Op De Treeplank Van De Tijd

 

 

 

Deel 3 Uit het veen naar de kolen – zie ook Deel 1 en Deel 2

DE DRENTSE HOOFDVAART IN SMILDE OMSTREEKS 1910

 

Om u een der vele dingen welke op mijn ontdekkingstochten mij iets nieuws te zien en te voelen gaven, te noemen, zal ik u vertellen hoe men hier bv. schuiten ziet door mannen, vrouwen, kinderen, witte of zwarte paarden getrokken met turf geladen, midden in de hei…..

VINCENT VAN GOGH, Een leven in brieven, september 1883.

 

 

e weten niet of Gerrit en Tietje opgetogen naar Veenhuizen vertrokken. We weten alleen dát ze gingen en op vrijdag 18 juli 1823 aankwamen.

Het was een lange dag voor vader, moeder en de vier kinderen. Het vertrek uit Scharmer viel hun zwaar. De reis was geen pleziertocht. Vermoedelijk gingen ze per trekschuit, een afstand van rond de 45 kilometer, algauw een uur of tien varen. Een hele zit.

De trekschuit (afbeelding onder) was toen het meest gebruikte vervoermiddel. Zeker in het waterrijke Noorden. Men verplaatste zich er graag mee. De trekschuit was zo vanzelfsprekend dat hij de komst van trein en tram in Nederland lang heeft opgehouden. De wet van de remmende voorsprong.

Vader en moeder hadden alle tijd om te overdenken waaraan ze begonnen waren. Het was niet weinig wat hun te wachten stond. Een nieuwe baan, een nieuwe boerderij, een flinke lap grond, een moestuin, een varken, een koe en een nieuwe school voor de kinderen – allemaal aanwinsten die ze aan de Maatschappij van Weldadigheid te danken hadden.

In het archief van het Gevangenismuseum in Veenhuizen kom ik vader Gerrit voor het eerst tegen. Hij is dan 34.

Gerrit Harms Kuipers, geboren op 20-02-1789; plaats van herkomst: Scharmer; godsdienst: Herv.; aangekomen op 18-07-1823; ingeschreven in Veenhuizen als ambtenarenvader.

Ingeschreven als wonende op hoeve: 35 (inv.nr. 997); 57 (inv.nr. 998); 69 (inv.nr. 998).

Bijzonderheden:
Op 18-07-1823 bij engagement onderdirecteur Veenhuizen I ‘Buiten’. G.H. Kuipers was onderdirecteur Veenhuizen I ‘Binnen’, later ook fungerend wijkmeester en verdiende f 4,– per week, als onderdirecteur verdiende hij f 9, 615 per week. Salarisstaten 01-04-1827 en 15-07-1832. Veenhuizen I ‘Buiten’ onderdirecteur G.H. Kuipers f 500,– per jaar in zilver.

Het is het enige document dat ik over dit verre verleden van de familie Kuipers heb gevonden. Ik ben er erg mee in mijn sas. Het is alsof uit deze dorre ambtelijke notitie een levend mens oprijst die ik al heel lang had willen ontmoeten, een ontmoeting overigens, die meer vragen zou oproepen dan ik kon beantwoorden.

Het begint, denk ik, met de vraag waarom Gerrit en Tietje het vertrouwde Scharmer verlieten om naar Veenhuizen te verkassen.

We weten dat de Maatschappij van Weldadigheid om personeel verlegen zat. Overal in het land waren gezagsdragers op de hoogte gesteld. Ook in de omgeving van Gerrit en Tietje, in Groningen en Drenthe, was het nieuws over de kolonie verspreid. Men had behalve arbeiders leidinggevenden nodig en die waren niet zo maar voorhanden.

Het werkvolk was geen punt. Dat kon door gemeenten worden ‘opgezonden’. Die raakten zo hun lastige klanten kwijt. Maar personeel moest willen, en bovendien: het werk áán kunnen.

Om de geschikte mensen te krijgen had de Maatschappij van Weldadigheid geregeld dat gegadigden overal in het land schriftelijk in Den Haag moesten reflecteren. Daar zetelde de Permanente Commissie, het dagelijks bestuur van de Maatschappij. Gerrit schreef de hoge heren een sollicitatiebrief en werd als onderdirecteur in Veenhuizen aangesteld. Een alleszins redelijk salaris plús een boerderij lachten hem toe.

Er werd nog volop gebouwd

 

 

 

 

 

 

 

 

 


ALLEEN HET EERSTE GESTICHT IN VEENHUIZEN WAS KLAAR….

Gerrit en zijn gezin behoorden tot de eerste employés die in het lege boerenland rond Veenhuizen arriveerden. Van ver zagen ze al dat er nog volop gebouwd werd. Aan de totstandkoming van de drie ‘gestichten’ werd tussen 1823 en 1825 nog hard gewerkt. Ook de andere gebouwen en de nieuwe boerderijen – die in vele gevallen de oude vervingen – waren nog niet af.

In juli 1823 (zie afbeelding) was alleen het Eerste Gesticht klaar, Veenhuizen I. Ook een paar boerderijen waren al gereed. Een daarvan, hoeve 35, was voor de onderdirecteur en zijn gezin.

Er werd in Veenhuizen niet alleen gemetseld, getimmerd en geschilderd, ook het omringende land werd op de schop genomen. Men was begonnen met het graven van een brede, kaarsrechte trekvaart die de nederzetting voor de scheepvaart moest ontsluiten. Ook vandaag de dag accentueren deze kanalen nog de leegte en – ’s winters – de haast onmenselijke kaalheid van dit gebied met zijn uitgestrekte, wonderschone heidevelden zoals het Fochteloërveen.

Haaks op de trekvaart werden in noordelijke richting zes afwateringskanalen gegraven, die ‘wijken’ – soms ‘inwijken’ – werden genoemd. Ze lagen exact 750 meter uit elkaar. Aan de inrichting van de kolonie lag een strak geometrisch plan ten grondslag. Ook in zuidelijke richting wilde men zulke ‘wijken’ graven, maar dat ging wegens geldgebrek niet door.

Het Eerste Gesticht – het huidige Gevangenismuseum – was (en is) een groot vierkant gebouw, opgetrokken rond een binnenplaats van exact 125 bij 125 meter. Het moest vijftienhonderd weeskinderen herbergen. Daarvan werd Gerrit onderdirecteur, eerst ‘buiten’, later ‘binnen’.

Ik weet niet wat die omschrijvingen inhouden, maar ik ga ervan uit dat hij in die laatste functie medeverantwoordelijk was voor het welzijn van de kinderen. Hij werd hun ‘vader’, hij heette dan ook ‘ambtenarenvader’. Het was deel van de opzet. Veenhuizen was een ‘sociaal experiment’. Het klinkt vriendelijk – net als de titel van Gerrit – maar er zijn te veel klachten van weeskinderen bekend om van louter liefdadigheid te spreken.

Na verloop van tijd werd Gerrit ook ‘wijkmeester’, opzichter van een of meer ‘wijken’, het boerenland tussen de afwateringskanalen, waar landbouw en veeteelt de kolonie in de vaart der volkeren moesten opstoten.

Welvarende opa’s en oma’s

Wie tegenwoordig Veenhuizen bezoekt, wandelt door de goed bewaarde, oorspronkelijke architectuur rechtstreeks het verleden in. Het kost je geen enkele moeite je het leven hier in de negentiende eeuw voor te stellen, hoezeer de omstandigheden ook zijn veranderd.

Gevangenen zijn er nog steeds in Veenhuizen, maar wezen, bedelaars en arme gezinnen tref je niet meer aan. De aanblik van al die welvarende opa’s, oma’s en vaders en moeders met kinderen en kleinkinderen die tegenwoordig het museum aandoen, staat in schril contrast staat met de indruk die je binnen krijgt van de mannen, vrouwen en kinderen die in de gestichten gehuisvest waren.

VERPLEEGDEN IN VEENHUIZEN AAN DE MAALTIJD. FOTO GEVANGENISMUSEUM

 

‘Verpleegden’ heetten ze, die mannen, vrouwen en kinderen. Wáren zij er al toen Gerrit en zijn gezin zich er meldden? Vermoedelijk wel. Gemeenten konden niet wachten tot ze hun bedelaars, landlopers, arme gezinnen en wezen hadden geloosd. In groten getale kwamen de armoedzaaiers naar dit ‘Siberië van het Noorden’, zoals het algauw in de volksmond ging heten.

Ze kwamen uit alle windstreken, die ‘verpleegden’, zelfs uit het nabije Duitsland. De stads- en dorpsbesturen in Nederland wilden maar wat graag van ze af. Het waren in hun ogen uitvreters en lastpakken die soms ook nog eens van de ‘onderstand’ leefden – de bijstand van toen. Ze hadden geen rooie cent te makken en waren de gezeten burgers een doorn in het oog – een houding die onze liberale middenklasse ook heden ten dage nogal eens aan de dag legt als het gaat om Nederlanders met een Marokkaanse of Turkse achtergrond, ‘die mensen’.

Tien jaar na Gerrits aankomst in de kolonie, in 1833, telde Veenhuizen 4.387 inwoners. Van hen waren er 2.015 wees en 1.825 bedelaar. Sommigen van hen leefden in gezinsverband, 418 van hen in ‘arbeidersgezinnen’, 174 in ‘bedelaarsgezinnen’ en 394 in ‘veteranengezinnen’ – gezinnen van oud-militairen. Er waren 72 inwoners, onder wie Gerrit en zijn gezin, die een grote hoeve bewoonden. Ook de ambtenaren en hun gezinnen, 289 ingezetenen, beschikten over een eigen woonruimte.

De meeste inwoners waren dus armoedzaaiers, ja, maar viel dat hún te verwijten? Voordat ze naar Veenhuizen waren gestuurd, hadden ze veelal geen dak boven hun hoofd gehad, en ook geen werk, maar daarom waren het nog geen boeven. Dat gold voor de volwassenen, maar hoeveel méér ging dat niet op voor de weeskinderen, die het toch ook niet konden helpen dat hun vader en moeder overleden waren?

Slechte lichamelijke conditie

Voor de bestuurders van Veenhuizen was de geestelijke nood van de verpleegden niet hun voornaamste zorg. Belangrijker was de slechte conditie van de nieuw aangekomenen. In de meeste gevallen waren ze te zwak voor het zware werk dat binnen of buiten in het veen en op het land in de wijken verricht moest worden.

Dat was een bittere tegenvaller. Men had gerekend op een flinke hoeveelheid arbeidskracht, simpele, maar potige lui, noeste werkers, die wel tegen een stootje konden, geen zooitje wrakken. Men had gedacht met sterk volk ijlings de woeste gronden te kunnen ontginnen en veel geld te verdienen, maar met deze scharminkels en stedelijke bleekneuzen zat dat er niet in.

Tot overmaat van ramp realiseerde men zich wat het in de praktijk betekende dat Veenhuizen niet mocht concurreren met bedrijven in het westen van het land. Dat was heel nadrukkelijk met de overheid afgesproken. De kolonie mocht met haar producten en prijzen Hollandse ondernemingen niet in de wielen rijden. Ze mochten in Veenhuizen niet harder of goedkoper werken. Dat was een voet op de rem als het ware – een desastreus uitgangspunt. Het zal dan ook niet verbazen dat de Maatschappij na zeven magere jaren, in 1830 al, bij de Rijksoverheid moest aankloppen voor een geldlening.

Deze gang van zaken – waarin geen verbetering optrad – had grote invloed op het dagelijkse leven in de kolonie. Het zal de verpleegden niet ontgaan zijn dat hun sobere maaltijden er bepaald niet smakelijker op werden. Misschien heeft Gerrit weleens klagers aan de deur gehad die hij erop gewezen zal hebben dat ze geen verbetering hoefden te verwachten zolang de kolonie te weinig geld opbracht.

Ook hij – en Tietje – zullen zich zorgen hebben gemaakt, misschien minder over de maaltijden dan over de wedde of het traktement van Gerrit, maar zij lieten zich niet uit het veld slaan. Hun ononderbroken gezinsuitbreiding is het bewijs, hoewel…. Gingen ouders onder de barre omstandigheden van de Tweede Wereldoorlog ook niet gewoon door met het verwekken van kinderen?

Belangrijker was – denk aan de oorlog – dat Gerrit en Tietje een boerderij hadden. Altijd te eten.

Ja, die boerderij. De eerste was nummer 35, later verhuisden ze naar nummer 57 en nummer 69. Waren die groter? Meer land? Dan boerde de familie goed terwijl Gerrit als onderdirecteur ook nog eens een goed salaris verdiende. Vijfhonderd gulden in zilver ’s jaars.

Hoeveel dat in zijn tijd waard was, is voor ons moeilijk na te gaan, maar we weten dat een arts in Veenhuizen toen 700 gulden in zilver ’s jaars verdiende. Een gulden was voor Gerrit en de dokter evenveel waard als 19,53 euro voor ons.

Maar… er zat een addertje onder het gras. In de overeenkomst van Gerrit met de Maatschappij van Weldadigheid was vastgelegd dat een employé zoals hij, die ‘eene geldelijke verantwoording’ had, een borgsom moest storten alvorens te kunnen worden aangesteld. Dat geld werd geconfisqueerd als Gerrit er een potje van maakte en de kolonie schade berokkende.

‘Verregaande neglisentie’

Ik kan me niet voorstellen dat Gerrit zulke snode plannen koesterde. Maar de mens is onberekenbaar. Er wáren ‘kolonisten’ die over de schreef gingen.

Gerrit Kuipers had als ‘onderdirecteur buiten’ van 1826 tot 1839 zitting in een van de tuchtraden van de Maatschappij, de Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen. Andere tuchtraden waren: de Raad van Tucht voor Arbeidershuisgezinnen en de Raad van tucht voor Bedelaarskolonisten. De tuchtraden beoordeelden misdragingen en overtredingen van verpleegden.

De raad van Gerrit bestond uit de adjunct-directeur van de kolonie, de onderdirecteur buiten (hijzelf dus), de onderdirecteur binnen, twee ‘zaalopzieners’ en de boekhouder binnen, die als secretaris optrad. Vanaf 2 januari 1836 was een van de zaalopzieners Martinus van der Mey de Bie, een schoonzoon van Gerrit Harms Kuipers.

Wat de raad aan overtredingen en schandalen af te handelen kreeg, is bewaard in het Drents archief. Sommige zaken zijn geboekstaafd in De bedelaarskolonie, een boek van Wil Schackmann over Ommerschans.

Zo werd op 7 maart 1826 de wijkmeester Oost bedreigd en geslagen en was er op 6 oktober 1828 een bedelaar uit Ommerschans wegens ‘desertie’ in Assen opgepakt. Hij was niet de enige.

Op 29 augustus 1829 werd een wees ervan beschuldigd een andere wees te hebben bestolen.  Op 5 september moesten een aantal ‘verpleegden’ zich voor ‘vegterij’ verantwoorden. Ook ‘aanhoudende onreinigheid’ kwam veel voor, evenals ‘ongehoorzaamheid jegens de zaalopziener’. 

Behandeld werden voorts onder meer: ‘stelen kluw breygaren uit de fabriek’, ‘stelen sayet en doorverkopen aan Joseph Groen’, ‘4,95 gulden gestolen van J.G.van den Bregge’, ‘zonder permissie naar Groningen voor inlijving’ – in het leger, ‘boomschending in bos Norg’ – vele malen, ‘stelen ingekuilde wortelen uit de tuin’ – eveneens vele malen en ten slotte om de eindeloze opsomming van ‘wandaden’ enigszins beperkt te houden: ‘diefstal broden uit de broodkar’.

Ik denk dat het (ruim voorhanden) bewakingspersoneel in de koloniën zijn handen eraan vol had.

Hoe een aangifte in de praktijk verliep, wordt duidelijk in een brief van koloniedirecteur Visser op 28 november 1825 aan de Permanente Commissie in Den Haag, waar misstappen gemeld moesten worden. Verhelderend voor de ‘verregaande neglisentie’ waarover in de brief  wordt gerept, is het bijgesloten proces-verbaal:

Van de Heer Adjunkt Direkteur Harloff heb ik ontvangen nevensgaand stuk, houdende beschuldigingen door den onder Dir. en wijkmeester van kol. N5 tegen den hoevenaar Bakema en deszelfs vrouw, als zich te hebben schuldig gemaakt aan verregaande neglisentie in de uitvoering zijner pligten, verontachtzamen der hun aanvertrouwde goederen en brutaliteit tegen gen. ambtenaren hunne superieuren:

Bijgevoegd proces-verbaal:

Op heden den drieentwintigste november des jaars eenduizendachthonderdenvijfentwintig hebben wij S. Bosscha onderdirekteur en E. van der Woude wijkmeester bij kolonie N5 bevonden dat ten huize en hoeve N13, bewoond door den bouwman IJ. Bakema de aardappelen ongedekt en voor alle weder bloot stonden, hier over genoemde Bakema onderhouden hebbende heeft hij gezegd zulks niet geweten te hebben en dat hij de aardappelen had laten dekken zonder daarna gezien te hebben.

Alverder hebben wij ondergetekende bevonden dat op gemelde hoeve het hooi rondom de hooimiet verslingerd en in de modder getrapt was en de koeijen voor de helft hooi om half twee uren des middags en overigens slingerde het hooi over de gansche deel zelfs met zoo eene ongeregeldheid dat zulks geen mensch met billijkheid konde aanschouwen zonder zijn misnoegen te kennen te geven.

Zoo hebben wij dan ook den genoemde Bakema zijne huisvrouw hierover onderhouden en hebben tot antwoord bekomen (Ik zal voor de bliksem Mijnheer Visser wel spreken) niets dan brutale uitdrukkingen. Zoo hebben wij haar bij den arm genomen om haar de fout aan te tonen, dan genoemde vrouw heeft niet opgehouden met brutaliseeren; zoo hebben wij Bakema bij of op het land zijnde daar van geinformeerd doch heeft hier op niet geantwoord.

Eindelijk hebben wij aan Bakema heden en ook vroeger gezegd dat hij dorsers moest nemen, uit hoofde hij geen enkelde Bos stroo voor zijn vee te voederen had, doch hebben van hem tot antwoord bekomen dat wij hem dorsers zouden geven of brengen.

Het bovengemelde naar waarheid opgemaakt zijnde verzoeken wij dit hier in volgens de bestaande reglementen der Maatschappij van Weldadigheid mag worden gehandeld.

Hallo overoveropa en overoveroveroma

De foto van de grafsteen met de naam van Tietje Harkema en ‘haren echtgenoot G. Kuipers’ heeft me nieuwsgierig gemaakt naar het kerkhof van Veenhuizen, de plaats waar dit tweetal alweer ruim anderhalve eeuw zijn bovennatuurlijke rust geniet. In een familie als de onze plegen ouders, grootouders en voorouders niet in graven, tomben of mausolea te worden bijgezet, maar domweg te verdwijnen, hun botten tot humus gefermenteerd of hun as verstoven in de wind. Daarom is dit graf bijzonder. Het bezoek is dan ook niet vrij van een lichte opwinding. Alsof ik straks Tietje en Gerrit niet onder een verweerde zerk zal aantreffen, maar thuis op hoeve 35, 57 of 69 en ik op de deur klop en roep: Hallo, overoveroveropa en overoveroveroma… hier ben ik dan eindelijk…, je weet wel, de zoon van Harm Gerrit….

HET KERKHOF VAN VEENHUIZEN, OOK WEL HET VIERDE GESTICHT GENOEMD…

Het kerkhof ligt op enige afstand van het dorp met zijn karakteristieke architectuur. Het laat zich nog niet zo gemakkelijk vinden, maar weggestopt lijkt het me niet. Verpleegden noemden het kerkhof het ‘vierde gesticht’, het laatste gesticht in de rij, waar ten slotte álle bewoners een plaats kregen…

De verrassing is groot. Na een flinke wandeling op de grens van bouwland, bos en hei betreed ik een haast voorwereldlijk oord. De natuur is er in de loop der jaren innig verstrengeld geraakt met de tijd en al stormt het op de dag dat ik er ronddwaal, tussen de graven hoor je slechts de peppels ritselen en eikels ploppen. De woudreuzen hier temperen de wind. Hooguit verstoort zo nu en dan een diepe zucht van boven de sluimer van de doden… This is how the world ends…

Gerrit en Tietje vind ik onder een opvallend grote steen, een teken, denk ik, dat ze aan het eind van hun leven in goeden doen waren. Tietje rust hier vanaf 1854, Gerrit voegde zich zes jaar later bij haar, en vanaf die dag, 14 november 1860, zijn ze op deze plaats samen, hetgeen me op een vreemde manier ontroert – alsof hun langdurige huwelijkstrouw een voorschot was op hun tijdeloze slaap.

Het graf van Gerrit en Tietje ligt in een lommerrijke hoek van de begraafplaats die een heel andere sfeer ademt dan een boomloos deel verderop, waar de verpleegden aan de aarde zijn toevertrouwd, naamloos, nummer geworden. Een uniform wit kruis markeert hún graven – als van gesneuvelden op een oorlogskerkhof.

GRAVEN VAN DE ‘VERPLEEGDEN’ IN VEENHUIZEN

 

In 1823 zijn voor Gerrit en Tietje De Dood en Het Laatste Oordeel nog ver weg. Er moet eerst nog een flink poosje worden geleefd, daar in die kolonie, onder die voor hen zo veranderde omstandigheden.

Vier kinderen zijn uit Scharmer meegekomen: Harm, bijna 9, Jantje en Aaltje, de tweeling, die net vier is geworden, en de kleine Sjouke, alweer bijna twee. Vijf jaar geleden is het alweer dat hun zusje Aaltje op bijna twee-jarige leeftijd is gestorven.

In Veenhuizen komen er nog eens vijf kinderen bij: Trijntje op 16 november 1823, Hillegien op 28 augustus 1825, Roelof op 16 december 1827, Johannes op 30 juli 1831 en Magdalena op 30 augustus 1833.

Negen kinderen – wat je noemt een zeer regelmatige gezinsuitbreiding die zich door de verhuizing niet heeft laten ontregelen.

Trijntje werd als eerste op de nieuwe hoeve geboren. Moeder was, weten we nu, zwanger tijdens de lange tocht met de trekschuit.

Ik zou van al die kinderen meer willen weten, hoe het was in Veenhuizen, hoe ze met de weeskinderen omgingen, of ze bang waren voor de mannen en vrouwen die hier waren opgesloten, of ze kattenkwaad uithaalden – of was dat in Veenhuizen met al die bewaking uitgesloten? – maar veel te vertellen heb ik niet. Ook van hún levens resten slechts de bekende data, die wel íets zeggen – over hun huwelijken en het aantal kinderen bijvoorbeeld – maar te weinig om ze als familie te leren kennen.

Toch zou je dat willen, ze als familie leren kennen. Een weergave van louter data over geboorte, huwelijk en dood geeft je geen beeld van hun leven zoals het wás. Het wordt geen verhaal. Het wordt niet jouw geschiedenis, geen deel van jouw leven.

Je zou je voorzaten allerlei vragen willen stellen, maar als je je daar al toe laat verleiden, antwoord krijg je niet. Je familie zwijgt. Je stamboom is een afgebroken tak, zonder twijg of blad, zonder geritsel of fluitende merels, een dooie tak, of om het in de taal van nu te zeggen: een verzameling data uit gedigitaliseerde archieven op het internet. Tijdgenoten met belangstelling voor genealogie grasduinen erin als koopjesjagers in de bakken tijdens de opruiming.

Soms heb je geluk, maar je wilt niet alleen data. Je wilt ménsen, gewone mensen, rare mensen, mensen met hun eigenaardigheden en hebbelijkheden, met hun rimpels en hun kale koppen, met hun warmte en hun wapenfeiten, mensen zoals je ooms en tantes bij wie je in je jeugd logeerde, mensen als je neefjes en nichtjes met wie je in vakanties speelde tot je een ons woog. Verwanten die je dierbaar werden – of niet!

Harm, Trijntje, Aaltje, Roelof en Hillechien  – jongens, wat zou ik jullie graag voor me zien als familieleden die mijn leven en vooral mijn kindertijd die geheel eigen onvervreemdbare geur en kleur hebben gegeven waardoor ik me thuis voelde, opgenomen in een geborgenheid die zich uitstrekt tot ver voorbij de eindigheid van je eigen dierbaren, tijdloos, grenzeloos…

Misschien wil je diep in je hart ook wel wraak nemen op de officiële geschiedschrijving die jou en je voorzaten zo verwaten negeert. Alsof wij er niet toe doen!

Misschien neem je het je voorgeslacht ook wel kwalijk dat het er nooit eens iemand in slaagde iets van belang te doen, iets wat beklijfde, iets wat op ánderen, buiten de familiekring, indruk maakte.

Een familie van naamlozen

Wat doe je eraan? Een familie van naamlozen. Het is je lot. Aanvaard het of geef ze alsnog een plaats in de geschiedenis. Ga op onderzoek uit. Ga kijken. Ga naar Veenhuizen. Stap rond in het drassige grasland van de wijken, waar zij met hun klompen zo vaak in weg glibberden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

WONING IN VEENHUIZEN. JOHANNES VAN DEN BOSCH LEGDE IN 1818 DE EERSTE STEEN.

 

Ik besluit in hun voetsporen te treden. Soppend in mijn high tech bergschoenen – dat is nog eens wat anders dan een paar houten klompen! – steek ik de weiden door naar hun woonstee. Tjonge, wat heb ik een geluk. Uitgerekend vandaag komen ze aan,  Gerrit, Tietje, Harm, Jantje, Aaltje en Sjouke. Vraag me niet hoe dit kan. Gods wegen zijn duister en ondoorgrondelijk – net als de klompenpaden in deze moerassige venen.

Het is juli, nog lang licht, maar de avond is gevallen. De landman gaat voor het laatst zijn hoeve rond. Het gezin moet al voor dag en dauw vertrokken zijn. Hoe laat ging de eerste trekschuit? Boeren zijn altijd vroeg uit de veren. Ik zie Gerrit hun nieuwe huis naderen. Hij haalt een sleutel tevoorschijn en opent de deur. Hij gaat naar binnen, maar is al gauw weer terug – een brede grijns op zijn gezicht, de pet naar achteren geschoven.

Hij wenkt zijn vrouw en kinderen en aarzelend komen die naderbij. Harm voorop, een grote knul al, oogappel van zijn vader, die hem meeneemt de hoeve in, alle kamers door, de deel op. De tweeling blijft bij moeder achter. Zuchtend is ze met haar dikke buik op een stoel gaan zitten, knoopt haar boezeroen open en geeft Sjouke de borst.

Na een poosje keren vader en Harm opgetogen weer. Die zien het wel zitten. Hier wordt iets groots verricht. Ze stralen het uit. Sterke mannen, die twee. Voortaan is dit hún plek.

Maandag al begint voor hen allemaal een nieuw leven, voor vader en moeder, maar vooral ook voor Harm die voor het eerst naar zijn nieuwe school gaat. Of was er al een zondagsschool? Voortaan sjouwt hij alle dagen van de week naar het Eerste Gesticht, waar hij mét de weeskinderen les in taal en rekenen krijgt. Kijk, daar, in de verte zie je het gebouw liggen… Daar moet hij heen.., elke dag, óók op zondag, als dominee tenminste al begonnen is….

Voor Johannes van den Bosch, de stichter van de kolonie, was onderwijs, goed onderwijs, noodzakelijk. Alle kinderen moesten leren, óók de allerarmsten. Onder invloed van de Verlichting was men er in zijn milieu van overtuigd geraakt dat scholing voor iedereen – juist ook voor de jongens en meisjes die daar tot dan toe van uitgesloten waren – van groot belang was, maar behoudzuchtigen in zijn kring hadden een andere opvatting: je moest het volk niet wijzer maken dan het was.

Modelschool

De progressiviteit van Johannes van den Bosch had grote gevolgen voor de jonge Harm die goed bleek te kunnen leren. Omdat zijn vader ‘ambtenaar’ was, kwam hij in aanmerking voor een opleiding aan de nieuwe landbouwschool in Wateren, de eerste in Nederland.

Wateren is een plaatsje in Drenthe, vlak bij de Friese grens, iets ten zuiden van Appelscha. Het was óók een kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid, die er in 1823 een experimentele landbouwopleiding begon.

Men pakte de zaken grondig aan. Er kwam een groot schoolgebouw met ruimte voor twee woonzalen en 70 leerlingen. Er kwamen woningen voor het personeel en er kwamen een washuis, een bakkerij en ten slotte een boerderij met loodsen, schuren en 25 koeien, 4 paarden en 400 schapen.

De school was een internaat. De leerlingen woonden er van hun veertiende tot hun twintigste. Het was de bedoeling dat zij in die zes jaar moderne boeren zouden worden, gepokt en gemazeld in de nieuwste landbouwmethoden, die ze op de boerderijen van de Maatschappij in praktijk zouden brengen.

Tot 1831 stond de school, ook wel ‘het gesticht’ of ‘de kweekschool’ genoemd, onder leiding van Kornelis Mulder, een Grunninger, die bij de progressieve hoogleraar Theodorus van Swinderen (foto) in Groningen had gestudeerd.

De naam van Van Swinderen leeft nog steeds voort. De hooggeleerde was zijn tijd ver vooruit. Hij maakte studenten, maar ook anderen onder wie overheidsfunctionarissen en ondernemers, vertrouwd met revolutionaire  onderwijsideeën die in het buitenland al opgeld deden, maar menigeen in Nederland volstrekt vreemd in de oren klonken. Van Swinderen was sterk beïnvloed door de Zwitserse filosoof Jean-Jacques Rousseau en de Zwitserse pedagoog  Johann Heinrich Pestalozzi die – net als bijvoorbeeld Jan Amos Commenius, Friedrich Fröbel en Maria  Montessori – het bestaande onderwijs volledig op zijn kop wilde zetten.

Die lust om te vernieuwen kenmerkte ook de houding van Pilipp Emanuel von Fellenberg, een adellijke heer, die in Hofwil bij Bern een ‘proefboerderij’ was begonnen waar jonge mannen uit alle windstreken een volkomen nieuwe pedagogische benadering konden leren kennen.

Een van die jonge mannen was Kornelis Mulder, de Grunninger. Toen hij in 1823 de eerste directeur van Wateren was geworden, zag hij zijn kans schoon om al het nieuwe dat hij in Zwitserland geleerd had, in Drenthe in praktijk te brengen. Dat ging hem goed af. Het ging hem zo goed af dat Wateren algauw de naam had een voorbeeldige landbouwschool te zijn. Maar bergen zijn er niet zonder dalen. Na acht jaar keerde het tij. Mulder werd directeur in Ommerschans en sindsdien ging het met Wateren bergafwaarts. De leerlingen werden goedkope arbeidskrachten. Ze moesten overdag biezenmatten vlechten en landarbeid verrichten en kregen alleen ’s avonds nog onderricht.

Harm, weten we, kwam in 1827 in Wateren aan. Het betekent dat hij Kornelis Mulder nog een aantal jaren heeft meegemaakt. De goeie tijd. Het zou interessant daar meer over te vernemen. Hoe Mulder wás, bijvoorbeeld?  Of de sfeer op school open was en vrij. Of de kinderen serieus werden genomen. Hoe gingen ze met elkaar om? Wat hielden die pedagogische vernieuwingen in? Hoe onderging Harm het studeren? Wát hij leerde. Kende hij de namen – en misschien de ideeën – van Rousseau, Pestalozzi en Fellenberg? Was de pedagoog Mulder een vader voor hem, boer én vader?

Met antwoorden op zulke vragen zou je Harm leren kennen – wat al heel mooi is – maar je zou óók een paar jaar lang het felle schijnsel van de Franse Verlichting in deze uithoek van Drenthe zien stralen.  

We komen Harm verderop in dit relaas nog tegen. Maar hoe zit het met de andere kinderen, broer Roelof en al die zussen, van wie we alleen de bekende data inzake geboorte, huwelijk en overlijden kennen en weer vraag je je af: wat heb je d’r an?

We zullen zien.

Veenhuizer echtverbintenissen

Van de oudste dochter, Jantje, weten we dat ze op 23 maart 1844 met Jannes Prakken trouwde. Jannes kwam uit Beetsterzwaag. Op de dag van zijn huwelijk was hij zowel timmerman als architect. Hij was toen 29, Jantje 24 jaar oud. Haar vader was onderdirecteur in Veenhuizen.

Wat heb je d’r an, behalve dat die twee beroepen van Jannes – architect én timmerman – voor ons misschien vragen oproepen. Kon een timmerman destijds ook huizen ontwerpen? Waarschijnlijk wel. Ook vandaag de dag komt dat voor. Vermoedelijk was Jannes wat wij tegenwoordig een aannemer noemen.

Jantjes tweelingzus Aaltje was al een paar maanden eerder, op 7 oktober 1843, met Hendrik Jacobs Roemer getrouwd. Hij was veenbaas van beroep. Jacob was vijf jaar ouder dan Aaltje. Hij overleed in 1879 – 64 jaar oud – in Smilde. Aaltje hertrouwde zes jaar later, 59 jaar oud, met de Smildenaar Pieter Wessemius die kort tevoren zijn vrouw verloren had. Die Pieter heeft geschiedenis geschreven. We komen hem nog tegen.

De kleine Sjouke die we nog aan moeders borst hebben gezien op de dag van hun aankomst in Veenhuizen, trouwde op 15 augustus 1857 met Albert Prakken, een broer van Jannes. Albert was pas 31 jaar oud, maar al weduwnaar. Hij was hoofdonderwijzer.

De beide Prakkens, de één timmerman, de ander onderwijzer, werkten allebei in Veenhuizen. Hun huwelijken waren typische Veenhuizer echtverbintenissen. Ook de voorplanting hield de kolonie in stand.

Ook Trijntje (1823) hield zich aan dit gebruik toen ze op 28 maart 1845 in het huwelijk trad met Martinus van der Meij de Bie die in 1823 in Den Haag geboren was en als boekhouder in Ommerschans werkte, óók een kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid.

Soort zoekt soort, zou je zeggen. Heel gewoon, toen evenzeer als heden ten dage.

In dit geval accentueert de partnerkeuze hoezeer Veenhuizen een gesloten gemeenschap was, een dorp op zich, op flinke afstand van van de buitenwereld. Des te groter is dan de verrassing als je ziet hoe bepaalde connecties tot in deze tijd voortduren.

Een voorbeeld ontleen ik aan het huwelijk van Margijn (Margje Kuipers), dochter van Harm Gerrits Kuipers en Jantje Meeuwes Pesman.

Margijn trouwde in 1813 – op dezelfde dag als haar broer, zoals we hebben gezien – met Willem Lammerts Heidema met wie ze zeven kinderen kreeg.

Een van hen, Lammert (1816), trouwde in 1844 in Veenhuizen met Maria Braxhoofden (1817). Maria was een dochter van Tobias Braxhoofden en Maria Coenen, die we kennen, goed kennen,  als we Het Pauperparadijs van Suzanna Jansen hebben gelezen, wat zeer veel mensen hebben gedaan, omdat – en hier komt het – honderdduizenden mensen in Nederland door Veenhuizen verre familie van elkaar blijken te zijn. Veelzeggend, hè?

Nou ja, noem het genealogisch gezien een grappig uitstapje, dan kunnen we nu weer verder met het verhaal van Gerrit en Tietje en hun kinderen.

We waren bij Roelof (1827) aanbeland. Hij trouwde op 23 augustus 1853 met Hinderkien (Hendrikje) Oosterveld en twee jaar later was het weer feest in deze Veenhuizer familie toen Hillegien (1825) op 12 september 1855 met Gerrit Wind uit Smilde in het huwelijk trad. Hillegien was 30 jaar oud, Gerrit 23.

Johannes ten slotte leefde maar drie dagen, van 15 juni tot 18 juni 1830 en Magdalena die krap drie jaar later het eerste levenslicht in Veenhuizen aanschouwde, werd niet ouder dan 26. Zij trouwde met een zekere Jan Tinholt uit Assen over wie ik niets te weten ben gekomen.

Het valt op dat deze Veenhuizer meisjes over het algemeen een goede partij deden. Trijntje met haar boekhouder, en Jantje en Sjouke met de jongens Prakken, die ook niet van de straat waren. Ze kwamen uit Opsterland, een deftig oord bij Beetsterzwaag, waar hun vader architect was. Hij is door de villa’s die hij voor de plaatselijke adel bouwde of vérbouwde, tot vandaag de dag bekend gebleven.

Een van die villa’s is het kapitale Eysinga-hûs in Beetsterzwaag (foto), dat uit 1718 stamt. Het werd in 1870 gekocht door de arts Theunis Klaas Prakken (1828), een broer van Jannes (1814) en Albert (1826). In 1929 bewoonde de dichter – en dokter – J.J. Slauerhoff dit statige huis.

Jannes was, net als zijn vader, architect en bovendien opzichter bij publieke werken. Van zijn drie zoons werden er twee eveneens opzichter – over zee, bij Rijkswaterstaat in Nederlandsch Indië. Claes, de oudste, overleed op 39-jarige leeftijd toen hij aan boord van het SS Princess Marie van Indië naar Nederland onderweg was. Ook de jongste zoon werkte in Indië.

Hillechien en Gerrit Wind kregen maar één zoon, Jan. Nadat Hillechien in 1851 gestorven was, hertrouwde Gerrit met Antje Hendrikdr. de Roos uit, jawel, Opsterland. Zij kregen samen negen kinderen.

Het zijn details die dit relaas enige kleur geven, maar het zijn – om het wat oneerbiedig te zeggen – rafels aan deze familiesaga. Ze maken geen deel uit van de voorstelling. Wat zou het niet mooi geweest zijn meer te hebben kunnen vertellen over een verblijf van verwanten in het negentiende-eeuwse Indië, de tijd van het tempo doeloe… maar eilacie, daarvoor moet je bij anderen wezen….

Eerste parlementaire enquête

Met Aaltje en Pieter Wessemius dient zich een oer-Hollands verhaal aan. Ze trouwden kort nadat Pieter zijn vrouw Alberdina Hartsuiker had verloren. Pieter was al op gevorderde leeftijd, hij was 71, maar nog niet aan het eind van zijn latijn. Een krachtig man, schipper én koopman, die pas in 1908, op 95-jarige leeftijd, overleed.

Tussen 1870 en 1895 was Pieter lid van de gemeenteraad in Smilde, waar hij, zoals wordt beweerd, geen blad voor de mond nam.

In 1851 werd hij tot één jaar gevangenisstraf veroordeeld omdat hij een ketting over het Zwolse Diep had stukgevaren, een daad die hem een bescheiden plaats in de vaderlandse geschiedenis verleende. Het was mede aan zijn dwarskoppigheid te danken dat Nederland in 1856 zijn eerste parlementaire enquête beleefde.

Pieter verzette zich in die tijd met andere binnenschippers tegen het uitgraven van het Zwolse Diep en de landaanwinning ter plaatse. De schippers vonden al dat werk helemaal niet nodig. Ze hadden er alleen maar last van en wisten bovendien zeker dat de revenuen hún neus voorbij zouden gaan.

Op de website regiocanon.nl lezen we:

In de eerste helft van de 19de eeuw was de monding van het Zwolse Diep sterk verzand. De schippers spraken zelfs spottend over het Zwolse Ondiep. Niet zonder reden: voor de diepliggende zeeschepen was de doorvaart naar de Zuiderzee een groot probleem. Zwolse kooplieden richtten daarom in 1841 de ‘Overijsselsche Vereeniging tot Ontwikkeling van Provinciale Welvaart’ op. Hun plan was twee lange leidammen in de Zuiderzee aan te leggen en het Zwolse Diep grondig uit te baggeren. Onderdeel van het plan was landaanwinning aan de kust bij Genemuiden. Men wilde dat proces versnellen door het aanplanten van biesvelden. Genemuiden had namelijk meer biezen nodig voor de nog steeds groeiende plaatselijke mattenindustrie.

De uitvoering van het plan bracht grote kosten met zich mee, wat alleen gefinancierd kon worden door het heffen van stevige tolgelden. De binnenschippers uit Genemuiden, Hasselt en Zwartsluis hadden daar grote bezwaren tegen. Veel van hun schepen hadden een kleine diepgang en konden het Zwolse Diep moeiteloos passeren. Zij voelden er daarom niet voor hoge tolgelden te betalen voor aanpassingen die vooral ten goede kwamen aan de eigenaren van de grotere schepen. En als ze al tol moesten betalen, dan zou niet het gewicht van de vracht, maar de diepgang van hun schepen bepalend moeten zijn.

Om hun belangen meer kracht bij te zetten, richtten de schippers van Zwartsluis in december 1849 een schippersverbond op, waarvan de Zwolse koopman en oud schipper Willem Jan Schuttevaer al gauw de leidende figuur werd. In 1863 besloten de leden de naam van het verbond te wijzigen in Schippersvereniging Schuttevaer.

Na de eerste heffingen van de tolgelden liepen de spanningen hoog op. Om betaling af te dwingen werd bij Genemuiden een ketting over het water gespannen. Uit woede zeilden Sluziger schippers die ketting stuk. Deurwaarders die de niet betaalde tol aan huis kwamen innen, werden gemolesteerd en het dorp uitgegooid. Ook in de andere plaatsen hadden de schippers bezwaren. Een veerschipper uit Genemuiden die de ketting ook kapot had gevaren, belandde in de gevangenis. Uiteindelijk kreeg Schuttevaer in 1862 voor elkaar dat het tolgeld naar diepgang werd geheven. Daar moest wel de eerste parlementaire enquête van Nederland (1856) aan te pas komen om dat te bewerkstelligen.

Die ‘Sluziger’ schippers waren de schippers uit Zwartsluis of Sluis (ook wel ‘Sluus’ genoemd), nu een mooi, oud stadje dat aan het eind van de achttiende eeuw de belangrijkste haven van Overijssel was, een ‘overslaghaven’. Goederen van over zee, van over de Zuiderzee – die toen nog geen IJsselmeer heette – werden daar op binnenschepen overgeladen. In 1795, leert ons een volkstelling, woonden er minstens honderd schippers in het kleine Sluus.

Langs het jaagpad

Om de betekenis van deze hoogoplopende rel – die als ‘de tolquaestie’ de geschiedenisboeken heeft gehaald – enigszins te kunnen begrijpen, moet je je het grote belang van de scheepvaart in dit deel van Nederland voor ogen houden. Er was voor het vervoer van mensen en goederen (turf vooral, maar ook kalk, schelpen, biezen en hout) geen enkel logistiek alternatief.

De binnenschippers bezeilden een ongelooflijk uitgestrekt gebied. Ze voeren tot aan de Zuiderzee, die nog in open verbinding stond met de Noordzee en de rest van de wereld, en ze voeren over de IJssel tot aan de Rijn, dé verkeersader van Nederland die ons land met Duitsland en heel het Europese achterland verbond.

Wie weleens in dit prachtige, waterrijke gebied heeft gezeild, zal zich afvragen hoe snel die zwaarbeladen boten eigenlijk voeren. Met wind mee zal het nog wel meegevallen zijn, maar hoe zat het bij weinig wind, of met tégenwind? Het was onmogelijk om in de nauwe kanalen en vaarten te laveren. Geen nood. Dan werden er paarden ingespannen met jongens erop of ernaast, ‘jagers’ geheten, die de schuiten op het ‘jaagpad’ langs het water voorttrokken.

In de Franse tijd (1795-1813) was er veel geld in de verbetering van de waterwegen gestoken. Ook, of misschien wel juist, in het waterrijke Oosten en Noorden van het land. In Drenthe werd de Smilliger Vaart uitgediept en verbreed tot Drentse Hoofdvaart, een omvangrijk werk dat in 1870 feestelijk werd voltooid. De nieuwe waterweg maakte het voor steeds grotere schepen mogelijk om van de Zuiderzee, Zwartsluis, het Zwolse Diep en het Meppeler Diep naar Assen en het Noord-Willemskanaal te varen.

Het kostte een lieve duit, al dat gegraaf, zo’n 200.000 gulden, maar met de verkoop van grond langs de Hoofdvaart werd deze investering dubbel en dwars terugverdiend. Men schatte de opbrengst op ruim 700.000 gulden.

We spreken, dat is duidelijk, over een andere tijd. Je moet er enigszins in thuis zijn om te kunnen navoelen waarom het protest van de schippers zoveel gewicht in de schaal kon leggen dat een parlementaire enquête noodzakelijk werd.

Over de zaak werd heftig gepolemiseerd, in de kranten en, zoals gebruikelijk in die tijd, door middel van snel gedrukte brochures.

Wie deze stukken leest, kan gemakkelijk verzanden in de oeverloze hoeveelheid details omtrent vracht, waterstromen en diepgang, maar wie daar – wat lichtvaardig misschien – overheen stapt, hóórt wat deze schippers te vertellen hebben over hun kennis, ervaring, deskundigheid en liefde voor het water, dat ze vaak als kind al- mét al zijn levensgevaarlijke grillen – leerden kennen.

De brochure die Pieter Wessemius in 1849 over de ‘Tolquaestie van het Zwolsche Diep’ schreef, is op dat punt in geen enkel opzicht verouderd. Zijn leven lang, vertelt Pieter ons, heeft hij op het Zwolse Diep gevaren. Hij kent het water als zijn broekzak.  Wat weten de lui die hem dwars zitten, die projectontwikkelaars – om een eigentijds woord te gebruiken – van de scheepvaart? De schippers zitten niet op hun fratsen te wachten. En dan nog tol heffen ook!

‘Men wil de schipperij de roeden doen betalen, waarmede men haar geselt,’ lees je in een andere brochure.

Ja, op hun mondje gevallen waren ze niet, deze varensgezellen. Maar er is nog iets anders wat treft. De ongelooflijke eigenzinnigheid en vrijheidsdrang van deze mannen die het hele jaar door – vaak alleen met hun vrouw – van haven naar haven zeilden. Je bent geneigd er weer eens een staaltje van de Nederlandse (of Groningse, Friese of Drentse) onverzettelijkheid in te zien die tot ver in de twintigste eeuw met het water – en het geloof in de schipper naast God – verbonden was.

De tolquaestie vertelt, net als De Waterman van Arthur van Schendel – dit dramatische, maar helaas uit ons collectieve bewustzijn verdwenen verhaal.

Snikkevaarder

Harm, de oudste zoon en ‘stamhouder’, die we al een paar keer zijn tegengekomen, eerst in Veenhuizen en later op school in Wateren, trouwde op 17 oktober 1863 in Veenhuizen met Grietje de Jonge. Hij was 49, Grietje pas 19 jaar oud, een leeftijdsverschil dat vragen oproept, die ik – ik zeg het maar vast om teleurstelling te voorkomen – niet zal beantwoorden.

Grietje was de dochter van Hermen (‘Harm’) Reinders de Jonge (1813-1895) en Maria Jans Krabben (1811-1879).

Grietje d’r vader oefende het beroep van ‘snikkevaarder’ uit, wat wil zeggen dat hij vracht en mensen vervoerde met een ‘snik’ en een snik (zie afbeelding) is zo’n fraai Overijssels scheepstype waarvan er speciaal voor het water in deze contreien vele gebouwd werden. De snik stond bekend om zijn geringe diepgang.

Harm en Grietje kregen drie zoons.

De oudste, Harm Gerrit, werd op 29 november 1864 in Veenhuizen geboren, op een moment dat zijn vader Abraham al had gezien. Harm Gerrit zou later boer worden, maar hij was ook timmerman, melkboer… en zelfs onderwijzer…

Hij trouwde  op 24 december 1894 met Johanna Krans uit Sappemeer waar ze een tijdlang woonden. Later verhuisden ze naar De Krim, ambt Hardenberg – waar hun eerste kind dood ter wereld kwam. Vervolgens vestigden ze zich in Smilde waar twee kinderen werden geboren, Grietje, in 1902, en Cornelia in 1904.

Omstreeks die tijd ging het gezin terug naar De Krim, naar ambt Hardenberg, waar in 1908 een vierde kind ter wereld kwam, een zoon, die net als zijn opa Harm Gerrit werd gedoopt. Hij trouwde met  Engelina Frederika Tobina Brouwer, die – ook in 1908 – in Amsterdam geboren was. Harm Gerrit was in die tijd bakker in Gramsbergen. Een jaar na Harm Gerrit kregen Harm en Grietje in De Krim nóg een kind, Johanna Douwina. Vader en moeder zouden in De Krim blijven wonen totdat Harm in 1951 overleed. Hij werd in Gramsbergen begraven.

De tweede zoon heette… eh… Gerrit Harms of Harm – over namen hoefden ouders zich in die tijd niet lang het hoofd te breken. Je gaf je kind een naam die in de familie bekend was – volgens de strenge regels van de vernoeming die destijds golden. Het hemd was altijd nader dan de rok. Er was geen andere wereld dan je familie, en als die er wél was – wat soms lastig te ontkennen viel – dan nam ze buiten jouw sibbe een andere, soms zelfs vijandige gedaante aan.

Iedereen werd geacht zich aan de zeden en gewoonten van de familie aan te passen. Je deed wat iedereen deed, en werd bijvoorbeeld, net als Gerrit, arbeider of boer.

Gerrit trouwde in 1895 met Helena Pieké uit Vries en kreeg met haar vier kinderen. De beide oudsten, Harm Gerrit (1895) en  Elizabeth Helena (1896), werden in Vries geboren, maar de twee kinderen die volgden, Jan Jacobus Albertus in 1898 en Margaretha Maria in 1899, zagen het levenslicht in Amsterdam. Het gezin woonde toen op het adres Jacob van Lennepstraat 131. Gerrit Harm had zowel het boerenbedrijf als de noordelijke contreien waarin zijn familie geworteld was, verruild voor de hoofdstad omdat hij daar politieagent had kunnen worden. Nadat zijn vrouw gestorven was, hertrouwde hij in 1921 met Frederika Postma.

Zes jaar na Gerrit Harm kregen Harm en Grietje weer een zoon, hun derde, Harm Reindert, die op 26 januari 1872 in Ommen werd geboren. En die kennen we. Het was mijn opa, de vader van mijn vader, Harm Gerrit Kuipers.

Ik heb me lang afgevraagd waarom van Harm Reindert gezegd werd dat hij in Ommen geboren was, totdat ik ontdekte dat zijn ouders daar lang hebben gewoond, niet in Ommen, maar in Ommerschans, óók een kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid, die viel onder de gemeente Ommen.

Zijn ouders waren van Veenhuizen naar Ommerschans toen vader Harm Gerrit in die kolonie vermoedelijk een iets betere baan aangeboden kreeg dan hij in Veenhuizen had, al heette hij ook nu onderdirecteur en had hij net als in Veenhuizen de beschikking over een eigen boerderij. Misschien heeft de nieuwe koloniedirecteur Kornelis Mulder, op zoek naar kundig personeel, Harm Gerrit naar Ommerschans gehaald omdat hij hem kende van hun tijd samen in Wateren.

Oud fort

HET HOOFDGEBOUW VAN OMMERSCHANS

Ommerschans was een oud, vervallen fort in Overijssel toen de Maatschappij van Weldadigheid haar oog erop liet vallen. Nóg een kolonie. Ditmaal niet voor ‘vrije boeren’, armen of wezen, maar voor bedelaars die in Ommerschans zouden worden opgevoed tot bruikbare arbeidskrachten.

Het stikte in die tijd van de bedelaars in Nederland en de Maatschappij van Weldadigheid voorzag dan ook een rijke instroom aan mankracht. Dat viel tegen. Er was zelfs een Koninklijk Besluit voor nodig om de gemeenten in Nederland te dwingen méér bedelaars te sturen. De regering gaf zelf het goede voorbeeld door uit de ruime voorraad die ze in de tuchthuizen van Hoorn en Veere gevangen hield, er duizend te sturen.

Ook dat hielp niet. Daarom werd er een nieuwe overeenkomst met gemeenten afgesloten, die nog eens 1500 bedelaars ten gevolge had. Algauw zaten er in het hoofdgebouw van Ommerschans zo’n 2000 man, wat een ‘overloop’ naar Veenhuizen noodzakelijk maakte. De schrijver  Jacob van Lennep bezocht de kolonie in 1823. Hij schetst een desolaat beeld, zoals te lezen valt in het boek van Geert Mak en Marita Mathijsen, Lopen met Van Lennep.

Al die bedelaars had Nederland te danken aan de armoede die ontstond na na het vertrek van de Fransen. Ook jonge mannen die als dienstplichtigen met Napoleon mee naar Rusland waren getrokken, maakten – berooid als ze waren – deel uit van dit omvangrijke leger havelozen.

Harm Reindert moet het, net als Jacob van Lennep, hebben gezien, al was hij nog klein. Hij heeft tot z’n twaalfde op de Ommerschans gewoond.

In 1884 verhuisden zijn ouders naar Emmen waar ze een boerderij begonnen. Weer vijftien jaar later verkasten Harm en Grietje naar Smilde, maar toen stond Harm Reindert al op eigen benen.

Na bij verschillende bakkers in Ooststellingwerf en Oosterwolde het vak te hebben geleerd, werd hij bakker in Smilde, waar hij kennis maakte met Frederika Jacoba Bennink, zijn geliefde – en met deze veelbelovende jongelui heeft dit verhaal – driewerf hoera – zijn eerste levende protagonisten gekregen – al zijn ze allebei al heel lang dood.

ALLES WAT REST VAN OMMERSCHANS

Nog levende nazaten hebben één van hen beiden gekend. Opa Harm Reindert.

Maar voordat  Harm Reindert met zijn vrouw,  Frederika Jacoba, mag komen opdraven, zijn we verplicht, vind ik, eerst nog een poosje in Smilde te verwijlen, dat zeventien kilometer lange lintdorp langs de Drentse Hoofdvaart met zijn kernen Bovensmilde, Hijkersmilde, Hoogersmilde en Kloosterveen – een tijdlang de naam voor het héle dorp, die verwijst naar het oude Assense klooster Maria in Campis, dat daar in 1260 gesticht werd.

Dank zij de turf hadden de meeste inwoners van Smilde een redelijk goed leven. Het dorp teerde op turf. Het stond dan ook bekend als een oord van veenarbeiders, turfschippers en boeren, die allemaal, de een meer, de ander minder, aan de vervening hun bestaan te danken hadden. Op hun beurt profiteerden anderen – molenaars, scheepsbouwers, timmerlui, smeden, bakkers, slagers, kruideniers en schoenmakers – daar weer van.

Zélfs de notabelen, want die woonden er ook. Nog kun je ter plaatse hun riante woningen bewonderen. Zelfs intellectuelen en schrijvers ontbraken niet, al hebben de twee bekendsten maar heel kort in Smilde gewoond. Jacob Israël de Haan, de schrijver van Pijpelijntjes – een voor die tijd en misschien nu ook nog schokkend ‘homoseksueel’ boek – en zijn precies één jaar oudere zus Carry van Bruggen verhuisden al jong naar Haarlem. Vooral Carry van Bruggen verwierf als schrijfster in het Interbellum een grote naam.

Broer en zus behoorden tot de 144 joodse inwoners van het zeer protestantse dorp, die in 1846 hun eigen synagoge kregen.

Godsdienst was in Smilde sowieso een factor van belang. Het spreekt uit het geruzie in de protestantse kerk tussen rekkelijken en preciezen, dat tot geheel eigen en zeg maar gerust hoogst eigenaardige Smildiger afscheidingen leidde.

Drentse Hoofdvaart

DE ACHTKANTIGE KOEPELKERK IN SMILDE UIT 1788

Alles in Smilde speelde zich af aan of op de Drentse Hoofdvaart, de levensader van het dorp. Het was er het hele jaar door een drukte van belang. Boten voeren af en aan. Zwaarbeladen kwamen ze van Zwartsluis of bloeiende Hanzesteden als Zwolle, Hattem, Kampen, Deventer, Zutphen en Doesburg naar Smilde en zwaarbeladen – meestal met turf – voeren ze weer terug.

Turf was voor iedereen, in alle huisgezinnen, scholen, fabrieken, kazernes, werkplaatsen en winkels dé brandstof. Rijke kooplieden in Amsterdam en Arnhem staken veel geld in de aankoop en ontginning van veengronden. Ze wisten dat het ze forse winst kon opleveren. Dat zat er voor de mannen, vrouwen en kinderen die voor hen het zware werk deden niet in. Zij werden aanzienlijk minder ruim beloond. Het was aanleiding tot veel ongenoegen. De veenarbeiders zijn zich het verschil tussen hún armoe en de rijkdom van de grondeigenaren aldoor bewust geweest. Het blijkt uit brieven, documenten en processen-verbaal. Er waren regelmatig rellen en opstootjes. Er was sprake van schrijnend onrecht. Het heeft de mentaliteit van de veenwerkers gevormd. Zij werkten zich kapot en hadden niettemin nauwelijks een armzalige plaggenhut om in te wonen, terwijl de grondeigenaren die ze zelden te zien kregen – op grote afstand in een koets of te paard – zich wentelden in weelde.

Toch valt niet te ontkennen dat de kapitaalsinjecties van de rijken de welvaart in Smilde ten goede kwamen. De bevolking groeide in omvang. Werkzoekenden uit alle richtingen, ook uit het nabije Duitsland, stroomden toe. Een staatsgrens zoals wij die hebben leren kennen, scheidde in die tijd nog geen mensen die in zekere zin ‘stamverwant’ waren. Geen douane riep de Friezen en Saksen in het Noorden een halt toe.

Lieverdjes waren het niet, die veenarbeiders. Doetjes hielden het niet vol. Mannen, vrouwen en kinderen moesten een ijzersterk gestel hebben om van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat het veenwerk te kunnen volhouden, de turf te steken, de plaggen te treden en ten slotte de loodzware last weg te kruien. Een karig loon was hun troost. Een deel ervan werd in jenever uitbetaald.

Het zal dan ook niet verbazen dat dronkenschap in de veengebieden heel gewoon was. Misdaad en opstootjes waren meer regel dan uitzondering. De koddebeiers – en de marechaussee – hadden er hun handen vol aan. Niets hielp. Het was voor de kerk aanleiding om een beschavingsoffensief te beginnen. Misschien konden preek, zang en gebed de gemoederen verzachten.

Het werkte, zoals bleek in Smilde nadat er een nieuwe, protestantse kerk was gebouwd, die net als de Amsterdamse Zuiderkerk – de eerste in Nederland – geen altaar, priesterkoor, staties en heiligenbeelden had, allemaal roomse afgoderij, maar volgens de protestantse leer op het wóórd was afgestemd.  Voortaan was het aan dominee om vanaf de kansel zijn gemeente met de bijbel in de hand van moord en doodslag af te houden.

 

De zegeningen van de techniek lieten het dorp ook niet onberoerd. Algauw kwamen er betere verbindingsmogelijkheden. Aan het eind van de negentiende eeuw kon je al met de tram (zie afbeelding rond 1900) naar het nabijgelegen Assen.

Er werd ook gebouwd. Een hele wijk, Kloosterveen, kwam erbij. Smildenaren verhuisden van hun oude woninkjes aan de Drentse Hoofdvaart naar huizen in nieuwe ‘wijken’ aan de zijkanalen van de Hoofdvaart.

Boerendochter

 

 

 

 

 

 

 

 

 


HET GEZIN VAN WIETSE EN ROELOFJE. MIDDEN BOVEN FREDERIKA, NAAST HAAR LAMMERTDINA.


In zo’n wijk werd op 3 mei 1875 Frederika Jacoba Bennink geboren, in Wijk C, op nummer 197, tegenwoordig Wittewijk 7.

Frederika Jacoba was de vierde dochter van Wietse (of Wytse) Bennink, een boer, die op 9 mei 1859 zijn eerste vrouw Yda Klomp (of Klemp) had verloren en met drie kinderen was achtergebleven, Willem, Freerkien en Roelof.

Freerkien werd maar twee jaar oud en Roelof overleed al na acht maanden – in hetzelfde jaar als zijn moeder.

De weduwnaar hertrouwde na vijftien jaar, op 8 mei 1874, met Roelofje Lammerts die hem een jaar later al een nieuw kind schonk, Frederika Jacoba. Haar halfbroer Willem (foto) was op dat moment bijna 20.  Tegen de tijd dat zijn zusje op eigen benen kon staan, had hij het ouderlijk huis verlaten. Hij trouwde op 10 november 1883 – acht jaar na de geboorte van Frederika Jacoba – met Hendrikje Been. Willem overleed op 1 april 1931 in Smilde.

Frederika Jacoba moet een tijdlang een soort enig kind zijn geweest, want weliswaar kwam er drie jaar na haar geboorte een zusje bij, Jacobje, maar die werd niet ouder dan drie. Weer drie jaar later, in 1881, werd haar broer Jakob geboren. Zes jaar is op die leeftijd een groot leeftijdsverschil. Frederika Jacoba zal haar broertje niet als speelkameraad hebben gezien. Jakob (links boven op de foto) bereikte overigens, anders dan zijn zusje met dezelfde naam, de leeftijd der zeer sterken. Hij trouwde met Hendrikje Bruins, werd 88 jaar en werd in 1969 in Hoogeveen begraven.

Ik probeer me voor te stellen wat het voor de kleine Frederika Jacoba betekend kan hebben dat zij al zo jong een zusje verloor. Heeft ze het verdriet van vader en moeder gevoeld? Drie jaar later meldde zich haar broertje Jakob en wéér drie jaar later kwamen er twee zusjes bij, de tweeling Lammertdina en Roelina (helemaal links op de foto).

Roelina bleef haar leven lang in Smilde wonen. Ze trouwde in 1910 met Frederik Ovinge. Lammertdina trouwde niet, al was ze naar men zegt een tijdje verloofd. Ze bleef ook niet in Smilde wonen, maar verhuisde naar Amsterdam, waar ze de dienster werd van de beroemde actrice Rika Hopper – die uit Assen kwam. De twee zouden elkaar hun leven lang, letterlijk tot in de dood, trouw blijven. Rika en Lammertdina, ‘tante Dien’, liggen samen in één graf op de Nieuwe Ooster Begraafplaats in de Amsterdamse Watergraafsmeer.

Na de tweeling volgden nog Aaltien Annechien in 1889 (helemaal rechts op de foto) en Jantje in 1892 (tussen vader en moeder in).

In de strikte zin van het woord was Frederika Jacoba geen kind alleen, maar de ‘gezinsopstelling’ – zoals dat tegenwoordig heet – wettigt de veronderstelling dat ze al jong een tweede moeder was voor de tweede leg van haar vader.

Adje Keulen-Deelstra

Dat is in overeenstemming met wat er over haar gezegd werd. Dat ze een bijzondere vrouw was, een vrouw die graag de touwtjes in handen hield, een vrouw met ‘de broek aan’. Tot vervelens toe werden deze feministische hoedanigheden haar kleinkinderen voorgehouden. Haar oudste zoon had er de mond van vol. Maar er zijn objectievere bronnen, zoals de stamboom van de familie Bennink.

Daarin vind je bij Frederika Jacoba de aantekening dat ze ‘handoplegster’ was, en ‘strijkster’, Jomanda-achtige gaven die ze tot heil en zegen van de lijdende mensheid gepraktiseerd schijnt te hebben. Het zat in de familie. Ook haar oma van vaders kant, Freerkien de Vries, had zulke helende handen.

Maar als Frederika al paranormaal begaafd geweest mag zijn, een Jomanda was ze niet. Het lijkt er zelfs niet op. In de verhalen die over haar de ronde doen, vind je geen zweempje zweverigheid. Integendeel. Frederika Jacoba is daarin juist een nuchtere, praktische en zelfs sportieve vrouw die van aanpakken hield – en zo ziet ze er op foto’s ook uit.

Frederika Jacoba was behalve ‘handoplegster’ en ‘strijkster’ vooral ook schaatster. Haar talent als schaatster wordt in de verhalen meer benadrukt dan de geheimzinnige kracht van haar handen. Beeldende anekdotes suggereren dat ze niet minder dan de Adje Keulen-Deelstra van haar tijd is geweest. Ze was menige manskerel de baas.  Als ’s winters de Drentse Hoofdvaart begon dicht te vriezen, kon ze niet wachten tot het ijs hield. Het huishouden hoefde haar maar een beetje speelruimte te bieden, of ze pakte haar Friese doorlopers, stapte er in haar sokken op en was weg – zonder de banden vast te maken!

Het was op zulke dagen heel gewoon dat ze ’s middags om half zes – wanneer het al donker was – de aardappelen opzette, van huis naar Assen schaatste – zo’n 5 kilometer – en krek op tijd terug was om de piepers af te gieten. Rozig schotelde ze haar man en kinderen het avondmaal voor en genoot tevreden na van haar tocht, hoe ijzig het vlakke land ook was geweest, hoe guur de noordooster ook had geblazen.


In Smilde vond deze pronte boerenmeid – én schaatster – haar man, de bakker Harm Reindert Kuipers, een jongeman met een eigen zaak. In 1891 moest hij onder de wapenen bij de de Nationale Militie – zoals het vaderlandse leger toen heette. Maar hoewel hij was ingeloot – onder lotnummer 32 – werd hij wegens ‘broederdienst’ vrijgesteld.

Niet lang daarna moet Harm zijn Frederika hebben ontmoet. Misschien in de bakkerij waar zij elke dag het Drentse roggebrood voor vader, moeder, broers en zussen kwam halen.

Frederika Jacoba was een mooi meisje, maar Harm mocht er ook wezen. Het was, kortom, een knap stel dat algauw besloot in het huwelijksbootje te stappen. Harm was 26, Frederika Jacoba 23 jaar oud.

Hadden ze haast? Ruim drie maanden na hun trouwdag kwam, op 5 november 1898, hun eerste kind ter wereld, Harm Gerrit. Op 26 februari 1899 ’s avonds om tien uur liet hij zich voor het eerst horen. Ongetwijfeld aanleiding tot grote vreugde, maar van enige feestelijkheid zal geen sprake zijn geweest. Het jonge paar was nog in de rouw. Een week eerder hadden Frederika en Harm met Grietje en de familie de oude Harm Gerrit in Veenhuizen naar zijn laatste rustplaats begeleid. 

Grietje bleef alleen achter, ze was nog jong, pas 44 jaar. Hoe het haar verging, is hoogst onduidelijk. We weten dat ze twee jaar na de dood van haar man in 1901 naar Ambt Hardenberg verhuisde. Daar woonde familie van haar. Waarom bleef ze niet in Smilde, dicht bij bij haar zoon, haar schoondochter en haar eerste kleinzoon?

We weten ook dat ze op 13 maart 1930 in Nieuwer-Amstel, het tegenwoordige Amstelveen, is overleden. Tussen beide data, 1901 en 1930, gaapt een groot gat en de vraag rijst: Wat gebeurde er in die tijd? Waar hield ze zich op? Had ze een nieuwe man? Bleef ze bij haar familie?

Familie was belangrijk voor haar. Het blijkt misschien uit een tweetal notariële akten waarin zij en haar man, haar vader, haar zus Annechien en een tweetal zwagers, Willem Tijmes en Berend Worst als comparanten worden vermeld. Het gaat om stukken uit respectievelijk 1882 en 1884 over ‘boedelscheiding’ en ‘verkoop’.

Het kan zijn dat er een nalatenschap werd verdeeld, maar van wie, waarom toen?

Van Harm Gerrit senior?

Het lijkt aannemelijk dat hij als boer wat grond – en een huis of een boerderij – verworven had.  Tot 1864 was hij onderdirecteur in Ommerschans geweest en van 1864 tot 1884 boerde hij in Emmen. In dat jaar werd hij 70, een mooie leeftijd om ermee op te houden, zou je zeggen, en de boerderij van de hand te doen. Ging Harm in 1884 rentenieren? In elk geval verhuisde hij nog datzelfde jaar naar Smilde.

 

 

 

 

 

 


ZO ZAG VINCENT VAN GOGH DE OPHAALBRUG IN NIEUW-AMSTERDAM

Of boog men zich bij de notaris misschien over de nalatenschap van Harmen de Jonge, de vader van Grietje, die als schipper ook wel wat bezit vergaard kan hebben. Hij had in elk geval die snik. Twee van zijn kinderen waren schipper. Zij konden zijn boot wellicht goed gebruiken. Harmen, of Hermen Reinders, zoals Grietje haar vader heette, overleed in 1895 in Emmen. Hij was toen 82 jaar oud.

Het valt op dat het vooral familieleden van Grietje bij de notaris kwamen opdraven – notaris S.J. Oosting in Emmen, bekend omdat hij het initiatief nam tot de aanleg van een dierentuin ter plaatse. Ze woonden allemaal bij elkaar, die De Jonges, in Meppel, Nieuw-Amsterdam, Noordbarge, Ommen, Ommerschans, Hardenberg of De Krim. Dat was hún habitat. Je kunt je voorstellen dat de weduwe Grietje in deze vertrouwde kring haar toevlucht zocht.

Arbeidsmigratie

Frederika Jacoba en Harm Reindert hebben na hun trouwdag niet lang in Smilde gewoond. Al na twee jaar, in 1901, vertrokken ze naar Duitsland. Een andere bron, de stamboom van de familie Bennink, houdt het op 1902. Het staat vast dat het gezin zich begin twintigste eeuw in Duitsland vestigde, maar de genoemde data kunnen niet kloppen.

Het vertrek van Grietje de Jonge op 15 juli 1901 naar Hardenberg kan de veronderstelling hebben gevoed dat het gezin in 1901 verhuisde, maar de geboortedata van de kinderen leren ons anders. Het vierde kind, Grietje, werd nog – in 1906 – in Smilde geboren. Pas het vijfde en zesde kind kwamen in Duitsland ter wereld.

Het lijkt een futiele kwestie, het tijdstip van vertrek, maar dat is het niet. Futiele kwesties blijken, historisch gezien, vaak belangrijke feiten en gebeurtenissen aan het oog te onttrekken. Ook in dit geval, want de juiste datum vertelt ons het bijzondere en – wat meer zegt – hoogst actuele karakter van deze landverhuizing.

Maar allereerst de vraag: Wat had dit gezin in Duitsland te zoeken?

 

Je zou die vraag aan Frederika Jacoba moeten stellen, want er is altijd gezegd dat de emigratie haar initiatief was. Zij zag het in Smilde niet meer zitten, niet voor zichzelf en haar man, maar al helemaal niet voor haar kinderen. Ze was ervan overtuigd dat jonge mensen in Drenthe geen toekomst hadden. Het ging er slecht. Haar man verdiende als bakker weliswaar een redelijk belegde boterham, maar een vetpot was het niet, zeker niet als er nog meer kinderen kwamen.  De economie  kachelde in de veengebieden achteruit. Heel Smilde lééfde van de turf, maar de opbrengst werd jaar in jaar uit minder. Het liet geen dorpsbewoner ongemoeid.

Oorzaak van de teruggang was een nieuwe energiebron, steenkool. Plaatsen waar steenkool gedolven werd, trokken meer kapitaal en werkzoekenden aan dan de veengebieden. In de mijnen, maakte men elkaar wijs, viel goud te verdienen en vanuit Smilde bezien lag er zo’n goudmijn op een steenworp afstand, net over de grens met Duitsland, in het Roergebied. Wie vooruit wilde, moest dáárheen.

Zo dacht Frederika Jacoba erover en Harm Reindert was het met haar eens. Zij waren niet de enigen. In het noorden van Nederland verruilden duizenden Friezen, Groningers en Drenten hun heimat voor het Duitse buurland of, zoals veel Friezen, voor Amerika.

We noemen dit arbeidsmigratie. Het is een belangrijk historisch verschijnsel. Wie zich erin verdiept, leert meer over geschiedenis dan uit zijn schoolboek van vroeger. Arbeidsmigratie is niet iets wat voorbijgaat, niet iets tijdelijks, geen incident, arbeidsmigratie is structureel en altijd onderdeel van de geschiedenis, veelzeggend en boeiend tegelijk, des te meer als migranten, landverhuizers, werkzoekenden, gastarbeiders, vluchtelingen, avonturiers – of hoe ze tegenwoordig ook mogen heten – in jouw familie voorkomen.

Altijd is er déze rode draad: het water staat migranten aan de lippen. Ze moeten weg. Geen zee gaat hun te hoog. Ze zijn tot haast onmenselijke offers bereid, want het is erop of eronder. We zien het vandaag de dag weer nu honderdduizenden mannen, vrouwen en kinderen het gruwelijke oorlogsgeweld in hun thuisland ontvluchten.

Televisiebeelden tonen het ons, maar ze laten ons vooral de sensationele buitenkant zien, de oppervlakte, die ons het zicht ontneemt op de kern van de zaak, het verlangen naar een menswaardig bestaan voor jezelf en je kinderen.

Wie verhuist er trouwens niet als het werk dat van hem vraagt? Amsterdam zou aan haar eigen inteelt ten gronde zijn gegaan als er niet telkens weer nieuwe gelukszoekers een plek hadden gezocht.

In Smilde werd erover gepraat, over vertrek, over vertrek naar Duitsland. Niet alleen door Frederika Jacoba en haar man, maar ook door ooms en tantes, neven en nichten, buren, kennissen, óók bij de bakker. Men wist waar men het over had. Men kende de ‘arbeidstrek’. Men wist van de Duitsers die in Drenthe, Groningen en Friesland kwamen werken. Voor ons brachten de hannekenmaaiers in Stiefmoeder Aarde van Theun de Vries en de druivenplukkers in de gelijknamige roman van A. den Dolaard lang geleden alweer deze arbeidstrek in beeld.

Het was seizoensarbeid, maar niet altijd. Migranten kwamen ook voor vast werk. Men was het in Drenthe gewend. In de negentiende eeuw ontstonden er geheel Duitse woongemeenschappen. De taal zal de Drenten – Saksen per slot van rekening – niet vreemd in de oren hebben geklonken. Tot de Eerste Wereldoorlog was er ook nauwelijks een grens. Cultuur en taal wogen in die jaren nog zwaarder dan nationaliteit. Van ‘grensoverschrijding’ kon je dan ook nauwelijks spreken. Pas toen het perverse nationalisme van geschifte politici staatsgrenzen tot gevangenismuren ombouwde, raakten bevolkingsgroepen verscheurd. Het was, toen, dus niet zo vreemd dat de ‘Smildigers’ nu het voorbeeld van deze Duitsers volgden. Ze moesten alleen maar de andere kant op….

Elke migrant zal z’n eigen overwegingen en illusies hebben gehad. Armoede hoeft niet in alle gevallen de beweegreden te zijn geweest. Ik veronderstel dat Frederika Jacoba, Harm Reindert en hun kinderen niet van de honger omkwamen. In beide families zat wel wat geld – en anders grond. Een belangrijker motief was een toekomst. Zou het ze in Duitsland beter vergaan dan in het verarmende Drenthe?

Gepakt en gezakt’

Hoe hun verhuizing verliep zou ik graag van henzelf hebben vernomen, maar helaas… Ik had het lang geleden aan mijn opa kunnen vragen, maar als je nog zo jong bent als ik toen was, interesseren zulke dingen je niet. Ik heb de goede man trouwens maar een keer ontmoet, samen met mijn vader.  Het was kort na de Tweede Wereldoorlog, ik was een jaar of zeven. Ik kan me niet herinneren dat opa en ik ook maar één woord hebben gewisseld, al bezag hij mij vriendelijk en sprak hij met mijn vader in een taal die in mijn herinnering geen Nederlands was, maar er wel op leek en die ik begreep. Ik was erg onder de indruk, niet van wat hij zei, maar van het besef dat deze vreemde oude man – met z’n grappige borstelkuif – de vader van mijn vader was. ‘Va’, noemde mijn vader hem – wat een raar woord…

Gelukkig is de arbeidstrek – uit het veen de mijnen in – wel door anderen geboekstaafd, door Mindert Aardema uit Schoonoord bijvoorbeeld, wiens wederwaardigheden, denk ik, overeenstemmen met de ervaringen van Harm Reindert.

Mindert schrijft dat hij op 13 juli 1903 ‘gepakt en gezakt’ naar Duitsland ging. Een voerman uit Schoonoord nam hem – en een paar maten – mee naar Assen en daar namen ze de trein naar Bottrop.

Zo eenvoudig was het.

Op deze manier, alleen of  in groepjes, maar niet ‘georganiseerd’ vond menigeen de weg naar het Roergebied. Lang niet elke migrant kwam in de mijnen terecht. Men was bereid álles aan te pakken, in de bouw, op het land, in werkplaatsen, desnoods ging men de straten vegen, en het is dan ook niet overdreven te stellen dat men in het Roergebied veel aan deze ‘inwijkelingen’ te danken had. De slaperige steden en stadjes werden niet alleen voller en drukker – én schoner – maar vooral ook rijker. De streek werd de belangrijkste industriële regio van Duitsland.

Jan Lucassen geeft ons de feiten in zijn studie Trekarbeid in Drenthe in de negentiende eeuw.

Uit de gegevens van de ‘Knappschaftskassen’ (sociale verzekeringsinstituten voor mijnwerkers voor ouderdomspensioen, weduwen- en wezenpensioen, invaliditeitsuitkering en ziektekostenverzekering), blijkt dat in 1893 1500 Nederlanders in Duitse kolenmijnen in het Ruhrgebied werkten. Dit aantal was in 1912 opgelopen tot 5124 en was in 1913 verder opgelopen tot 6000. Naast deze 6000 paspoort-Nederlanders werkten er ook enige duizenden inmiddels tot Duitser genaturaliseerde Nederlanders en statenloos geworden vroegere Nederlanders als mijnwerker in het Ruhrgebied.

De landbouwcrisis die de agrarische gebieden in Nederland in het derde kwart van de negentiende eeuw teisterde werd na 1880 desastreus. Daarnaast was van de zeventiende tot ver in de negentiende eeuw de energiebehoefte voor een groot deel afhankelijk van in agrarische gebieden gedolven turf. In 1870 dekte turf nog 25% van de energiebehoefte van Nederland. In 1900 was door de concurrentie van kolen en het uitputten van de turfvelden de door turf gedekte energiebehoefte gedaald tot minder dan tien procent.

Turfstekers werden werkeloos en brodeloos. In de laatste twintig jaren van de negentiende eeuw staakten in de noordelijke provincies turfstekers en vlasarbeiders langdurig voor hogere lonen en tegen gedwongen winkelnering.

Met de hulp van militairen en marechaussee liepen deze stakingen dood op de standvastigheid van de ‘veenbazen’ en ‘vlasboeren’.

Een groot deel van de negentiende eeuw was er in de agrarische gebieden onvoldoende emplooi voor het overschot aan arbeidskrachten.

Toen in de jaren 1870 import van goedkope Amerikaanse en Russische graanproducten leidde tot de grote landbouwcrisis en bovendien door de mechanisatie van de arbeid minder arbeidskrachten nodig waren, ging dit ‘onvoldoende emplooi’ over in grote werkloosheid en bittere armoede. Met als gevolg grootschalige emigratie naar het verre Amerika of werk zoeken in de op ‘loopafstand’ dichterbij gelegen gebieden waar de opkomende Industriële Revolutie werk verschafte.

De instorting van de graanprijzen, het uitgebreid uitbreken van de aardappelziekte en het aflopen van het afgraven van veen voor het winnen van turf leidde in de noordelijke provincies tussen 1880 en 1910 tot een migratie van dertig procent van de bevolking in Friesland en twintig procent in Groningen.

Na 1880 was Friesland jarenlang de provincie met het hoogste aantal emigranten.

Er werd aan het begin van de twintigste eeuw in het Roergebied behoorlijk verdiend. Oppassende lieden onder de gastarbeiders – die thuis een vrouw en misschien al kinderen hadden – wisten zich zoveel te ontzeggen dat ze geld overhielden voor moeder de vrouw thuis (en voor de aankoop van een stukje grond, een woning, een koe, een varken, een wagen, werktuigen en zelfs machines, of een fiets!).

Een vergelijking met de Polen vandaag de dag in Nederland ligt voor de hand. Arbeidsmigratie is een vast bestanddeel van de wereldeconomie, maar in Nederland brengen politici en media ons nog elke dag in de waan dat allerlei vreemd volk pas gisteren op pad is gegaan om ons onze Lebensraum te ontnemen.

Oprotten

EEN TURFPRAAM IN SMILDE ROND 1900

De lotgevallen van Harm Reindert en zijn gezin – van meer dan honderd jaar geleden – passen naadloos in het verhaal van de arbeidsmigratie, dat steeds hetzelfde en steeds anders is. In zijn geval is er één opvallend verschil. De Italianen, Joegoslaven, Spanjaarden en Marokkanen die in de jaren zestig van de twintigste eeuw naar Nederland kwamen, werden veelal geronseld. Ondernemers zaten te springen om arbeidskrachten. Omdat ze in Nederland niet meer voorhanden waren, moesten ze elders worden gehaald, maar toen de omstandigheden veranderden en de ‘buitenlandse werknemers’ niet meer nodig waren, konden ze oprotten. Ze werden een last – niet voor de werkgevers, maar voor óns en de overheid. Voor vele landgenoten – en een bepaald soort politici – werden het  ‘die mensen’ die in Nederland niet thuishoren.

De Drentse arbeidsmigranten werden niet geronseld. Zij gingen vrijwillig – zoals de hannekemaaiers en de druivenplukkers uit de romans van Theun de Vries en A. den Dolaard – maar vrijwillig is ook maar een woord. Huis en haard verlaat je zelden vrijwillig, meestal ga je omdat het moet en moeten is niet altijd plezierig.

Het zou mij enorm hebben geholpen als Harm Reindert of zijn vrouw – hun kinderen waren nog te klein – iets op schrift had nagelaten, zoals Mindert Aardema, iets, al was het maar een enkel woord, over de verhuizing, over het weer, over de reis, over de trein, over de aankomst, over het wennen… Maar er is niets, geen document, geen aantekening, geen brief, geen dagboek, geen krabbel… nou ja, de handtekening van Harm Reindert onder de geboorteaangifte van zijn oudste zoon. Die heb ik gezien, die ken ik. Een handtekening.

Die leert me dat de man kon schrijven. Natúúrlijk kon de man schrijven. Misschien heeft hij het ook wel gedaan. Brieven naar huis, brieven naar zijn familie. Hij kwam uit een goed nest. Zijn vader was een goede student geweest in Wateren. Harm Reindert had voor bakker geleerd. Die man kon wel wat, hoor. Aan onderwijs is hij niets tekort gekomen. Het onderwijs was overal in Nederland, ook in Drenthe (het land van Bartje!), van een behoorlijk niveau – een verworvenheid die het volk aan de betrekkelijke zelfstandigheid van de provincies en aan de spreiding van de welvaart over het hele land te danken had. Wij waren geen feodaal land met grootgrondbezitters en onderhorigen, zoals Frankrijk, Pruisen en Rusland, geen land van heren en knechten en machtsverhoudingen die wortelden in eeuwenoude tradities. Zelfs, of juist in de koloniën voor bedelaars en wezen, zoals we hebben gezien, was lezen, schrijven en rekenen voor kinderen van groot belang.

De migranten over wie we het hier hebben, waren dan ook niet achterlijk of ongeletterd, integendeel. Het bewijs hiervoor is weliswaar een bewijs uit het ongerijmde, maar daarom niet minder sterk: hoe zouden ze anders zulke slimme kinderen hebben gekregen?

Gezinshereniging

HET GEZIN IS IN SMILDE UITGESCHREVEN. IN POTLOOD RECHTS STAAT ‘IN DUITSCHLAND’.

Pas in de loop van de tijd ben ik gaan beseffen dat het best eens zó gegaan kan zijn: dat Harm Reindert vanaf 1901 of 1902 alleen in Duitsland heeft gewoond, terwijl Frederika Jacoba het huishouden in Smilde als onbestorven weduwe bestierde. Vader kwam af en toe langs. De geboortedata van de kinderen laten het zien. De afstand was geen beletsel. Wie het spoorwegennet in die tijd bekijkt, ziet algauw dat je toen sneller van Assen in het Roergebied kwam dan vandaag de dag met de auto of de trein.

Vooruitgang is ook maar betrekkelijk.

De scheiding van tafel en bed tussen man en vrouw verklaart ook de sfeer thuis, zoals Harm Gerrit die voor zijn kinderen beschreef. Dat vader er nooit was en alles om moeder draaide.

Toen het gezin ten slotte in het Duitse stadje Gladbeck herenigd werd, bleek het voortplantingsritme van de Drentse gelukszoekers zo ernstig verstoord dat Lena, een nakomertje, op fatale wijze te laat kwam.

WORDT VERVOLGD

ZIE OOK Deel 1.
ZIE OOK Deel 2.