie tot de poezie?

Boskma: ‘Nee, andersom, je begint met schrijven.’

Starik: ‘Ja, je krijgt een almaar woeliger gedachtenwereld die niet uit zinnen blijkt te bestaan, maar uit schimmen en daarover probeer je te schrijven.’

Lava: ‘Bij mij is het anders, veel conceptueler.’

Maar jij lijkt me ook de theoreticus van de beweging.

Lava: ‘Nee, de salesmanager…’

Boskma: ‘…de spokesman van het Huis.’

Lava: ‘…die het product aan de man brengt en die ervoor zorgt dat de dichters, om het op zijn Amsterdams te zeggen, niet meer met de vork in de zak hoeven te lopen. Die negentiende-eeuwse dichters die, zoals Deelder zei, groepsgewijs door de armoede aan de absinth ten onder gingen, dat is niet ons beeld van de toekomst.’

Jullie gaan geld verdienen met de poëzie?

Lava: ‘Ja, maar dat doe ik nog niet helemaal uit de doeken. We houden graag nog even balbezit.’

Boskma: ‘In de toekomst, stel ik me voor, staan we alleen nog pocketuitgaven toe met een minimum-oplage van tienduizend, goedkoop, voor een tientje. Maximale produktie. Niet zoals Van Deel, eens in de twaalf jaar een bundeltje, wat nog zou kunnen als het een absoluut meesterwerk zou zijn, maar dat is het niet. Als je in deze tijd up tempo bent, hard werkt, met zoveel informatie, dan kun je een behoorlijke productie maken.’

Starik: ‘Met zijn drieën, Paul van der Steen, Pieter Boskma en ik, hebben we de afgelopen twee maanden duizend regelen geschreven.’

LIEFDE, SEX, WANHOOP, DOOD EN ANGST

Boskma: ‘Het eerste echt maximale gedicht. Het is waanzinnig. Het gaat over alles wat je maar kunt denken, het is precies zoals ik me voorstel waar het met de maximale poëzie naartoe moet. In deze versnipperde wereld waarin iedereen gek wordt van chaos en versplintering is er één uitweg en dat is op razendsnelle wijze alles aan elkaar schakelen middels poëzie, omdat die bij uitstek geschikt is voor meerduidigheid, wat je absoluut nodig hebt om een complexe werkelijkheid in een primitief medium als taal te vangen. Ideeën, beelden, theorieën, dromen, waarnemingen, gebeurtenissen, moderniteiten, historie, de balans van tweeduizend jaar geschiedenis en dat gekoppeld aan de grote vragen des levens voor iedereen in alle tijden: liefde, sex, wanhoop, dood en angst.’

‘Om die twee polen gaat het: de eigen tijd en de terugkeer naar de wezenlijke vragen, alles tussen leven en dood, alles tussen Maagd en Moeder. Dat is wat anders dan het werk van die fondsafhankelijke klanten. Het gaat echt niet alleen om de uiterlijkheid, de show, het gebabbel, of zelfs maar de polemiek en de kritiek, maar om de poëzie. Heel serieus. Voor mij is dit absoluut geen geintje, integendeel. De gein eromheen vind ik fantastisch, dat hoort erbij, daarmee treed je effectief naar buiten, maar het gaat om de grote lijn in de poëzie: kunnen wij die oppakken en doortrekken in deze tijd, en nog verder, en op niveau.’

‘Ik zoek een heilstaat, en ik denk dat ik die met poëzie kan benoemen, dat is al heel wat. Met poëzie kun je erop wijzen waar heel veel verwarrende bedreigingen toe kunnen leiden, omdat je ze in poëzie aan elkaar kunt schakelen, omdat je geen krantenkoptaal hoeft te hanteren, je hoeft geen eenduidige begrippen te gebruiken, dat is de grote kracht van poëzie, daar geloof ik op dit moment heel erg in. En de quantum-mechanica geeft ons gelijk.’

Jij spreekt namens jezelf. Hoe spreek je als Maximaal?

‘Dat kan ik niet zeggen. Wij zijn geen politieke partij. Als je wilt weten wat de Maximalen bezielt, zul je het alle Maximalen moeten vragen. Hun statements bij elkaar geven een idee.’

Goed, ieders statement, te beginnen met jou.

Boskma: ‘Tot het uiterste gaan. Het maximale van je inzet.’

Lava: ‘Een Lat-relatie tussen grimmigheid en koketterie.’

Zwagerman: ‘De kunst van het grote gebaar, waarbij dan ook alles wordt geannexeerd, hoge en lage kunst, de liefdeslyriek en de pornografie, cocaïne en gezondheidscultus, kortom, de Tros en De Held.’

DE HOMERUN VAN HOMERUS

Dalstar, terwijl een politiewagen gierend over de Rozengracht trekt: ‘Een zuiggeluid, kort en lang, het is skiën voor de lawine uit, surfen op de golf. De ondergrond beweegt, dat is al wat, en dan beweeg je zelf ook nog eens een keer, nou dat is voor mij maximaal.’

Starik: ‘Zegt met een slim lachje: Dat het in ieder geval weer over het leven zelf gaat. Dat de poëzie zich weer met het leven zelf bezighoudt.’

Huigen: ‘Ik sluit me aan bij al het voorafgaande, plus het feit dat het maximalisme voor mij betekent: het plafond wordt de vloer en dan aangedweild. Dat vind ik heel mooi en het is dialectisch ook in de haak. De scheiding der geesten zal afnemen en daarmee bedoel ik te zeggen: het generatieconflict is ontstaan in de eerste wereldoorlog. En het is voort blijven duren tot na de tweede wereldoorlog. Maar als er geen derde zal uitbreken zal hij afnemen en ik hoop dat ik de generatie na mij met open armen kan ontvangen. Het maximalisme stelt zich bij voorbaat open voor alles wat er in de samenleving gebeurt. Muziek moet terug in de poëzie. Poëzie die daar geen rekening mee houdt, is geen poëzie.’

Lava: ‘Maximalisme: de homerun voor Homerus. De slagpin uit de poëzie.’

Jullie zetten je af tegen de gevestigde poëzie, maar het gebeurt toch tamelijk omzichtig. ‘Spuwen op de verzande vorige generatie is part of the game,’ schrijft Lava in Maximaal. Het lijkt wel een vervelend plicht.

Lava: ‘We beginnen pas.’

René Huigen: In de tijd van de grote avantgardebewegingen, dada, de surrealisten, kon je nog gekke dingen doen. Er viel iets te chocqueren. De Vijftigers, als die een scheet lieten in de Kalverstraat was het nog lang onrustig in de binnenstad.’

Dalstar: ‘Nou, als jij er een laat…’

Zwagerman: ‘Het is waar. Wij hebben dat overbewustzijn: ook de avantgarde heeft de wereld niet veranderd. Dat weet je, en dat maakt je een beetje machteloos. Met dat zwaard van Damocles boven je ben je wel gedwongen een groot gebaar tegelijkertijd enigszins te ridiculiseren.’

Boskma: ‘Je kunt je er in ieder geval van bewust zijn dat het een groot gebaar is.’

Zwagerman: ‘Ik denk dat de tijd voorbij is dat je nog met poëzie of welke kunst ook de revolutie kunt prediken. En als er dus iets gepredikt wordt, is het een soort in scène gezette revolutie.’

Dalstar: ‘Dat megalomane is geweest. Nu is het een spel geworden. Dat hoort bij deze tijd. Grootheidswaan als spel.’

Maar het speelt zich op zo’n klein gebied af, de poëzie. Waarom geen klauwhamer in de grote publieksmedia, de televisie, de Tros, Veronica, de Avro. Dat zou in deze tijd pas echt iets betekenen.

Zwagerman: ‘Dat zou ik wel willen. Niet naar de jeugdhonken, maar naar de showbiskwis.’

Lava: ‘Nou, ik ben met een producer bezig…’

Zwagerman: ‘Nu ga je de zaak meteen materialiseren, ik bedoelde het als metafoor, de maximale dichter in het decor van de Hennie Huisman-show.’

Boskma: ‘Dat is toch allemaal onzin. Dat weet je toch zelf ook wel. We begeven ons op allerlei complexe niveaus van bewustzijn, stellingname, intellectualliteit, moderniteit, oog voor historie, oog voor toekomst. Je hebt toch niet de illusie dat de poëzie die wij maken door miljoenen mensen gelezen gaat worden. De meeste mensen zijn niet eens in staat de krant te lezen.’

Oorspronkelijk gepubliceerd in de Volkskrant van17 juni 1988