Op De Treeplank Van De Tijd

 

 

 

 

Deel 1 Boerenvrijheid in de Ommelanden

Het is allemaal waar wat de filosofie zegt: het leven moet achterwaarts worden begrepen. Maar dan vergeet men de tweede zin: dat het voorwaarts moet worden geleefd.

Søren Kierkegaard in Samlede Vaerker, 1843.

 

n 1753 wordt in Scharmer Harm Gerrits Kuipers geboren. Hij is de oudst bekende stamvader van de familie waarvan hier de geschiedenis wordt verteld.

Waar ligt Scharmer?

Scharmer ligt tussen Harkstede en Kolham in de provincie Groningen. Het is een van de dertien dorpen in de gemeente Slochteren. Ze ontstonden ten oosten van de stad Groningen op een zandrug uit de Weichsel-ijstijd, een koude-periode die duurde van 12.500 tot 10.000 jaar voor Christus. We hebben er ook de Hondsrug in Drenthe aan te danken.

Behalve die zandrug heeft deze ijstijd nog andere sporen in het Groninger land achtergelaten, zoals pingo’s en keileembulten – waarop de bekende juffertorens werden gebouwd.

Juffertorens – er zijn er drie in het Groninger land, op de foto die van Schildwolde uit 1666 – herken je aan hun hoge, smalle, van baksteen gemetselde spitsen die als geslepen potloodpunten omhoog wijzen. Ze heten ‘juffers’ – en dat klinkt haast romantisch alsof ze hun naam ontlenen aan de sagen en legenden die in de loop van de tijd om hen heen geweven zijn, maar de werkelijkheid is  nuchterder: ‘juffers’ zijn ‘dennenstammen’ waarop de torens lijken.

Pingo betekent ‘kleine heuvel’. Het is een woord uit het inuktitut, de taal van de oorspronkelijke bevolking van Canada, de inuit.

Pingo’s ontstonden door bevriezend of bevroren water in de tijd dat de bodem hier altijd bevroren was, de tijd van de permafrost. Hun kern is een lensvormig lichaam van zuiver ijs.

Pingo’s konden uitstulpen tot heuvels van wel negentig meter hoog. Of ze werden gaten, water, ven, meer, bronnen van gletschers zoals men lang gedacht heeft.

Scharmer, of Scháármer, zoals de Groningers zeggen, komt voort uit het oud-Germaanse woord ‘skiramere’, dat ‘helder water’ betekent.

‘Skiramere’, ‘juffertorens’, ‘pingo’s’ – die woorden alleen al roepen een rijk geologisch en cultureel verleden op dat je vandaag de dag – als je goed kijkt – nog aan dit Groninger land kunt afzien.

Heb je iets aan die kennis als het om je familie gaat?

Misschien.

Misschien ook niet.

Wat zegt het ons dat uitgerekend onze oudst bekende voorvader, Harm Gerrits – Harm, Gerrits zoon – in Scharmer het levenslicht aanschouwde? Hoe zag zijn wereld eruit? Had hij als jongen al oog voor zijn geboortestreek, wist hij van die zandrug, die pingo’s en die torens die ze ‘juffers’ noemen? Heel waarschijnlijk is dat niet. Vermoedelijk had hij andere dingen aan zijn hoofd en beperkte zijn speelruimte zich tot de huizen van Scharmer, de paar boerderijen in de omgeving, de kerk, de bakkerij, de slagerij, de smederij en de werkplaats van de timmerman, en liep hij soms naar het water van de Scharmer Ae waarover schepen de Groninger turf tot in het verre Hamburg vervoerden. Of was dat pas later?

Speelde Harm op straat, waren er kinderen met wie hij knikkerde, hoepelde en kattenkwaad uithaalde? Misschien had hij daar helemaal geen tijd voor. Kinderen werkten al jong met de volwassenen mee en gingen soms naar school. Er was óók in dit afgelegen gebied tussen Groningen en het Duitse Ost-Friesland in de achttiende eeuw sprake van onderwijs, al was het vaak een zootje, niet in handen van de overheid, maar van de kerk. In Scharmer en Harkstede is in 1595 al sprake van een ‘schoolmeester’ en dus van een ‘school’. Hoe het op die scholen toeging weten we enigszins. Verheffend was het niet. De ‘praktijk’ stond voorop. We komen er op terug.

Dorpsomroeper

Wat wist onze Harm? Hoe zag hij eruit? Hoe stak hij in elkaar? Wat stond hem voor ogen als hij aan zijn toekomst dacht? Hoe onderging hij zijn dagelijkse plichten? Wat dééd hij? Wat drong er tot hem door van alles wat de volwassenen voor hem bekokstoofden?

We weten het niet. Althans, we weten niet wat we zouden willen weten, maar we weten wél iets, al is het weinig.

Harm zal niet geweten hebben dat zijn wieg op bijzondere grond stond. Hij kón dat ook niet weten, denk ik, ook al omdat hij nauwelijks vergelijkingsmateriaal had, maar we kunnen er met een gerust hart vanuit gaan dat zijn kennis groter was dan wat hij dagelijks beleefde.


Kloosterkerk van Scharmer, kort voor de afbraak in 1824.

Cultuuroverdracht was voor hem, in die besloten wereld, nog zonder de nieuwsmedia die wij kennen – hooguit een dorpsomroeper – van een totaal andere orde dan voor onze kinderen die al voordat ze zelf een stap hebben kunnen zetten de halve wereld zijn overgevlogen – en vermoedelijk hun eigen land nooit meer leren kennen. Maar Harm kreeg thuis en op school  over het verleden en zijn eigen dorp te horen. Verhalen. Die moeten er altijd zijn geweest. Verhalen van de dorpsonderwijzer, van ooms en tantes, van grootouders, van vader en moeder. Verhalen. Wat zij hadden meegemaakt. Hoe het vroeger was. Van wie hij afstamde. Wie de ouders van zijn opa en oma waren.

Het was het oeroude verhaal dat wij kennen. En Harm, de zoon van Gerrit, gewon Gerrit, en Gerrit de zoon van Harm, gewon Harm en Harm, de zoon van Gerrit gewon…

De bijbel wás er, in elk huis, en hij wérd gelezen.

Harm Gerrits was, zoals zijn hele familie, zeg ik maar op goede gronden, Nederlands Hervormd – niet Gereformeerd – de godsdienst die na de Reformatie heel het Groninger land in de armen sloot – op een paar enclaves na die rooms-katholiek bleven. Daardoor staat vast dat hij werd gedoopt, op zijn zeventiende of achttiende belijdenis deed en een paar jaar later trouwde. Want niet alleen de Nederlands Hervormde kerk moest in stand gehouden worden, ook de familie – hoe dan ook. De familie was de weg, de waarheid en het leven, heden, verleden en toekomst inéén. Familie was als de natuur.

Blut und Boden

Die achtergrond van dagelijkse ervaringen, opgerekt en verbreed door godsdienst en onderwijs, maakt het zeer onwaarschijnlijk dat Harm Gerrits zijn verleden niet op een bepaalde manier al vroeg kende. Iedereen in zo’n dorp kende het. Misschien de nederigsten en armsten niet, maar Harms familie behoorde niet tot nederigsten en armsten. Zij hadden het redelijk goed. Daar mogen we op grond van de schaarse gegevens gerust vanuit gaan.


Haven van Harkstede en Scharmer eind negentiende, begin twintigste eeuw.

De invloed van het land, zeg maar: van moeder aarde en de dwingende aanwezigheid van de bloedverwantschap zou een primitief, al te primitief beeld kunnen oproepen van de Boden waarop het Blut van deze  sibbe is gaan stromen.

Blut und Boden – je  moet er niet aan denken. Toch kun je er als ontwikkelde, vrije eenenwintigste-eeuwer niet omheen dat er een verband is tussen de plaats waar je geboren wordt, het land, de stad of het dorp, de arbeidsomstandigheden ter plaatse, het klimaat, het dagelijkse leven, de taal (het Gronings) en de manier waarop mannen, vrouwen, kinderen, buren en gezagsdragers elkaar bejegenen en elkaar – al dan niet uitgesproken – de les lezen als het erom gaat hún waarden en belangen te benadrukken.

De historicus Bernhard Slicher van Bath heeft die samenhang voor ons, voor, in en na de Tweede Wereldoorlog uit zijn – toen nog volop levende – fascistische context los getornd en in het juiste licht geplaatst. Hij ging het platteland op omdat hij de geschiedenis wilde schrijven van de mannen en vrouwen – én kinderen – die met hun arbeid een belangrijke bijdrage aan de vooruitgang in Europa hadden geleverd: de boeren. Slicher van Bath vond ze als mens én als geschiedschrijver belangrijker dan de helden van de traditionele geschiedschrijving, de stichters van hertogdommen, graafschappen en koninkrijken die met hun veldslagen, oorlogen en veroveringen de voornaamste plaats in de annalen en kronieken toebedeeld kregen.

Boerenvrijheid

Slicher van Bath is een van de eersten die zo te werk gingen. Hij werd een kenner van de agrarische geschiedenis, eerst van Europa, later van Latijns-Amerika en wat hem onderscheidde van menige vakgenoot was zijn vermogen om voor ons, later geborenen, het belang van historische kennis voor een beter begrip van onze tijd te laten zien. Je hád er wat aan, zo gezegd, aan die geschiedenis. Wat hij vertelde kreeg door zijn manier van schrijven en het soort onderwerpen dat hij aansneed betekenis – in het algemeen, maar ook voor jou in het  bijzonder, al had je nog nooit een boer van nabij gezien of geroken. Onder zijn handen veranderden vergeelde, half vergane en soms nauwelijks nog te ontcijferen documenten in nieuws dat je met meer vrucht las dan de krant.

Als een van zijn vele (linkse) lezers in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw herinner ik me hoe Slicher van Bath de aandacht vestigde op de vrijheid die boeren in bepaalde delen van Europa hadden veroverd – in Friesland, Noorwegen, Denemarken, Oost-Engeland en de Zwitserse kantons Uri, Schwyz en Unterwalden waar de boeren in opstand kwamen tegen knechting door de Habsburgers en hun eigen Eidgenossenschaft stichtten. Willem Tell, die een appel van het hoofd van zijn zoon moest schieten, vertelt het verhaal. (Op het plaatje leggen de Zwitserse vrijheidsstrijders de eed van trouw aan elkaar af).

De verrassende verklaring die Slicher van Bath voor het vrijheidsstreven van de boeren vond, hing samen met de grond waarvan zij afhankelijk waren, of beter gezegd met het water op hun grond: hun landerijen waren te drassig voor de landbouw en daarom legden zij zich toe op veeteelt. Vee kun je – anders dan grond – verkopen, zonder dat je bezit afneemt. Vee plant zich voort. Je kunt er steeds opnieuw van verkopen. Vee is handel en handel spekt de kas.

Het overkwam de boeren in genoemde streken. Het schonk hun zelfvertrouwen en zelfvertrouwen maakt je onafhankelijk, zo onafhankelijk dat je geen gezag meer duldt. Deze boeren dopten – om in stijl te blijven – hun eigen boontjes. Hun bedrijfsvoering – met weinig, maar min of meer gelijkwaardig personeel, waartoe ook de vrouwen behoorden – leidde tot vormen van democratie die in feodale landen – met hun grootgrondbezit – ondenkbaar waren.

Tot ver na de Tweede Wereldoorlog kon je in heel Europa de juistheid van Slichers gevolgtrekkingen zien. Denk aan Rusland. Of aan Frankrijk. Of aan Pruisen.

Was Harm Gerrits ook zo iemand die door deze vrije-boeren-geest was aangeblazen?

Oude gravures

Misschien valt er over Harms instelling en levensfilosofie wat meer te zeggen wanneer we eens gaan kijken in het land waar hij geboren werd en opgroeide. Het is een uitstapje waard. Zeker als je er gaat fietsen of wandelen. Met de trein naar Groningen en dan de Ommelanden in, zoals het gebied door de eeuwen heen is blijven heten, is telkens weer, in alle jaargetijden, zelfs als er de gure noordooster blaast, een markante ervaring.

Tegenstellingen tussen stad en land hebben in de geschiedenis altijd een belangrijke rol gespeeld, ook die tussen de stad Groningen en de Ommelanden. Maar hier was het anders. Er was namelijk geen hiërarchie. In de stad zetelde geen gezag dat het al land in de omgeving bestierde. De Ommelanden waren tot op zekere hoogte onafhankelijk en gelijkwaardig aan de stad. Ze bevestigen de boerenvrijheid van Slicher van Bath.

Die gedachte nodigt je uit, om al fietsend en wandelend, je fantasie de vrije loop te laten en met fantasie bedoel ik dan geen dagdromerij, geen ‘vlucht uit de werkelijkheid’ of gemakzuchtige verzinsels, maar verbeeldingskracht, een zeldzame mengeling van intelligentie en gevoel die jouw wereld in een heel andere – een wereld met heel andere mensen – kan doen opgaan.

Verbeeldingskracht ontwijkt de realiteit niet, maar voedt zich ermee en ontneemt daardoor de werkelijkheid haar oppervlakkige vanzelfsprekendheid. Je kunt, natuurlijk, zonder fantasie, de werkelijkheid tot louter ‘feiten’ reduceren, ook als geschiedschrijver, maar daarmee doe je jezelf en die werkelijkheid tekort, al zijn ‘feiten’ natuurlijk bij elke vorm  van geschiedschrijving – zelfs in zogenoemde ‘historische romans’ – onontbeerlijk.

Zonder feiten gaat het niet.
Maar ook niet zonder fantasie.
Niets van belang in het leven kan het stellen zonder fantasie of verbeelding.

Verbeeldingskracht is niet autistisch of pathologisch in zichzelf besloten, is geen geïsoleerde ervaring. Verbeeldingskracht haakt aan bij de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid, juist ook als het om de vergane glorie van ons verleden gaat. Ze benut de werkelijkheid van land, bebouwing, klimaat, akten,, annalen, kronieken, schilderijen, tekeningen, gravures, romans en verhalen om een genuanceerder kijk op het verleden te krijgen. Want dat is wat ze wil: de nuance, dieper doordringen in wat we al weten of denken te weten – in het algemeen, maar hier in het bijzonder van de achttiende eeuw, daar in het Hoge Noorden, in de Ommelanden, in Slochteren en omgeving, op de boerderijen, in de dorpen, in de gehuchten en in het landschap zoals het zich onder onze blik ontvouwt, doorschoten met bossen, bosschages en water, veel water.

Tja, dat water. Het is een verhaal apart dat je onmogelijk met een paar zinnen kunt afdoen. Klaas Bos gaat er in De geschiedenis van Scharmer Harkstede en omgeving uitgebreid op in, terecht, want als iets de inrichting van het land en de karakters van de bewoners hier heeft gevormd dan is het het water. Altijd aanwezig, altijd dreigend – en alleen in lieflijke zomers of ’s winters als het ijs tot kortebaanwedstrijden voor het hele dorp uitnodigde een vriend.


Beeld van de Kerstvloed die 1717 Groningen overspoelde.

Het gebied werd tot in de achttiende eeuw, de eeuw waarin Harm Gerrits ter wereld kwam, geteisterd door watersnoden, erger dan de Februari-ramp van 1953 in Zeeland. Men zal Harm nog hebben kunnen vertellen over de Sint Maartensvloed van 1686, toen 1558 mensen, 1387 paarden, 7861 stuks rundvee, 2590 schapen, 171 zwijnen en 631 huizen door het water werden meegesleurd. De familie Piccardt die toen de borg Klein Martijn in Harkstede bewoonde, raakte in grote nood, ‘in groote extremiteyten’ en van alle bedienden (‘Domestyecken’) afgesneden, zoals in een boek over de ramp te lezen staat:

‘De E. E. Heer Syndicus Piccardt heeft op zijn nieuws getimmerde Hoffstede ongelooflijcke ongevallen medegehadt, een groot aantal Beesten haer hebbende moeten bergen op een nieuws getimmert Sael, seuven voeten boven het onder Huys, behoudende maer een vierendeels voet bot. De Heer Piccardt daer selve zijnde heeft met sijn Huysvrouwe aldaer tweemaal 24 uyren in groote extremiteyten geweest, afgesneden van alle Domestyecken.’

In 1717 was het opnieuw raak. Een angstaanjagende stormvloed, Kerstvloed gedoopt, joeg in heel het Groninger land en tot in de stad het water hoog op. In Scharmer en Harkstede gingen opnieuw grote aantallen huizen, paarden, runderen, varkens en schapen in de razende stroom teloor, maar menselijke slachtoffers vielen er ditmaal niet te betreuren.

Daarna maakte men dan eindelijk serieus werk van de strijd tegen het water. Er kwamen dijken, dijkverhogingen, dijkverzwaringen, polders, bemaling, molens, afwateringskanalen en bruggen, maar van een leien dakje ging dat niet, noch van de ene dag op de andere. Tegenstrijdige belangen van overheden, waterschappen, landeigenaren, boeren en beurtschippers vertraagden de noodzakelijke verbeteringen tot diep in de twintigste eeuw. Pas in 1970 bereikte men een akkoord over een goede waterbeheersing..

Buitenplaatsen

Wie zich zo het Groninger land en zijn bewoners voor de geest haalt, valt minder makkelijk ten prooi aan een vorm van hedendaagse hovaardij – die het verleden hooguit kan zien als het getob van wat oude ambachten. Hij beseft dat onze voorzaten bepaald niet achterlijk waren. Onze minderen waren ze zeker niet. Hun kennis en vaardigheden mochten er wezen en als je in deze contreien de vele kloosters ziet die tot en met de Reformatie in de zestiende eeuw grote invloed hebben gehad op de scholing van de bevolking en verbetering van de productie weet je hoe nabij en vertrouwd de bronnen van hun kennis waren.


De borg Klein Martijn in Harkstede.

EXCURSIE  Om een idee te krijgen van de verhalen die hier van vader op zoon en van moeder op dochter werden doorverteld, kan een uitstapje naar de borg Klein Martijn in Harkstede bij Scharmer verhelderend zijn.
Daar op Klein  Martijn – voor de naam is nooit een verklaring gevonden – woonden aan het eind van de zeventiende eeuw, begin achttiende eeuw Henric Piccardt en zijn vrouw Anna Elisabeth Rengers.

Henric was de zoon van dominee Gualterus Piccardt, predikant te Woltersum. Hij was een jongen met een goed stel hersens en bovendien een grote muzikale aanleg. Hij zong prachtig en bespeelde al jong de harp.
In 1653 ging hij, zeventien jaar oud, naar Groningen  om er aan de Groninger Academie rechten en filosofie te studeren. Het leven ter plaatse viel hem zo tegen dat hij algauw de wijk nam naar Franeker waar hij in 1657 en 1658 colleges aan de Academie van Vriesland volgde. Maar ook daar had hij het niet naar zijn zin. Hij ging terug naar Groningen waar de benauwde,  kleinsteedse sfeer hem opnieuw te veel werd.
Van de ene dag op de andere  verdween hij spoorloos en wat zijn vader met de hulp van wat  Groninger koddebeiers ook ondernam om hem te vinden – er werd zelfs in de grachten gedregd – Henric was en bleef  weg.
Weken later pas bereikte dominee PIccardt het bericht dat Henric in Orléans, in Frankrijk, was. De verre reis te voet en te paard had hij betaald door onderweg in herbergen en op dorpspleinen te zingen en te spelen.
Henric ging aan de universiteit van Orléans rechten studeren en nu ging het hem goed af. Al na een paar jaar verwierf hij cum laude de bul van doctor in de rechten en weer een paar jaar later – hij was toen 27 – publiceerde hij een bundel gedichten, Les poésies françoises, dédiée à Madame Suzanne de Pons, Dame de la Gastevine, die nog altijd in de Universiteitsbibliotheek van Groningen te vinden is.
Met die bul en die publicatie zijn niet alle wapenfeiten van de avontuurlijke domineeszoon opgesomd. Hij wordt in die tijd óók Gentilhomme de la Chambre du Roi, kamerheer van Lodewijk XIV, de Zonnekoning, die bijna net zo oud is als hij. Een erebaan van heb-ik-jou-daar, aan dát hof, maar hij verdiende er zo weinig mee – hij was niet van adel en had derhalve geen adellijke financiële reserves – dat hij als straatzanger op de Pont Neuf wat probeerde bij te verdienen. Het verhaal gaat dat hij zijn haar had geverfd en een lapje voor zijn oog had gebonden – om niet herkend te worden.
Tezelfdertijd – misschien had hij daarom die extra inkomsten wel nodig – had hij een amoureuze affaire met een dame aan het hof, die vermoedelijk een minnares van de Zonnekoning was. Daarmee overspeelde de verliefde Groninger zijn hand. Om aan arrestatie te ontkomen, moest Henric (zie afbeelding) maken dat hij wegkwam.
Maar waarheen? Naar huis?
Dat laatste was allerminst vanzelfsprekend. Het was 1672, het ‘rampjaar’ in Nederland waar het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos was. Frankrijk had, mét Engeland en de bisdommen Munster en Keulen de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden de oorlog verklaard. De troepen van Lodewijk XIV marcheerden op tot Groningen.
Als Piccardt daar in 1672. kort voor het beleg van Groningen, aankomt, wordt hij, ondanks de goede naam van zijn vader, die inmiddels predikant in Groningen was geworden, in de boeien geslagen en in de gevangenis van de Poelepoort opgesloten. Men verdenkt hem ervan vóór de Fransen te zijn,  maar men gelooft hem als hij dit ontkent.
In dezelfde gevangenis verblijft dan Oesebrand Johan Rengers, heer van Slochteren, die als bestuurder van diefstal en corruptie wordt beschuldigd. Deze Oesebrand zal acht jaar later de schoonvader van Henric worden als deze, 44 jaar oud, op 6 januari 1680 in het huwelijk treedt met diens dochter, de twintig jaar jongere Anna Elisabeth Rengers.
Vanaf dat moment gaat het met de carrière van onze avonturier bergopwaarts. Hij wordt ‘syndicus’, zeg maar ‘raadpensionaris’ of ‘voorzitter’, van de Ommelanden, dan al een eigen bestuursorgaan, waarbij zijn vriendschap met stadhouder Willem III – en latere koning van Engeland – zal hebben meegespeeld.
Hij wordt een man in bonis. Hij koopt Klein Martijn en niet lang daarna de Fraeylemaborg van zijn zwager Rengers. In 1694 laat hij samen met zijn vrouw in Harkstede een kerk bouwen
(zie afbeelding hieronder) met een zeer ruime grafkelder voor hen beiden, een studeerkamer met privaat voor hem zelf  en een cachot voor de landlopers en zwervers die er regelmatig werden opgepakt.
Om de bouw te kunnen bekostigen leende hij op 15 juli 1691 70.000 caroliguldens  van stadhouder Willem III met een hypotheek op de Fraeylemaborg.
Nadat het echtpaar Piccardt kinderloos was gestorven, verviel hun bezit aan een nazaat, Johan Piccardt, die door Maria Louisa van Hessen, de weduwe van stadhouder Johan Willem Friso, meteen gedwongen werd die 70.000 geleende guldens terug te betalen – geld dat hij niet had.  Zijn schoonmoeder, Helena van Leeuwen, de weduwe van de Venlose schepen Arnoldus van Couten, hielp hem uit de brand – over familie gesproken,….
De geschiedenis van Klein Martijn is, behalve een familiegeschiedenis, vooral een geschiedenis van koop en verkoop – boeiend en veelzeggend, maar voor ons van minder belang. Van meer belang misschien is  dat het landgoed in 1818 overging in de handen van jonkheer meester Johan Hora Siccama, controleur der belastingen in Groningen, en zijn vrouw Genoveva Maria Rengers van Farmsum. Zij breidden hun bezit uit met een school, een aardappelmeelfabriekje en een huis voor ‘verwaarloosde jongens’ die er heropgevoed moesten worden en een vak leren – alsof we ‘Veenhuizen’ al zien opdoemen.
Een succes werd die laatste onderneming niet, maar voor ons telt dat zulke gebeurtenissen in de familie van Gerrit Harms hun neerslag zullen hebben gehad.
En dan nog dit:  wie zich, overigens met steun van het internet – en bijvoorbeeld De geschiedenis van Scharmer Harkstede door K.G.Bos  – een dag of wat naar het verleden van dorpen als Harkstede en Scharmer verplaatst, heeft algauw een schitterende kaleidoscoop voor ogen die je niet alleen het dorpsleven in heel zijn kleur, geur  en sleur laat zien, maar ook de wijze waarop de grote, officiële geschiedschrijving daarin binnendringt. De gang van zaken rond Klein Martijn leert het ons.
Jammer dat diezelfde geschiedenis, groot of klein, onze Harm Gerrits voorgoed het zwijgen heeft opgelegd….

Onderstand

Door toedoen van de voorouders die we hierboven omschreven – en niet te vergeten: de koloniën in de Oost en de West die Nederland in de zeventiende eeuw schatrijk maakten – werd Groningen mét zijn Ommelanden na de vrede van  Munster in 1648 een welvarende deel van de nieuwe Republiek der Zeven Provinciën. De  borgen, op z’n Gronings, de grote landhuizen die rijke boeren of geslaagde kooplui uit de stad Groningen in de Ommelanden lieten bouwen, zijn er ook vandaag de dag nog het levende bewijs van. Als je de rijkdom van Nederland toen buiten Amsterdam en omgeving wilt zien, kom je hier, in het Hoge Noorden, ogen tekort.

Deelde onze Harm in deze welvaart? Het is een vraag die we onmogelijk met een volmondig ‘ja’ kunnen beantwoorden, maar kommervol waren zijn eerste jaren, denk ik, niet. In Scharmer en omgeving was sprake van een levendige economie. Er was daar, op het boerenland, in zijn tijd weinig armoe. Men werkte hard en kón er ook hard werken. Het vee gedijde op de rijke grond en iedereen besefte dat je alles aan jezelf – en God – te danken had. Een beroep op de overheid en haar ‘onderstand’, haar ‘sociale voorzieningen’, was er niet bij. Niemand kwam je tegemoet, hooguit een buur of een familielid. Deze nabuurschap was je enige steun in de rug als de nood te hoog werd, want geldgebrek, ziekte, kindersterfte, misoogst, ongeluk, rampspoed, kou en de dood waren vaste bestanddelen van het  bestaan. Schaarse feiten, huwelijk, kinderschaar, beroep en levensduur vertellen, hoe summier ook, zo’n verhaal ook over Harm Gerrits.


De Fraeylemaborg in Slochteren.

In zijn tijd drong zich een verandering op aan de manier waarop men in deze streken zijn brood verdiende. De veengronden leverden turf op. Al in de middeleeuwen was er sprake van ‘vervening’  zoals deze ontginning werd genoemd, maar in de zeventiende eeuw begonnen rijk geworden zakenlui uit Amsterdam, Utrecht en Groningen steeds grotere lappen grond te kopen. Veen was turf,  brandstof – energie, zeggen we tegenwoordig – en energie is geld. Veel geld. Een brede bovenlaag in heel Nederland is schatrijk geworden aan het veen uit de ‘koloniën’ ten Oosten van Groningen. Voor de mannen, vrouwen én zelfs kinderen die voor een habbekrats het werk voor hen deden, onder vaak barre omstandigheden de turf trapten en de plaggen staken, was het een hard labeur, zeker in de winter, ze werden meestal ook niet oud, maar voor de rijkaards in de steden was het pure winst. De luisterrijke Fraeylemaborg in Slochteren herinnert ook vandaag de dag nog aan deze voorspoed.

Niet alleen turf bracht de grond hier voort. Het fossiele verleden had meer schatten eeuwenlang bewaard, al wisten de toenmalige bewoners van niets. Het werd ons in 1959 duidelijk toen in Slochteren een ‘gasbel’ van 2800 miljard kubieke meter werd aangeboord. We zijn er tot op de dag van vandaag nog niet over uitgepraat.

God vrezend

Wie zich in de geschiedenis van dit land verdiept – zoals Bernard Slicher van Bath heeft gedaan – kan makkelijk in de verleiding komen de bevolking van de Ommelanden eigenschappen toe te dichten die altijd met de noorderlingen verbonden bleven, een stug, eigenzinnig, onbuigzaam en zwijgzaam volkje. Geen bourgondiërs, geen carnavalsvierders, geen lachebekjes, maar doeners, nuchter, praktisch, god vrezend en dwars, het zelfgestookte aardappeldestillaat als brandstof voor het lichaam en Gods woord voor de geest.

Het zijn globale karakteristieken, statistisch gezien misschien niet eens helemaal bezijden de waarheid, maar in hoeverre ze van toepassing zijn op individuen, of in  dit geval die ene mens, Harm Gerrits Kuipers, valt jammer genoeg niet te zeggen.

Je zou het willen weten, je zou hem willen leren kennen, niet eens zoals je soms een man – of vrouw – van vlees en bloed wilt leren kennen, maar zoals je vertrouwd kunt raken met een romanpersonage of een held in een film. Je ziet hoe hij is, je begrijpt hem, je identificeert je met hem – omdat je iets van jezelf in hem meent te herkennen. Maar als het om een levend mens gaat, kan het een kwelling zijn dat je hem niet naderbij kunt komen en hem hooguit als een vage schim (foto) door de Dorpsstraat van Scharmer ziet lopen. Als vanzelf kleurt je verbeelding het plaatje in, maar je wilt geen verbeelding, je wilt de werkelijkheid – jouw werkelijkheid want die is meer van jou dan je fantasie.

Je wilt je je verleden toe-eigenen omdat je je zonder dat verleden maar een half mens voelt, doorsnee en anoniem, net als alle andere eenvoudigen van geest, alle andere turfstekers, bakkers, smeden, kruideniers en keuterboeren – die je voorouders waren.

Het internet

Je bent zoveel generaties later geen stap verder gekomen en je zou dat onrecht het liefst ongedaan maken, maar je wilt niet liegen en je wilt zeker geen fantast zijn. Helaas laat de geschiedenis zich niet naar haar hand zetten. Het is als met een foto die je neemt: wat er niet op staat, krijg je er niet meer op, ook niet als je hem met alle eigentijdse technische middelen die je ter beschikking staan, manipuleert.

Wat ontbreekt, ontbreekt voorgoed. Zoeken naar het ontbrekende verdrijft de fantoompijn niet. Het verhevigt die pijn. Door je onmacht en de schuld die in je calvinistische genen zit.

Geschiedenis is altijd onvolledig, onaf, we weten het. Misschien is geschiedenis zelfs wel een dwaling. Maar je kúnt niet zonder. Ik kan niet zonder. Ik zou  het verleden graag laten rusten – zoals ik mijn  onbekende voorouders laat rusten in hun graf – maar ik kán het niet. De drang om te weten wordt met het klimmen der jaren alleen maar sterker. Lang bekommerde ik me niet om mijn geschiedenis. Geschiedenis, dacht ik, is zoveel groter dan de lotgevallen van een handvol familieleden die je als je voorzaten beschouwt.

Ik zou het zijn blijven denken als ik niet héél toevallig – op zoek naar iets héél anders – op het internet het graf van een verre voorzaat had gevonden. Een godsgeschenk. Een teken.

Sindsdien zoek ik gericht verder en vind ik allengs meer bruikbaar materiaal.
Dankzij de genealogie online die in Nederland (en in Amerika) in korte tijd een ware rage is geworden, wordt mijn speurtocht aanzienlijk vergemakkelijkt. Ik bedoel maar: ik hoef niet voor elk wissewasje de deur uit en her en der archieven in.

De digitalisering van het verleden is een stap op weg naar een eeuwig ‘nu’ dat straks misschien een hemel op aarde zal blijken te zijn.

Daar, in dat nog onvoltooide paradijs, ontmoette ik mijn oudst bekende stamvader, de aartsvader van mijn familie, Harm Gerrits Kuipers, een ‘boereknegt’,  met aan zijn zijde zijn geliefde, Jantje Meeuwes Pesman, een ‘kasteleinsche – het zijn mijn Adam en Eva.

Met hen begon voor mij Genesis opnieuw.

LEES VERDER