Op De Treeplank Van De Tijd


 

 

Deel 2 Naar Veenhuizen – zie ook Deel 1


VEENHUIZEN IN 1823

Zwaar graan gegist tot bijtende genever,
bruin graan gebakken tot ruig roggebrood.
Aardappelen, dof, melig en nog rokend,
alles gehuld in walm van pijptabak. En haring.

CHRISTINE D’HAEN: Winter in Holland.

 

a de vondst van die foto (zie hieronder) denk ik tenminste iets te kunnen vertellen over deze familie, een willekeurige familie overigens, die zich maar in één opzicht van andere onderscheidt: het is de mijne.

Deze geschiedenis begint, zoals we hebben gezien, in Scharmer bij Slochteren wanneer daar in 1753 Harm Gerrits Kuipers geboren wordt.

Het weinige dat we officieel van hem weten is dat hij ‘boereknegt’ was in de tijd dat hij trouwde. Ook weten we dat hij op 9 november 1811 in Scharmer overleed. Hij werd 58 jaar oud.

Korter en zakelijker kun je een leven niet samenvatten, maar is dat alles wat er van Harm rest?

Nee.

Hij verwekte ook negen kinderen.

Over hen komen we nog te spreken, maar ik wil eerst nog even stilstaan bij Harm zelf, een boerenknecht zoals de trouwakte vermeldt, maar wat betekent dat voor ons – in het licht van de geschiedenis?

Het leert ons in elk geval dat Harm geen ‘boer’ was, en dus geen eigen boerderij had,  maar bij een boer werkte.

Een boer telde mee, toen, in de Groninger Ommelanden, maar een knecht nauwelijks, denk ik. Boeren hadden grond en vee en namen deel aan de algemene besluitvorming die formeel-juridisch in tal van overlegorganen – zoals de waterschappen of  ‘zijlvesten’ – geregeld was. Een knecht was dan aan het werk.


Het graf van Teitje Harkema ‘en haren echtgenoot’ G. Kuipers in Veenhuizen.

Het leven van Harm veranderde nogal drastisch toen hij rond 1786 met Jantje Meeuwes Pesman trouwde, hij 33 jaar oud, zij elf jaar jonger.

Jantje was op 26 augustus 1764 in Harkstede geboren. Ze was een dochter van Meeuwes Zacharias Pesman en Trijntje Pieters, die tussen 1779 en 1782 overleed. Jantje heeft haar moeder dus al vroeg verloren. Zo lang ze nog thuis was, was ze alleen met haar vader.

Volgens dezelfde trouwakte waarin haar man ‘boereknegt’ wordt genoemd, is zij ‘kasteleinsche’, wat erop wijst dat ze in Harkstede een café of  herberg dreef.

Waarschijnlijk was het de zaak van haar vader waar zij na het wegvallen van de vrouw des huizes de zaken als waardin moest regelen.

Cafés

Er waren in de dorpen Harkstede en Scharmer aan het eind van de achttiende eeuw verscheidene cafés, herbergen of logementen. Het waren behalve plaatsen ter ontspanning ook nuttige plekken voor de hele gemeenschap. Het was er op hoogtijdagen druk. Vergaderingen werden in deze cafés gehouden. Er werd in de Ommelanden veelvuldig vergaderd omdat er over bijna alle zaken betreffende de grond, het water en de inrichting van het land overlegd moest worden.

Ook namen de boeren, denk ik, na een bezoek aan de markt bijvoorbeeld, graag een pikketanussie onder het toeziend oog van de ‘kasteleinsche’ terwijl ze de plaatselijke politiek, de te verwachten oogst, de opbrengst van het veen en de weersvoorspelling voor de rest van het jaar met elkaar doornamen. Vast staat dat in zulke cafés ook de notaris kantoor hield.

Ik ga er  – totdat het tegendeel is bewezen – vanuit dat Jantje dit café in het huwelijk met Harm inbracht. Dan ligt het voor de hand dat hij zijn jonge vrouw bij het werk ging helpen. Zeker als je weet dat ze nogal wat moederlijke plichten te vervullen kreeg.

Tegelijkertijd zal de voormalige ‘boereknegt’ – die later als ‘boer’ in de stukken voorkomt – zijn landarbeid trouw zijn gebleven en zullen er ook wat beesten zijn geweest, zoals op het platteland en lang zelfs in onze steden gebruikelijk was, waar heel wat huishoudens er een moestuin, een akkertje, een of meer koeien, wat kippen, konijnen en een varken op nahielden.

Stamppot

Het is verleidelijk om een uurtje of wat in de kroeg van Jantje en Harm door te brengen, er wat te nuttigen, eens rond te kijken en te praten met de waard en de waardin.

Op de dag dat ik er aanleg, is het druk. Ik ken het beeld van oude plaatjes, zo’n uitpuilende gelagkamer waar je de rook van de pijpen kunt snijden. Het ruikt er, behalve naar tabak, naar boer, naar vee, naar stal en mest. Er wordt door de mannen stevig ingenomen. Er is – op Jantje na – geen vrouw te zien. Kelkjes jenever worden in een teug geledigd en de kasteleinsche komt handen tekort om de pullen bier aan te dragen. Bier van de brouwerij in Harkstede, denk ik.

Het is er rumoerig, want die boeren hier, ik ken ze uit de verhalen, mogen dan urenlang hartgrondig kunnen zwijgen, als de tongen eenmaal los zijn,  kunnen ze ook onstuitbaar ouwehoeren.

Mij zien ze niet. Ik ben als tijdreiziger onzichtbaar en kan ze dus schaamteloos afluisteren. Helaas versta ik geen woord van wat ze zeggen. Ze spreken de taal van hun streek, een soort Grunnings, neem ik aan, dat voor mij louter klank is, muziek. Het heeft geen betekenis. Voor mij, voor hen zijn de gespreksonderwerpen van levensbelang, aan de rooie koppen te zien.

De stemmen worden allengs luider en luider. Niemand is van plan een blad voor de mond te nemen. Alleen Harm zwijgt en tapt. Zijn vrouw verdwijnt soms met gezwinde spoed naar achteren. Ik denk om haar kookpotten te inspecteren. Straks zal ze dampende pannen stamppot naar binnen dragen en zal de hongerig makende geur van spek en worst de uitwaseming van jajem, bier, zweet en stront in de benauwde ruimte verdrijven.

Ik zie het aan, geniet, ben terug in een wereld die ik niet ken, maar ook weer wel, zo lijkt het op wat ik als stads knaapje beleefde in de jaren vijftig van de vorige eeuw in dorpen als Achterveld, Hamersveld, Barneveld of Hoogland bij Amersfoort waar ik als beginnend krantenverslaggever openbare samenkomsten in het dorpscafé moest bijwonen.

Tot ver na de Tweede Wereldoorlog bleef het leven op het land in alle delen van Nederland nagenoeg hetzelfde. De tijd bewoog er in kalm tempo met de aarde en de seizoenen mee, totdat de technologie er met haar nieuwe transportmiddelen, landbouwwerktuigen en ruilverkaveling de rust kwam verstoren en overtollige stedelingen er hun truttige woninkjes betrokken.

Gerrit

Het is er vol, in café Pesman in Scharmer. Ik zie de bierpomp – had je die toen al? – de bierpullen van Scharmer aardewerk, de donkere, gesausde wanden, de lemen vloer en terwijl ik wat beschroomd om mij heen kijk, hoor ik plotseling kinderstemmen boven het gebrom en geroep van de stamgasten uit.

Een jongetje in korte broek, op kousenvoeten, de pet schuin op het lange blonde haar komt de gelagkamer binnen. Harm en Jantje, bedenk ik, mogen dan hun handen vol hebben aan het werk in het café, de voortplanting vraagt ook om regelmatig onderhoud –  noodzakelijk voor de instandhouding van een familie.

Ik roep het jongetje. Hij is de enige die mij ziet. Geen wonder. Kinderen zien wat volwassenen allang niet meer zien. Ik schat hem een jaar of tien. Verlegen komt hij dichterbij en neemt zijn pet af. Dan geef ik hem een hand en vraag: “Hoe heet je?’

‘Gerrit,’ zegt hij.

Ik wist het, ik wist dat het Gerrit was, Gerrit, Gerrit Harms, Gerrit de zoon van Harm, het tweede kind van Harm en Jantje. Hij werd op 20 februari 1787 of 1789 geboren als broer van Trijntje, de oudste, die op 22 maart 1786 ter wereld kwam, het jaar waarin Harm en Jantje trouwden.

Op hetzelfde moment dat ik dit bedenk, gaat door me heen dat Jantje vermoedelijk al zwanger was toen ze trouwde. Misschien dwong die zwangerschap het huwelijk zelfs wel af. Het verbaast mij niet. Het was op het platteland tot ver in de twintigste eeuw heel normaal dat de vrouw eerst zwanger werd en dan pas trouwde. Het ging niet om het huwelijk, het ging om het bewijs van haar vruchtbaarheid, om de voorplanting, om kinderen, nog steeds trouwens, als je eigentijdse oma’s uit hun dak ziet gaan, ja, zo heet dat tegenwoordig, bij de aankondiging van een geboorte.

Stamboom

Het dwaze idee van een stamboom was, denk ik, toen nog geen gesunkenes Kulturgut. Voorouders had je in die dagen alleen als je van adel was. Soms gingen ze terug tot Adam en Eva. Hoe ouder de familie, des te belangrijker was jezelf. Het gíng ook alleen om die familie. De negentiende-eeuwse bourgeoisie – die in alle opzichten de kwijnende adel imiteerde – overgoot het idee met een schuimende saus van romantiek om de platvloerse werkelijkheid maar zoveel mogelijk te verhullen. Niet het geluk van twee geliefden telde, maar geld, bezit, macht én nazaten, voor wie in de wieg al een vooraanstaande positie én een huwelijk werden geregeld.

Maar hier in Scharmer, in mijn boerenfamilie, was de liefde nog puur natuur, toch?

Harm zal er zich het hoofd niet over gebroken hebben. Om de twee of drie jaar, weten wij, trok hij zijn zondagse pak aan om dominee te verwittigen dat er weer een doop geregeld moest worden. Van een geboorteaangifte bij de overheid was nog geen sprake. Die werd pas verplicht toen de Fransen het in ons land voor het zeggen kregen en er ‘gemeenten’ ontstonden, met een eigen bestuur en een eigen administratie, en dorpen, zoals Harkstede en Slochteren, werden samengevoegd. Het Franse gezag wilde de boel graag overzichtelijk hebben.

Wie zich vandaag de dag druk maakt om het verzamelen van persoonlijke gegevens langs digitale weg, moet zich eens verdiepen in de mate waarin het Romeinse Rijk, het Heilige Roomse Rijk onder Karel de Grote, de Franse absolutistische vorsten en ten slotte Hitler met steun van de Pruisische bureaucratie te werk gingen om hun burgers te kunnen controleren. Big Brother is ouder dan George Orwell, al heeft die auteur als geen ander het verraderlijke karakter van het gezag doorzien.

In totaal negen keer mochten Harm en Jantje een nieuw kind in de registers laten bijschrijven en pas bij de geboorte van het vijfde kind – Jantje geheten, net als haar moeder – blijkt Harm van beroep te zijn veranderd. Dan is hij kastelein.

Het kan zijn dat in die tijd, rond 1794, Jantjes vader, Meeuwes Zacharias Pesman overleed en Harm het werk van zijn schoonvader erbij kreeg. Maar omdat we niet weten wanneer de oude baas de laatste adem uitblies, is dit een gok.

Kroegbaas

Een kroegbaas, of mooier gezegd: een kastelein als voorvader – het had slechter gekund, al moet je een eventuele genetische invloed niet uitsluiten. Maar niet iedere kroegbaas is een zuiplap.

Veel ruimte voor vertier, laat staan ontspanning, was er niet voor de jonggehuwden. De herberg met alles erop en eraan eiste veel tijd op. En dan nog al die kinderen. Nadat in 1786 Trijntje geboren was, volgden ze elkaar met grote regelmaat op: in 1787 Gerrit, dan in 1789 Margijn (of Margien, Margje), in 1791 Hiltje, in 1794 het al genoemde Jantje, in 1797  Fennegijn (Fennechien), in 1799 Meeuwes, in 1802 Jan en tenslotte in 1806 Hendrikje.

We kunnen ons er een voorstelling van maken. Elke geboorte was weer een feest, blijdschap om het kind dat gezond ter wereld kwam – wat destijds meer uitzondering dan regel was. Maar veel weten we er niet van. Van de kinderen weten we alleen maar wanneer ze geboren en wanneer ze gestorven zijn, en met wie ze getrouwd waren. Alleen aan die paar data danken ze hun uiterst bescheiden plaatsje in de geschiedenis.

Niettemin kunnen zelfs die paar data ons al iets vertellen, bijna een heel verhaal.

Over Gerrit komen we nog te spreken, maar neem nu die Trijntje, de oudste, van wie vermoedelijk al bij haar geboorte vaststond dat ze in de voetsporen van haar moeder zou treden.

Trijntje werd vernoemd naar haar oma, Trijntje Pieters, die leefde van 1733 tot 1768 en dus al achttien jaar onder de groene zoden lag toen Trijntje ter wereld kwam. Over de vroege jeugd van Trijntje is ons niets bekend. Ook hoe ze opgroeide onttrekt zich aan onze waarneming. Trijntje doet pas weer van zich spreken als ze de aanvallige leeftijd van twintig jaar heeft bereikt en – op 20 juli 1806 – met Barteld Klasens Klunder, een veenboer, in het huwelijk treedt, die dan al veertig is.

Trijntje was niet de eerste vrouw van Barteld Klasens. Barteld was een weduwnaar. Hij was getrouwd geweest met Hendrikje Kramer, met wie hij drie kinderen kreeg.

Je vraagt je af hoe Jantje het leeftijdverschil tussen haar dochter en Barteld heeft ondergaan. Moeder was  maar twee jaar ouder dan haar schoonzoon die haar in één keer drie ‘kleinkinderen’ schonk. Ze kon niet weten dat haar dochter het gezin met die drie stiefkinderen met acht eigen kinderen zou uitbreiden. Toen Barteld twaalf jaar later, in 1818, op 52-jarige leeftijd overleed, bleven Trijntje en oma met in totaal elf kinderen achter.

Keizer Napoleon

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Huwelijk, geboorte, dood – wie vanuit de eenentwintigste eeuw terugkijkt op die tijd en het alleen met deze hoogte- en dieptepunten in het bestaan moet doen, begrijpt dat Jantje na het overlijden van haar man nog een aantal drukke jaren heeft gehad.

Harm Gerrits stierf op 11 september 1811 in Scharmer, het jaar waarin keizer Napoleon – op 9 oktober 1811 – met zijn vrouw Marie Louise voor het eerst – en voor het laatst – de Lage Landen bezocht, les pays bas. Hij werd in Amsterdam met alle égards ontvangen en reisde daarna door naar Utrecht (afbeelding), een stad die hij met zijn voltallige équipage comfortabel bereikte over de zojuist voltooide Amsterdamse Straatweg – één van de straatwegen die de Fransen in Nederland aanlegden.

Het was, weten we, een aangename herfstdag, die elfde september, 1811, 17 graden, half bewolkt, noordwestenwind, toen Jantje met haar kinderen, kleinkinderen, buren en familieleden aan de groeve van haar man stond.

Zij kon niet in de toekomst kijken, wij wel, en daarom weten we dat Jantje drie jaar later op 47-jarige leeftijd met Aalderk Siemens Schilthuis (1761-1829) hertrouwde, een Groningse boer die misschien ook wel aan het graf van Harm Gerrits had gestaan. De trouwpartij werd op 23 maart 1814 gevierd. Jantje zal vervolgens bij Aalderk zijn ingetrokken, maar waar? En hoe zat het met haar café? En dan nog een heel andere vraag: waarom trouwde ze met die Aalderk Siemens Schilthuis?

We zullen nooit antwoord op deze vragen krijgen. Ze stellen wil alleen maar zeggen dat we op het menselijke vlak in het duister tasten. Het kan ook betekenen dat we ons door hoogst speculatieve veronderstellingen laten leiden. Maar dat Jantje na het overlijden van haar man zo haar zorgen had, kunnen we rustig aannemen. Als weduwe met al die kinderen én een café, en nog zo jong, zag ze haar toekomst vermoedelijk niet al te rooskleurig in. Een geruststelling was in elk geval dat haar oudste, Trijntje, onder de pannen was met haar tweede man. Ook Gerrit en Margijn (Margje) waren al in het huwelijksbootje gestapt – en nog wel op dezelfde dag! Het moet groot feest in Scharmer zijn geweest, toen op 31 januari 1813 zowel haar oudste zoon als haar tweede dochter hun wettige echtgenoten eeuwige trouw beloofden, Harm aan Tietje Harkema, Margijn aan Willem Lammerts Heidema, die samen zeven kinderen kregen, waarvan er een, Lammert (1816), in de loop van dit verhaal nog een bijzonder bijrolletje zal krijgen.

Deze dubbele trouwpartij was niet de tweede in Jantje d’r leven. Het jaar ervoor, in 1812, was haar dochter Hiltje al getrouwd, met de schoenmaker Herman Goijert, maar lang zou hun huwelijk niet duren. Hiltje overleed negen jaar later, op 30-jarige leeftijd, in 1821, hetzelfde jaar waarin haar zus Trijntje, 35 inmiddels, met de 26-jarige Willem Sluiman hertrouwde en haar zus Jantje op 29-jarige leeftijd het huis verliet om te trouwen met Jakob Mulder.

Voor Jantje ging het leven na de dood van haar man gewoon door. Ook haar andere kinderen trouwden en de familie bleef zich uitbreiden. Ze moet het er druk mee gehad hebben. Te druk? Was ze daarom hertrouwd? Hertrouwde een weduwe in die tijd om zich als ‘huisvrouw’ door een man beschermd te weten? Het kan zijn, maar ik geloof het niet. Jantje was immers geen ‘huisvrouw’, ze had een beroep, ze was ‘kasteleinsche’, ze stond op eigen benen. Meer voor de hand ligt de vraag of ze na de dood van Gerrit misschien noodgedwongen haar café had moeten opgeven. Door haar huwelijk met de boer Aalderk was ze toch van een inkomen voorzien. Misschien, maar hulpbehoevend was Jantje Kuipers geenszins. Ze was een sterke vrouw. Ze overleefde iedereen, niet alleen haar tweede echtgenoot maar ook de meesten van haar kinderen. Toen ze op 5 maart 1845 in Scharmer overleed, was ze tachtig jaar oud.

Streekroman

Een hele streekroman – in de stijl van de bekende Groningse schrijfster Catharina Hoekstra-Kloosterhuis die in Scharmer woonde – ontrolt zich voor je ogen naarmate je meer vertrouwd raakt met dit gezin, maar ik geloof niet dat het verhaal ooit verrassend zal zijn, zelfs niet als er nieuwe feiten boven water zouden komen. Wat deze familie beleefde verschilde niet zo heel veel van wat anderen elders op het platteland, in dorpen of op boerderijen, overkwam.

Natuurlijk zou je er als romanticus graag een snufje heroïek en drama aan toevoegen – een moord, een verboden liefde, een ontvoering, een bastaard hier en daar, eerwraak, verraad of een heldendaad – maar daarin voorziet de beschikbare werkelijkheid niet en de daders liggen op het kerkhof.

Wie niet meer materiaal in handen heeft dan deze geboorte-, huwelijks- en sterftedata, geen brieven, geen memoires, geen kronieken of akten, geen kwispedoor of kamerpot – met nog de geur van de voorvaderlijke pis – kan vertellen wat hij wil, maar het stempel ‘waar gebeurd’ kan hij er niet op zetten.

Gaandeweg kan de chroniqueur zelfs het gevoel krijgen dat hij – met de wetenschap van nu – aan iets onzinnigs begonnen is, want wat moet je met zulke schimmen van voorouders? Wat is hun waarde voor jou persoonlijk? Wat is hun waarde voor de geschiedenis? En dan zo’n stamboom – wat een flauwekul. Zat de kiem van de intelligentie, de karakterzwakte, de boosaardigheid of de muzikaliteit die een enkele nakomeling later te zien gaf, soms alleen in het mannelijk zaad? En de moeders dan? Moet ik vanwege het vrouwonvriendelijk idee van een stamboom mijn dierbare Jantje verder laten rusten? Wie garandeert mij trouwens dat al die vaders ook de échte vaders waren?

Mannelijke lijn

Geschiedschrijving is een dwaaltocht te voet de geschiedenis in. Bij elke wisseling van generatie sta je voor een tweesprong, of driesprong, of viersprong – zonder wegwijzers of plaatsaanduidingen – die je in grote  verwarring kunnen brengen. Linksaf, rechtsaf, rechtdoor? Je zoekt het maar uit, ja, maar hoe?

In de westerse, christelijke of Romeinse traditie volgen we genealogisch gesproken de mannelijke lijn. In andere tradities draait het om de moeder, misschien omdat men daar van mening is dat het moederschap betrouwbaarder is dan het vaderschap. Hoe vaak komt zo’n vader niet maar even langs? Soms houdt moeder haar leven lang verborgen welke vreemdeling zijn zaad in haar overspelige schoot heeft uitgestort. Alleen de moeder kent het geheim. Alleen de moeders zijn verantwoordelijk voor hun kinderen. Zij dragen ze hun leven lang met zich mee in de zekerheid dat het hún kinderen zijn.

Misschien zijn geschiedschrijvers in de toekomst in staat de vrouwelijke lijn te volgen, maar zo ver is het nog op geen stukken na. Onze registraties – waarvan we afhankelijk zijn – zijn er niet op ingesteld. Daarin is de man altijd numero 1. Hij geeft zijn naam door. Een verandering van koers zal dientengevolge, denk ik, nog lang op zich laten wachten. Maar het kán. Kijk maar naar onze koninklijke familie, die in de mannelijke lijn al vele malen uitgestorven is, maar niettemin nog steeds in hermelijn gehuld als Oranje op de troon zit.

In onze koninklijke familie blijken officiële vaders vaak niet de echte. DNA-onderzoek kan tegenwoordig zomaar weer nieuwe bastaarden aan het licht brengen.

Het DNA verandert niet alleen het politiewerk, maar ook de al dan niet koninklijke genealogie.

Ik zou er geen bezwaar tegen hebben die vrouwelijke lijn in dit geval al te praktiseren, maar het gebrek aan gegevens ontneemt me daarvoor alle ruimte. Ik moet het doen met mijn (mannelijke) intuïtie en die zegt me dat Jantje Meuwes Pesman – van wie ik ben gaan houden als van een grootmoeder – voor alle kinderen en hún nakomelingen belangrijker is geweest dan haar man(nen) – zoals zij in de kroeg die kerels naar haar hand zette, dat alleen al.

Misschien loop ik met deze eigentijdse kijk op de zaak vooruit op mogelijke conclusies. Misschien zijn de denkbeelden, ervaringen en oordelen die ik in de loop van mijn leven met mijn familie heb opgedaan, van invloed en maak ik me schuldig aan projectie. Allemaal waar, denk ik. Niettemin ben ik ervan overtuigd dat sterke vrouwen in deze familie geen uitzondering waren. Het past in de traditie van de boerenvrijheid.

Verhuizen


HET VEEN IN DE ZEVENTIENDE EEUW

Voor dit verhaal kunnen we verder alle kinderen Kuipers-Pesman aan hun lot overlaten omdat we gedwongen zijn ons op die éne te richten, degene die in ónze genealogische traditie de fakkel aan mij en mijn nazaten heeft doorgegeven, Gerrit, die we als ventje van tien al in het café van zijn vader en moeder zijn tegengekomen, de stamhouder.

De stamhouder ja, de man die de familienaam van de ene zoon op de andere heeft doorgegeven – een familienaam trouwens, kuiper, maker van ‘kuipen, van ‘vaten’, die je ook al met het nuttigen van alcohol in verband kunt brengen.

Het was niet de enige rol van Gerrit. Minstens zo belangrijk is dat hij als eerste in zijn familie zijn geboortegrond verliet en naar elders vertrok. Hij verbrak de gesloten kring in Scharmer. Waarom?

Op die vraag is een heel kort antwoord mogelijk: Gerrit zocht werk. Er bood zich in de nabijheid een aantrekkelijke mogelijkheid aan.

Meer ruimte vergt een schets van de achtergrond die hem misschien tot zijn besluit dwong. Dat heeft met de Franse tijd te maken. Het komt nog aan de orde, maar eerst wil ik nog wat over Gerrit kwijt in verband met het onderwijs dat hij genoot. Het is eerder ter sprake gekomen.

Het ‘intellectuele niveau’ van Gerrit is van belang om te kunnen begrijpen hoe hij het aandurfde Scharmer achter zich te laten en elders opnieuw te beginnen.

Voor zijn nieuwe werkzaamheden moest hij in elk geval kunnen rekenen, schrijven en lezen.

Rekenen leerde hij toentertijd misschien al spelenderwijs van zijn ouders – of van een belezen stamgast in het café – maar lezen en schrijven?

Onderwijs

Over onderwijs in en na de Franse tijd op het platteland in het noorden des lands is weinig bekend. Gegevens over Scharmer en Harkstede ontbreken door een slordige en zelfs geheel ontbrekende administratie na het vertrek van de Fransen. Pas rond 1842 is er weer bruikbare informatie. Dan is er sprake van nota bene twee scholen in Scharmer en Harkstede, een met 30 en een met 31 leerlingen.

Gerrit werd in 1787 of 1789 geboren. Hij zal tot de eeuwwisseling op school hebben gezeten. Het lijkt mij vanzelfsprekend dat hij – met een vader en moeder die tot de middenstand gerekend konden worden – in Scharmer onderwijs genoot, maar niet op de scholen waarvan pas in 1842 sprake is.

We weten over het onderwijs in deze streken in het algemeen iets meer door K.G.Bos, een schoolmeester, die de geschiedenis van Harkstede en Scharmer heeft geschreven en daarin – niet verwonderlijk – veel aandacht aan het onderwijs heeft geschonken.

In dat boek komt overigens een slecht geredigeerde en daardoor nogal onduidelijke passage voor waarin sprake is van een ‘wed. Kuipers’, de weduwe van een zekere Harm Gerrits, aan wie in 1842 vragen worden gesteld over de school in Scharmer. De genoemde Harm Gerrits blijkt daar in 1808 schoolmeester te zijn geweest – op de school, staat er, naast de kerk.

De vraag rijst of dat ónze Harm Gerrits was? Waarschijnlijk is het niet omdat Harm kastelein was, een beroep dat in onze ogen niet met een onderwijstaak te verenigen is.

Maar wij leven nu – K.G. Bos vertelt hoe het toen was. In één woord verschrikkelijk. Het onderwijs was een onbeschrijflijke bende.

In de eeuwen die volgden zou er onafgebroken aan de verheffing van het volk worden gewerkt. Niet zonder resultaat, al valt er altijd wel iets te morren, maar vraag niet hoe lang het geduurd heeft voordat we zo ver waren – dankzij wetgeving, de leerplicht en onderwijzersopleidingen, en pas nadat de kruitdamp van de ‘schoolstrijd’ was opgetrokken.

In de tijd van Harm Gerrits ging het er allemaal zo heel anders toe. Iedereen kon voor de klas gaan staan áls hij maar een beetje kon lezen en schrijven, thuis was in de ‘catechismus’ en vooral sterk genoeg om het ongedurige boerenvolkje van tijd tot tijd een pak rammel te geven.

Er zijn verhalen overgeleverd waarin een meester vertelt hoe het in de klas toeging. Bos geeft er een voorbeeld van uit 1788. Je haren rijzen te berge als je het leest, al moet je ook verschrikkelijk lachen (en, zeg ik erbij, herken je wel iets van krantenberichten over de tegenwoordige onderwijspraktijk).

In de fraaie beschrijving uit 1788 is de klas elke dag weer een heksenketel. Er is geen enkele orde, geen soort van discipline, er is geen lesmateriaal, hooguit de catechismus, en niemand heeft ook maar enig idee wat er onderwezen zou moeten worden, zelfs de schoolmeester niet, ja, breien – heel gewild – en zingen, want de schoolmeester was bijna altijd ook de koster van de nabijgelegen kerk waar hij ’s zondags het orgel bespeelde en zangertjes goed gebruiken.

Over dat zingen lezen we:

’t Is nu byna half twaalf, en de toon zal hooger klimmen. De Meester krygt het Psalmboek en roept met luider stem: Laat ons ter eere Godes en tot ons aller stichting, opzoeken en met heiligen aandagt zingen den berymden 109 Psalm van den Profeet David, daar het begin is beginnende; hij leest twee verzen. Nu ryst er een geluid op, waar by het geblaet van honderd Schapen lieflijk is, noch toon, noch maat neemt men in aanmerking… Hierop sluit de meester al dankende en biddende…  Zoals hy zegt: amen! ja, amen! vliegt de menigte wild en woest door elkander, berst de deur uit, en zwiert in het rond al slaande, stotende, trekkende, schreeuwende…

Het onderwijs berustte in handen van de kerk, na de Reformatie in deze streken de Nederlands Hervormde kerk, die niet scheutig was met geld. Kinderen moesten ’s winters zelf  turf meenemen om de kachel in de klas brandende te houden.

Om een koster kon de kerk niet heen. Die was onmisbaar. Gewoonlijk nam men daarvoor een man die kon lezen en schrijven – een gesjeesde student uit Groningen? – en wat lag er dan meer voor de hand dan dat je zo’n intellectueel ook schoolmeester maakte? Twee vliegen in één klap.

In Harkstede en Scharmer heette de schoolmeester dan ook niet voor niets ‘köster’. Hij was daar in de eerste plaats koster, dienaar van de kerk, en pas in de tweede plaats onderwijzer. Hij mocht zijn karige loon aanvullen met de opbrengst van een stukje grond en wat beesten. De meester was ook boer.

Boer, koster en onderwijzer – het was een vrij normale combinatie van werkzaamheden in die tijd. Waarom zou ‘kroegbaas’ daar niet bij kunnen als de schoolmeester toevallig met een kroegbazin getrouwd was?

De veronderstelling dat Harm Gerrits óók schoolmeester geweest is, mag gewaagd, misschien te gewaagd lijken, maar helemaal uit de lucht gegrepen is ze niet als je bedenkt dat in deze familie altijd verhalen over ‘onderwijzers’ in het voorgeslacht de ronde deden – misschien werd ook het leren genetisch doorgegeven.

Wereldgeschiedenis

Twee jaar na de dood van zijn vader trouwde Gerrit met Tietje Harkema uit Harkstede. Toen de bruiloft op 31 januari 1813 werd gevierd, was Gerrit 24 en Tietje, of Tetje, of Teitje – de spelling verschilt nogal – een jaar jonger.

Tietje, zoals ik haar zal blijven noemen, was een dochter van Roelof Jacob Harkema en Aaltje Jans Groen die een boerderij in Scharmer hadden.

De veronderstelling ligt voor de hand dat de jonggehuwden bij vader en moeder introkken om hen te helpen bij het werk op het land en de koeien te melken. Ze hadden allebei als kind al de kneepjes van het vak geleerd.

Tien jaar lang woonde het paar in Scharmer en je ziet voor je hoe hun levens daar op het ritme van de seizoenen, met de mijlpalen van geboorte, huwelijk en dood, zouden zijn vergleden als in hun nabijheid, en ongetwijfeld voor hen voelbaar, niet nogal ingrijpende gebeurtenissen hadden plaatsgevonden, gebeurtenissen die in de wereldgeschiedenis niet onvermeld zijn gebleven, al zal menigeen in de Randstad verbaasd opkijken als hij ze verneemt.

Het was oorlog. Vanaf 1795 was Nederland in handen van Frankrijk dat in heel Europa, en zelfs daarbuiten streed voor gebiedsuitbreiding. De trotse Republiek der Zeven Verenigde Provinciën was een Franse ‘vazalstaat’ geworden die in 1810 door Napoleon zelfs zou worden ingelijfd.

Tot 1813, het jaar waarin de Russen, de Engelsen, de Pruisen en de Oostenrijkers als ‘geallieerden’ de expansiedrift en veroveringslust van de Franse keizer een halt toe riepen, was Nederland een Franse natie en dat merkte je, óók in Scharmer, waar de inwoners net als de rest van het land te maken kregen met wetgeving en voorschriften die het Franse gezag – met zijn traditie van sterke centralisering en bureaucratie – aan alle min of meer zelfstandige gewesten in Nederland oplegde.

Er kwam een grondwet, een burgerlijk wetboek en dienstplicht – 13.000 Nederlandse jongens vochten onder Franse vlag tegen de Russen, meer dan helft liet er het leven. Het grondbezit werd nauwkeurig – door het kadaster – vastgelegd, achternamen werden verplicht, net als straatnamen en huisnummers, en maten en gewichten werden gestandaardiseerd – om maar een paar ingrijpende veranderingen te noemen. En natuurlijk betaalden de Nederlanders forse belastingen om de gigantische kosten van de Franse armée mede te betalen.

Franse militairen, of liever gezegd hun huurlingen, veelal verwilderde avonturiers uit veraf gelegen arme landen die tegen een moord meer of minder niet opzagen, konden in die tijd zomaar in je dorp opduiken en je een musket tegen je borst zetten als je niet meteen aan hun wensen gehoor gaf.

Beleg van Delfzijl

Vlak bij Scharmer, op twintig kilometer afstand, vier uur gaans te voet, twee uur te paard, maar je kon ook met de boot, lag Delfzijl, een plaats die voor Napoleon als haven én als vesting, zowel ten opzichte van de Engelsen en hun schepen, als ten opzichte van de Pruisen, van groot belang was.

Er lag een flink contingent Fransen onder commando van de kolonel Pierre Maufroy. Het was zijn taak om de Ommelanden onder de duim te houden, maar belangrijker nog was de haven, die koste wat kost in Franse handen moest blijven. Napoleon vreesde daar een Britse ‘invasie’.

Maufroy was een fanatieke volgeling van zijn keizer. Toen Napoleon in 1813 werd verslagen, weigerde hij dat te geloven en wat men ook ondernam om de man op andere gedachten te brengen, hij verdomde het Delfzijl te verlaten.

De oudste zoon van stadhouder Willem V, Willem I, was inmiddels uit Engeland naar Nederland teruggekeerd – en zou in 1815 door het Congres van Wenen tot koning Willem I der Nederlanden worden uitgeroepen – maar Maufroy bleef zitten waar hij zat.

Nederlandse troepen sloegen het beleg voor de stad, die niet zo makkelijk in te nemen bleek. In de strenge winter van 1813 op 1814, toen de gracht rond de vesting Delfzijl begon te bevriezen, zagen de belegeraars hun kans schoon, maar Maufroy voorkwam een aanval over het ijs door een stel Delfzijlers een boot almaar heen en weer te laten slepen.

In de stad verging de bevolking van de honger én van de kou. Zelfs voor de Fransen was het langzamerhand schraalhans keukenmeester. ’s Nachts braken zij uit hun omsingeling om het land in de wijde omgeving af te stropen. Zachtzinnig gingen ze niet te werk. Boerderijen werden in de as gelegd. Een keer werd een boerenknecht dood geschoten, maar die was dronken, zei men…

Het doet aan de tijd van de Duitse bezetting denken.

Er kwam pas een eind aan de terreur toen Delfzijl op 23 mei 1814 werd ontzet.

De angstaanjagende verhalen over het geboefte dat hier uit naam van de Franse keizer onschuldige burgers naar het leven stond, moeten in alle dorpen te horen zijn geweest. Ook in Scharmer. Ik kan me niet voorstellen dat ze niet ook Gerrit Harms bereikten.

Bevrijding

Maar het leven ging door. Een maand na de bevrijding van Delfzijl werd het eerste kind van Gerrit en Tietje geboren, Harm. Een tweede volgde niet onmiddellijk. Pas vijf jaar later was er opnieuw sprake van een geboorte, maar die telde dan ook dubbel, het was de tweeling Jantje en Aaltje die op 7 mei 1819 in Scharmer ter wereld kwam.

Het was, zo kort na het vertrek van de Fransen, geen al te beste tijd voor de inwoners van de Ommelanden.

De Fransen hadden, net als de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog, Nederland leeggeroofd en berooid achtergelaten. Bovendien was twee jaar achtereen de oogst mislukt.

Scharmer en omgeving betaalden een hoge prijs voor de hebzucht van dat pikstaanderige mannetje met zijn maagzweer in het Elysée.

Mogelijk hebben de gevolgen van die bezetting, maar ook de tegenvallende opbrengst van de boerderij, Gerrit doen besluiten naar ander werk om te zien, maar belangrijker dunkt mij is dat zich in de nabijheid iets nieuws aandiende.

In Veenhuizen bij Norg was men begonnen met een zogenoemd ‘sociaal experiment’ en daarvoor was mankracht nodig. Gegadigden werden gelokt met een lapje grond en een huis – een boerderij, zo bleek later.

Mijn liefje, wat wil je nog meer?

Gerrit en Tietje moeten een sprong in  de lucht hebben gemaakt toen ze ervan hoorden. Ze moeten voor zichzelf en hun kroost daar in Veenhuizen een veilige toekomst in het verschiet hebben gezien, maar wat zij niet bevroedden en ook niet kónden bevroeden was dat dit Veenhuizen algauw een naam kreeg waarover we twee eeuwen later nog altijd niet uitgesproken zijn.

Nederlandsch Indië

Wat werd daar in het veen op touw gezet, in 1823, toen Gerrit en Tietje er met hun kinderen op de paardenwagen aankwamen en zich meldden?

In het oude dorpje Veenhuysen werd een idee van Johannes van den Bosch in praktijk gebracht. De naam zal weinigen nog iets zeggen, maar in zijn tijd was Van den Bosch (1780-1844) een beroemd man met een grote staat van dienst.

Van den Bosch (afbeelding) was afkomstig uit een Brabants patriciërsgeslacht, maar hij was niet van adel – pas veel later werd hij in de adelstand verheven. Hij had als luitenant bij de genie in Nederlands-Indië gediend. Hij werd commandant van het Nederlands-Indisch leger, minister van Koloniën en ten slotte minister van Staat. In de strijd tegen de Fransen had hij in 1813 Utrecht voor de Oranjes ingenomen.

Van den Bosch stond bekend als een goed militair, maar ook als een sterk organisator, reden waarom koning Willem I hem in 1828 gouverneur-generaal van Indië maakte. Van den Bosch zag in de koloniën grote mogelijkheden. Met een meer rationele en zakelijker aanpak was er veel meer uit te halen. Hij voerde in 1830 het zogeheten ‘cultuurstelsel’ in, wat onder meer inhield dat de inlandse boeren twintig procent van hun productie op de Europese markt afstemden, waar voor de Nederlandse Handel Maatschappij met indigo, thee, suiker en vooral koffie veel geld te verdienen viel. In de praktijk veranderde het cultuurstelsel van Van den Bosch – het bleef tot 1870 bestaan – in knechting, uitbuiting, fraude en diefstal,, waartegen Multatuli (afbeelding onder) met zijn Max Havelaar  in 1860 van leer trok. ‘De Javaan wordt mishandeld,’ lezen we in dat boek en aan het eind: ‘Er ligt een roofstaat aan de zee, tussen Oostfriesland en de Schelde!’

Die ‘roofstaat’ was Nederland. Van den Bosch hoefde zich de kritiek van Multatuli niet meer aan te trekken. Hij was al zestien jaar dood toen de Max Havelaar verscheen. Zijn inspanningen in de koloniën hadden hem in het nieuwe koninkrijk onder Willem I geen windeieren gelegd.

Helemaal ten onrechte is dat niet, want Van den Bosch was niet alleen een verlichte manager avant-la-lettre, hij was ook een bevlogen man. In elk geval wilde hij vooruit en hield hij niet van verspilling. De armoe in Nederland was hem een doorn in het oog. Daarom legde hij Willem I in 1818 een plan voor om de omstandigheden van de bevolking te verbeteren. Tien procent van de twee miljoen inwoners die Nederland toen telde, had nauwelijks te eten. In een stad als Amsterdam liep dat getal op tot vijftig procent. Vijftig procent. De helft van de bevolking. We kunnen het ons nauwelijks meer voorstellen. Wie aan die tijd terug denkt, ziet toch vooral de ongehoorde rijkdom in de betere kringen waaraan we de grachtengordel en de buitenhuizen in ’t Gooi te danken hebben. Het is goed om dat beeld bij te stellen. In het begin van de negentiende eeuw vertoont Nederland alle trekken van een ontwikkelingsland, met een almaar rijker wordende bovenlaag en een bevolking die krepeert.

Niet alle rijkaards accepteerden deze tweedeling. Sommigen uit de goedheid huns harten, anderen uit eigenbelang. Per slot van rekening huisde er in onze grote steden een leger aan arbeidskrachten – en niet te vergeten: kanonnenvoer – die voor koning en vaderland economisch van belang waren als je ze gezond hield, én gemotiveerd.

Johannes van den Bosch had in Indië veel geleerd. Wat hij in onze kolonie had opgestoken was het idee dat werken hét middel tegen de armoe was. Daarom moesten er ook in Nederland ‘koloniën ‘ komen waar armoedzaaiers met hun kinderen een boterham konden verdienen. Met hun arbeidskracht kon tot dan toe onbruikbare grond in cultuur worden gebracht. Tegelijkertijd bespaarde  de overheid op de kosten van de ‘onderstand’ waarop de allerarmsten een beroep mochten doen. Zo ontstonden de koloniën Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord én zo ontstond Veenhuizen.

Voor het beheer van deze koloniën werd een ‘maatschappij’  opgericht, de Maatschappij van Weldadigheid – die nog steeds bestaat. Vijftienduizend welgestelden doneerden ieder veertigduizend gulden, een kapitaal waarmee ‘woeste gronden’ werden aangekocht.

Maar dat niet alleen. De koloniën werden ook ‘modern’, dat wil zeggen volgens de nieuwste, aan de Verlichting ontleende denkbeelden, strak, overzichtelijk en rationeel ‘ingericht’ met onder architectuur gebouwde nutsgebouwen en huizen of boerderijen voor de bewoners.

Je kon op twee manieren naar zo’n kolonie. Als vrij man, of gedwongen. De ‘vrijen’ gingen naar Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord, de landlopers, zwervers, misdadigers, bedelaars, wezen, vondelingen en armen naar Veenhuizen. Ze werden daar als ‘verpleegden’ in ‘gestichten’ gehuisvest.

Dat klonk niet om vrolijk van te worden, maar waarom trokken Gerrit en Tietje er dan zo opgetogen heen?

LEES VERDER