Op de treeplank van de tijd

Op de treeplank van de tijd – naar het woord van Lucebert – is de geschiedenis van de familie Kuipers die in de achttiende eeuw met boeren – én een kroegbaas – in de Groninger ommelanden begint en verder gaat in de kolonie Veenhuizen waar in 1823 een voorvader onderdirecteur wordt. Rond 1900 verlaten Harm Reindert Kuipers en Frederika Jacoba Bennink het verarmende Drenthe om in het Ruhrgebied hun geluk te beproeven. Ze blijven Nederlanders. Daarom moet hun oudste zoon in 1919 naar Nederland om er soldaat te worden. Nadat hij is afgezwaaid, opent hij in Utrecht zijn eigen carrosseriebedrijf. Hij trouwt er in 1936 met de Duitse Maria Wilhelmina Hildebrandt – ‘Mieze’ – en krijgt met haar acht kinderen.

 

  1. Een wieg in de Ommelanden
    2. Boerenvrijheid
    3. Een rijke en vruchtbare bodem
    4. Naar Veenhuizen
    5. De daders liggen op het kerkhof
    6. Het was oorlog
    7. Hallo overoveroveropa
    8. Een familie van naamlozen
    9. Opstand der schippers
    10. Een leger van havelozen
    11. ‘Handoplegster’ en ‘strijkster’
    12. Arbeidsmigratie
    13. Van Duitsland terug naar Nederland
    14. Ondernemingslust in Utrecht
    15. Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen
    16. Oorlog
    17. Bevrijding

 

 

Deel 1 – Een wieg in de Ommelanden

 

Het is allemaal waar wat de filosofie zegt: het leven moet
achterwaarts worden begrepen. Maar dan vergeet men de
tweede zin: dat het voorwaarts moet worden geleefd.
SøREN KIERKEGAARD: SAMLEDE VAERKER, 1843.

 

 

In 1753 wordt in Scharmer Harm Gerrits Kuipers geboren. Hij is de oudst bekende stamvader van de familie waarvan hier de geschiedenis wordt verteld.

Waar ligt Scharmer?

Scharmer ligt tussen Harkstede en Kolham in de provincie Groningen. Het is een van de dertien dorpen in de gemeente Slochteren. Ze ontstonden ten oosten van de stad Groningen op een zandrug uit de Weichsel-ijstijd, een koude-periode die duurde van 12.500 tot 10.000 jaar voor Christus. We hebben er ook de Hondsrug in Drenthe aan te danken.

JUFFERTOREN IN SCHILDWOLDE UIT 1666

Behalve die zandrug heeft deze ijstijd nog andere sporen in het Groninger land achtergelaten, zoals pingo’s en keileembulten – waarop de bekende juffertorens werden gebouwd.

Juffertorens – er zijn er drie in het Groninger land – herken je aan hun hoge, smalle, van baksteen gemetselde spitsen die als geslepen potloodpunten omhoog wijzen. Ze heten ‘juffers’ – en dat klinkt haast romantisch alsof ze hun naam ontlenen aan de sagen en legenden die in de loop van de tijd om hen heen geweven zijn, maar de werkelijkheid is  nuchterder: ‘juffers’ zijn ‘dennenstammen’ waarop de torens lijken.

Pingo betekent ‘kleine heuvel’. Het is een woord uit het inuktitut, de taal van de oorspronkelijke bevolking van Canada, de inuit.

Pingo’s ontstonden door bevriezend of bevroren water in de tijd dat de bodem hier altijd bevroren was, de tijd van de permafrost. Hun kern is een lensvormig lichaam van zuiver ijs.

Pingo’s konden uitstulpen tot heuvels van wel negentig meter hoog. Of ze werden gaten, water, ven, meer, bronnen van gletschers zoals men lang gedacht heeft.

Scharmer, of Scháármer, zoals de Groningers zeggen, komt voort uit het oud-Germaanse woord ‘skiramere’, dat ‘helder water’ betekent.

‘Skiramere’, ‘juffertorens’, ‘pingo’s’ – die woorden alleen al roepen een rijk geologisch en cultureel verleden op dat je vandaag de dag – als je goed kijkt – nog aan dit Groninger land kunt afzien.

Heb je iets aan die kennis als het om je familie gaat?

Misschien.

Misschien ook niet.

Wat zegt het ons dat uitgerekend onze oudst bekende voorvader, Harm Gerrits – Harm, Gerrits zoon – in Scharmer het levenslicht aanschouwde? Hoe zag zijn wereld eruit? Had hij als jongen al oog voor zijn geboortestreek, wist hij van die zandrug, die pingo’s en die torens die ze ‘juffers’ noemen? Heel waarschijnlijk is dat niet. Vermoedelijk had hij andere dingen aan zijn hoofd en beperkte zijn speelruimte zich tot de huizen van Scharmer, de paar boerderijen in de omgeving, de kerk, de bakkerij, de slagerij, de smederij en de werkplaats van de timmerman, en liep hij soms naar het water van de Scharmer Ae waarover schepen de Groninger turf tot in het verre Hamburg vervoerden. Of was dat pas later?

Speelde Harm op straat, waren er kinderen met wie hij knikkerde, hoepelde en kattenkwaad uithaalde? Misschien had hij daar helemaal geen tijd voor. Kinderen werkten al jong met de volwassenen mee en gingen soms naar school. Er was óók in dit afgelegen gebied tussen Groningen en het Duitse Ost-Friesland in de achttiende eeuw sprake van onderwijs, al was het vaak een zootje, niet in handen van de overheid, maar van de kerk. In Scharmer en Harkstede is in 1595 al sprake van een ‘schoolmeester’ en dus van een ‘school’. Hoe het op die scholen toeging weten we enigszins. Verheffend was het niet. De ‘praktijk’ stond voorop. We komen er op terug.

Dorpsomroeper

Wat wist onze Harm? Hoe zag hij eruit? Hoe stak hij in elkaar? Wat stond hem voor ogen als hij aan zijn toekomst dacht? Hoe onderging hij zijn dagelijkse plichten? Wat dééd hij? Wat drong er tot hem door van alles wat de volwassenen voor hem bekokstoofden?

We weten het niet. Althans, we weten niet wat we zouden willen weten, maar we weten wél iets, al is het weinig.

Harm zal niet geweten hebben dat zijn wieg op bijzondere grond stond. Hij kón dat ook niet weten, denk ik, ook al omdat hij nauwelijks vergelijkingsmateriaal had, maar we kunnen er met een gerust hart vanuit gaan dat zijn kennis groter was dan wat hij dagelijks beleefde.


KLOOSTERKERK IN SCHARMER, KORT VOOR DE AFBRAAK IN 1824.

Cultuuroverdracht was voor hem, in die besloten wereld, nog zonder de nieuwsmedia die wij kennen – hooguit een dorpsomroeper – van een totaal andere orde dan voor onze kinderen die al voordat ze zelf een stap hebben kunnen zetten de halve wereld zijn overgevlogen – en vermoedelijk hun eigen land nooit meer leren kennen. Maar Harm kreeg thuis en op school  over het verleden en zijn eigen dorp te horen. Verhalen. Die moeten er altijd zijn geweest. Verhalen van de dorpsonderwijzer, van ooms en tantes, van grootouders, van vader en moeder. Verhalen. Wat zij hadden meegemaakt. Hoe het vroeger was. Van wie hij afstamde. Wie de ouders van zijn opa en oma waren.

Het was het oeroude verhaal dat wij kennen. En Harm, de zoon van Gerrit, gewon Gerrit, en Gerrit de zoon van Harm, gewon Harm en Harm, de zoon van Gerrit gewon…

De bijbel wás er, in elk huis, en hij wérd gelezen.

Harm Gerrits was, zoals zijn hele familie, zeg ik maar op goede gronden, Nederlands Hervormd – niet Gereformeerd – de godsdienst die na de Reformatie heel het Groninger land in de armen sloot – op een paar enclaves na die rooms-katholiek bleven. Daardoor staat vast dat hij werd gedoopt, op zijn zeventiende of achttiende belijdenis deed en een paar jaar later trouwde. Want niet alleen de Nederlands Hervormde kerk moest in stand gehouden worden, ook de familie – hoe dan ook. De familie was de weg, de waarheid en het leven, heden, verleden en toekomst inéén. Familie was als de natuur.

Blut und Boden

Die achtergrond van dagelijkse ervaringen, opgerekt en verbreed door godsdienst en onderwijs, maakt het zeer onwaarschijnlijk dat Harm Gerrits zijn verleden niet op een bepaalde manier al vroeg kende. Iedereen in zo’n dorp kende het. Misschien de nederigsten en armsten niet, maar Harms familie behoorde niet tot nederigsten en armsten. Zij hadden het redelijk goed. Daar mogen we op grond van de schaarse gegevens gerust vanuit gaan.


HAVEN VAN HARKSTEDE EN SCHARMER EIND NEGENTIENDE EEUW

De invloed van het land, zeg maar: van moeder aarde en de dwingende aanwezigheid van de bloedverwantschap zou een primitief, al te primitief beeld kunnen oproepen van de Boden waarop het Blut van deze  sibbe is gaan stromen.

Blut und Boden – je  moet er niet aan denken. Toch kun je er als ontwikkelde, vrije eenenwintigste-eeuwer niet omheen dat er een verband is tussen de plaats waar je geboren wordt, het land, de stad of het dorp, de arbeidsomstandigheden ter plaatse, het klimaat, het dagelijkse leven, de taal (het Gronings) en de manier waarop mannen, vrouwen, kinderen, buren en gezagsdragers elkaar bejegenen en elkaar – al dan niet uitgesproken – de les lezen als het erom gaat hún waarden en belangen te benadrukken.

De historicus Bernard Slicher van Bath heeft die samenhang voor ons, voor, in en na de Tweede Wereldoorlog uit zijn – toen nog volop levende – fascistische context los getornd en in het juiste licht geplaatst. Hij ging het platteland op omdat hij de geschiedenis wilde schrijven van de mannen en vrouwen – én kinderen – die met hun arbeid een belangrijke bijdrage aan de vooruitgang in Europa hadden geleverd: de boeren. Slicher van Bath vond ze als mens én als geschiedschrijver belangrijker dan de helden van de traditionele geschiedschrijving, de stichters van hertogdommen, graafschappen en koninkrijken die met hun veldslagen, oorlogen en veroveringen de voornaamste plaats in de annalen en kronieken toebedeeld kregen.

 

TERUG NAAR DE VOORPAGINA

Zie voor de andere
delen dit overzicht

Op de treeplank van de tijd, de titel van dit familieverhaal, is afkomstig uit
het gedicht Trajekt van Lucebert,
Verzamelde Gedichten, De Bezige Bij, 2002, p.542.