Magisch Praag

Het is een stad van woorden. Raadselachtige woorden. Betoverende woorden. In de duistere jaren van het Kwaad hield het verlangen naar recht en vrijheid zich dáár schuil, in die woorden, in de vertelkunst die in Praag altijd gebloeid heeft en daar is blijven bloeien.   

BIBLIOTHEEK IN HET STRAHOV-KLOOSTER


RAAG BETOVERT je, telkens weer. Dat was zo vóór de Fluwelen Revolutie, dat was zo daarna, en dat is nu, aan het eind van het millennium, aan het eind van deze eeuw – die Praag voor een groot deel in de diepste duisternis heeft doorgebracht – opnieuw zo, en het frappeert me hoezeer je, bij alle uiterlijke verschillen, de magie blijft voelen die de Italiaanse slavist Angelo Maria Ripellino ertoe bracht zijn boek over de letterenwereld van Praag Magisch Praag te noemen.

Magisch Praag. Praha magica. Wat een treffende benaming.

Heeft die magie, vraag je je af,  met de stad zelf te maken, met haar stegen en straten, haar pleinen en die sprookjesachtige rivier, de Moldau, met de heilige roomse en Habsburgse keizers die hier zo lang de scepter zwaaiden, met erkende dwarsliggers als Jan Hus en de eerste president van de onafhankelijke Tsjechoslowaakse republiek Tomás Garrigue Masaryk, of heeft die betovering heel specifiek met de literatuur te maken, die ons de Golem heeft geschonken, die angstaanjagende homunculus van rabbi Löw, maar óók, bij wijze van tegenvoeter, de goedmoedige soldaat Svejk, die met zijn vérgaande onnozelheid zijn meerderen tot wanhoop dreef?

Praag is, even afgezien van grote muzikanten als Janácek, Smetana en Dvorak, een bij uitstek literaire stad. Ze heeft zoveel schrijvers voortgebracht dat we ze – ondanks hun niveau – lang niet allemaal kennen. Is het te boud gesproken als ik veronderstel dat die overvloed mede een cultuur heeft doen opbloeien die niet alleen het ontstaan van uitzonderlijk werk (als dat van Franz Kafka) verklaart, maar óók, ten dele, de magie van deze stad, die je in de werkelijkheid nooit zo grondig leert kennen als uit de vele verhalen die zich binnen haar muren en daarbuiten, in het weidse, glooiende Boheemse land, afspelen.

Literatuur en Praag vormen een tweeëenheid, die zeldzaam is. O, zeker, er zijn andere literaire steden met een dergelijke atmosfeer (Parijs bijvoorbeeld, altijd zeer bewonderd door de Pragenaars, en New York), maar de mate van epische verdichting die je in Praag aangeboden krijgt, is onovertroffen: alsof hier alles naar alles verwijst, alsof de oude stad zelf één groot poëem is, niet een realiteit van steen en pleisterwerk, maar een verbeelde werkelijkheid, een boek – dat je dwingt steeds tussen de regels te lezen zodat je er nooit helemaal zeker van bent wat écht is en wat niet.

Praag is een raadsel.

Het is ongetwijfeld wáár  dat de boeken, die je overigens toch wel leest, aan kleur, geur, smaak en betekenis winnen als je ze met de geschiedenis van de stad in verband kunt brengen. Een paar van die boeken bijvoorbeeld, van Franz Kafka, waren in 1983 voor mij de reden om voor het eerst van mijn leven naar Praag te gaan. Erg aantrekkelijk was dat toen niet. Iedereen die in de jaren vóór de val van de Muur een Oostblokland heeft bezocht, weet wat ik bedoel, maar ik was bereid veel van het helse communisme voor Kafka (en andere geliefde auteurs) te trotseren.  Ik moest.

 

In 1983 werd overal in de wereld de honderdste geboortedag van Franz Kafka gevierd en ik was benieuwd of daar in Praag – waar Kafka verboden was – iets van te merken zou zijn (foto: het graf in Praag waarin hij samen met zijn ouders ligt). Mijn reis was een pelgrimage, bedoeld om alle kafkaéske plekken in de stad aan te doen, maar in de praktijk leidde mijn bezoek ertoe dat ik meer inzicht kreeg in de verborgen wijze waarop de grote, joodse schrijver voortleefde onder de dissidenten die ik sprak (zoals Ivan Klima).

Kafka was voor deze schrijvers, kunstenaars en intellectuelen een houvast in die uitzichtloze tijd.

HOMOSEKSUELEN

De mensen waren bang. Je merkte het als je sprak met inwoners van de stad die zich geestelijk hadden kunnen ontwikkelen en arts, hoogleraar letterkunde of schrijver waren geworden (maar nu gedwongen waren om als schoonmaker, straatveger of psychiatrisch verpleger hun brood te verdienen), maar je zag het ook in het openbaar, op straat en in de cafés.

 

 

 

 

 

 


Niet duidelijker kon mij de terreur van het gezag worden ingewreven dan toen ik op een avond met wat vrienden in het bekende Jugendstil-hotel Europa (foto) aan het Wenceslasplein koffie zat te drinken. Plotseling was er een razzia. Politiemannnen in burger joegen gericht op mannen die bij ons in dat grand café zaten en er met hun leren jacks en spijkerbroeken opvallend westers uitzagen. Homoseksuelen. Als boeven werden ze bijeengedreven en Europa uitgeslagen.

Nee, echt gezellig was het niet, toen in Praag.

Eén van de dissidenten met wie ik in contact kwam, was een boomlange, volkomen kale man, Jiri Czerny, ik kan zijn naam nu rustig noemen. Hij was diskjockey van beroep en dat was niet van gevaar ontbloot,  zoals hij me uitlegde. Het was voor hem niet mogelijk om in Praag zijn ‘decadente’, westerse popmuziek te draaien. Om de Tsjechoslowaakse jeugd toch in aanraking te brengen met zijn geliefde Rolling Stones, Velvet Underground, of wat hij ook maar te pakken had kunnen krijgen, trok hij elke zondag het platteland op om ergens in een schuur zijn verderfelijke rockmuziek ten gehore te brengen.

Een parallel deed zich voor in het godsdienstige leven. Ook christenen weken ’s zondags uit naar de provincie om ver weg van Praag en Big Brother hun kerkdiensten te houden.

Die man, die Czerny,  was niet zo bang als anderen die ik ontmoette en toen hij merkte dat ik het werk van Havel kende en daarin (én in de beroemde toneelschrijver zelf) geïnteresseerd was, stelde hij me voor een ontmoeting met de auteur te arrangeren. Havel was sinds kort op vrije voeten. Men had hem losgelaten omdat hij ernstig ziek was en in de gevangenis dreigde te creperen.Maar een dwingender reden was dat er in Praag een grote vredesconferentie op handen was, waar men de nobele bedoelingen van het internationale communisme breed wilde uitmeten en daar kon men uiteraard geen dooie dissident bij gebruiken.

Czerny zei me hem te bellen, niet vanuit mijn hotel, want daar zou ik afgeluisterd worden – er waren in die tijd in Praag louter staatshotels –, maar ergens op straat in een cel. Zo zouden we een afspraak kunnen maken. Ik belde en kreeg te horen dat we we elkaar bij hem thuis zouden zien. Maar ik moest oppassen. Als ik voor zijn deur agenten van de StB, de Tsjechoslowaakse Gestapo (of Stasi) zag staan, dan moest ik doorlopen. Dan bracht ik mezelf in gevaar. En Havel.

En verdomd, alsof de duvel ermee speelde… toen ik de straat van Czerny wilde inlopen, zag ik ze staan, die knuppels in hun leren jassen. Voor het eerst werd ik nu ook bang, zó bang dat het leek of de angst van de dissidenten ook mijn angst was geworden. Plotseling voerde alles wat ik zag en voelde, de hele atmosfeer van die zo vervallen, mooie, oude straat, het natte, vertrapte platanenblad op de stoep en die enge mannen in hun matglimmende jassen me terug naar de jaren van de oorlog in Nederland, toen ik als vier-jarige voor het eerst oog in oog met zulke boemannen was komen te staan en wist dat ze me zouden doden.

Ik deinsde terug en vroeg me af wat ik moest doen. Ik probeerde realistisch te blijven. Was het niet allemaal erg cliché en daardoor nogal onecht? Was deze ‘angstaanjagende’ scène uit een derderangs oorlogsthriller niet ook nogal lachwekkend? Maar gevaar is soms een klucht. Pas toen ik mezelf had voorgehouden dat een Nederlandse staatsburger (een journalist die overigens incognito het land was binnengekomen) in Praag niets kon overkomen, durfde ik Czerny voor de tweede keer te bellen en maakten we een nieuwe afspraak. Ditmaal zag ik geen Gestapo op zijn stoep voor de deur staan en na een klim door een luisterrijk, maar verveloos trappenhuis werd ik door Czerny in zijn aangename appartement ontvangen. Václav Havel zat er al. Hij rookte en dronk, flessen donkerrode Boheemse landwijn en sloffen sigaretten binnen handbereik.

Hartverscheurend hoestend begroette hij mij en wees me hoffelijk een stoel. Zo breekbaar als hij eruit zag,  maakte hij meteen een onvergetelijke indruk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

HET HUIS ‘ZUM TURM’ in 1983.

Havel was de eerste (en enige) van al die mannen die ik in die dagen sprak,  die niet bang was. Het imponeerde mij mateloos. Hoe was het mogelijk om niet bang te zijn? Hij wilde er niet al te lang bij stilstaan, maar de laconieke toon waarop hij zei dat hij niets meer te verliezen had, is me altijd bijgebleven.

Hij had de dood in de ogen gezien.

Zes jaar later, nu precies tien jaar geleden, werd hij de eerste president van de vrije Tsjecho-Slowaakse republiek.

EENLING

Waarom, vraag je je af,  rakel je aan het eind van dit millennium, aan het slot van deze eeuw, dit verhaal weer op, terwijl heel het oude  Praag geurt naar luxe en welvaart (we hebben het uiteraard niet over de ellendige communistische buitenwijken), en de stad nauwelijks nog verschilt van welke grote westerse stad dan ook (nou ja, behalve dat de mensen hier nog een ouderwets soort wellevendheid tentoonspreiden en er overal zoveel uiterst dienstbaar personeel beschikbaar is dat de lonen wel verontrustend laag moeten zijn)?

Ik denk dat ik nog steeds geïnspireerd word door die ontmoeting met Havel, een man die niet bang was, een moedig man, een man die voor mij een verzetsheld uit de Tweede Wereldoorlog personifieerde, een toneelschrijver van uitzonderlijke klasse, een man ook – en daarin vallen al die kwaliteiten samen – die ergens voor stónd, en kon duidelijk maken waarvóór hij stond: verzet, verzet tegen onrecht, elke vorm van onrecht!

In Tsjechoslowakije (en andere Oostbloklanden) leek de overgeleverde, traditionele civilisatie, de rechtsstaat dus, niet opgewassen tegen de morbide aanslagen die zij eerst van de nazi’s en vervolgens van de communisten te verwerken kreeg. Na een dergelijk, langdurig proces van vernietiging, denk je, groeit er geen gras meer in zulke landen. Maar het tegendeel is waar gebleken. Kennelijk zijn er zelfs onder zulke extreme omstandigheden individuen die het lef hebben zich te verzetten en er op den duur toe bijdragen dat die hele verkalkte, bureaucratische zooi van louter lafheid, corruptie en eigenbelang in elkaar sodemietert.

Wie het Tsjechische verzet (foto), van de Praagse lente in 1968 tot de Fluwelen Revolutie in 1989, wil begrijpen, heeft er veel baat bij zich in de achtergrond ervan te verdiepen. De cultuur, of meer specifiek de literatuur (in de meest brede zin) speelde daarbij een doorslaggevende rol. Dat is voor ons, die al in 1945 werden bevrijd, nauwelijks meer te begrijpen. Die cultuur droeg bij aan de waardigheid van het verzet, die in het Westen niet naliet grote indruk te maken – behalve op een meerderheid van linkse politici – met als uitzondering minister Max van der Stoel – die nu eenmaal moeite hadden met dissidenten in wat ook voor hen (o, zalige onwetendheid) de kern van de heilsstaat vertegenwoordigde.

Voor Havel is in al zijn publicaties de mens, de eenling, steeds begin- en eindpunt van die civilisatie. Volgens hem moest het individu niet reddeloos aan de staat overgeleverd zijn, maar had het, om zich te kunnen ontplooien, beschermende instanties nodig, zoals als het gezin, een kerkgenootschap, de school of de universiteit. Zijn angst was dat niet alleen het communisme zulke ‘obstakels’ zou slechten, maar ook het kapitalisme. Toen al zei hij tegen mij dat de communistische en kapitalistische ‘systemen’ steeds meer op elkaar begonnen te lijken. Als het ware naar elkaar toegroeiden omdat ze beide rechtstreeks de burger (het partijlid, of de consument) dwingend wilden voorschrijven wat hij moest doen.

In de laatste tien jaar zal daar voor Havel nog iets bij gekomen zijn, dat hij misschien voor die tijd al enigszins kende, maar nooit aan den lijve had ondervonden. Het mediageweld. Sinds hij president is, staat hij, voorzover hij het niet zoekt, in het volle licht van de (internationale) schijnwerpers. De samenleving begint eraan gewend te raken niet langer ‘in de waarheid te leven’ (om een gevleugeld woord van Havel te gebruiken), maar in de actualiteit. Er is geen verleden en er is geen toekomst. Er is alleen het hic et nunc, een myope beperking van de werkelijkheid die veel van wat ooit belangrijk werd geacht in hoog tempo doet vervagen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


OBECNI DUM, JUGENDSTIL IN PRAAG, 1912.

Die niet-aflatende belangstelling van de media treft ook de president. Ze verklaart ten dele zijn onbereikbaarheid. Zelfs zijn oude vrienden (en zijn eigen broer) krijgen hem nauwelijks nog te zien. Ze verklaart ook de kritiek die hij steeds meer ondervindt. John Keane geeft er in zijn biografie, Václav Havel – A Political Tragedy in Six Acts, een overtuigende indruk van. Hij schetst omstandig hoe het charisma van de voormalige Charta-woordvoerder, de ongekroonde koning van de Tsjechische Republiek en de prins die Praag in1989 als een Doornroosje wakker kuste, afkalft.

Dat zien de burgers in Tsjechië ook. En wie je ook maar spreekt, men gelooft dat Havel zijn beste tijd gehad heeft. Met lede ogen ziet men aan hoe de oude communisten (net als in het voormalige Rusland) terrein terugwinnen. Dat is geen erg plezierige aanblik. Het communisme is hier immers niet zomaar een virulent virus, het is, na meer dan vijftig jaar (de communisten kwamen in 1948 met een coup aan de macht), net zozeer onderdeel van de Tsjechische cultuur geworden als de oude humanistische traditie dat was, de traditie die Havel en de zijnen voorstaan. Het is niet erg waarschijnlijk, maar het is ook niet helemaal uit te sluiten dat de komende jaren de populistische westerse volksgeest een, al is het maar tijdelijk, lelijk soort lat-relatie zal gaan met het communistisch misvormde proletariaat in het voormalige Oostblok.

Maar ik geloof het niet en ik word daarin gesterkt door wat allerlei aardige mensen in Praag mij dezer dagen vertellen. De kinderen die vandaag de dag van de universiteit komen, weten niets meer van het communisme en zijn volstrekt westers georiënteerd (het Russisch dat hun ouders nog moesten leren, is iets om je voor te schamen). De voortreffelijk Nederlands sprekende Zdenka Hrcirová, verbonden aan het instituut van de Karel Universiteit (foto) aan het Jan Palachplein – waar al vijfenzeventig jaar Nederlands wordt gedoceerd – voegt eraan toe dat studenten je een volstrekt fossiel vinden als je het nu nog over het communisme hebt..

Anderzijds is er die veelgeroemde Praagse (christelijke, Habsburgse, Joods-Tsjechische) cultuur. Is die diep genoeg in de jonge, vlot uitgedoste lijven ingedaald om dit deel van Midden-Europa voor een eventuele nieuwe barbarij te behoeden? Er is niets verstandigs over te zeggen. De ontwikkeling in dit deel van de wereld zal niet veel verschillen van die bij ons, en daar valt ook geen zinnig woord over te zeggen. Er is maar één verschil. Smaak. Havel had het erover toen hem onlangs in een televisie-uitzending werd gevraagd naar zijn criteria bij tal van ethische en politieke kwesties.

Smaak. Het is zo vaag als het is, en het zal de oude communisten nogal bourgeois in de oren klinken, maar het is een feit dat wie een paar dagen door de straten van het oude Praag dwaalt, zal merken dat men hier beslist meer smaak heeft dan bij ons. Het herstel van de stad met al die fraaie middeleeuwse, Renaissance- en Jugendstil-architectuur is met zorg gedaan. De voorbeelden ervan zijn velerlei, maar een van de meest spectaculaire is het schitterende Obecni Dum, het Gemeenschapshuis, dat in 1912 een thuishaven voor alle (Tsjechische) kunsten werd. Nu doet het dienst als grand café en is alleen de luister van de glazen kroonluchters al genoeg om je er uiterst bevoorrecht te voelen (terwijl naast je ongehoord rijke Praagse patjepeeërs champagne drinken).

EIGEN GEZICHT

JUGENDSTIL VAN ALPHONSE MUCHA IN PRAAG

Het is een beetje speculatief, maar na alles wat ik heb gehoord, gezien en gelezen lijk het me niet helemaal uit de lucht gegrepen dat men in Praag doende is de geschiedenis vanaf het vorige fin de siècle dunnetjes over te doen. De tentoonstelling in het Amsterdamse Van Gogh Museum – Poëzie en extase – Praag 1900 – lijkt daar ook al op te wijzen, want het verhaal dat de hier uitgestalde schilderijen en (prachtige) gebruiksvoorwerpen vertellen, is geen ander dan dat toen, rond 1900, geprobeerd werd Tsjechië en de Tsjechische cultuur een eigen gezicht te geven, en niet het Duitse of Oostenrijkse dat men onder de Habsburgers zo lang had moeten tonen.

De intentie van de tentoonstelling wordt ondersteund door een Nederlandse publicatie, de verhalenbundel Praag en het Fin de siècle van Wil Hansen en Kees Mercks, waarin onbekende, maar soms ronduit indrukwekkende verhalen van bekende en onbekende auteurs als Rainer Maria Rilke, Max Brod, Franz Kafka, Julius Zeyer, Jiri Karásek, Hugo Salus, Karel Hlavácek en Paul Leppin bijeen zijn gebracht.

Sommigen hunner kom ik weer tegen als Josef Kroutvor, cultuurpaus in Praag – de dag ervoor uitgebreid gefilmd door de Tsjechische televisie – mij uitnodigt in het pas heropende café Montmartre.

Ik moet, als ik er ben, even van mijn verbazing bekomen. Dat het er nog is! En zo prachtig!

Hier zagen de groten van de Tsjechische literatuur elkaar, Hasek, Kafka, maar ook de zojuist genoemden als Salus en Leppin (die in ‘Het spook van de jodenstad’ uit 1914 de schrijnende armoe, de leegloop en de ontucht in het getto verbeeldt). Hier in café Montmartre, waar vooral de ‘razende reporter’ Egon Erwin Kisch van zich deed spreken, begon het boeiende leven van de Praagse bohème, die met zijn verhalen zo’n krachtig stempel op de stad heeft gedrukt dat het proletariaat het ondanks alle culturele onverschilligheid in die jaren niet heeft kunnen uitwissen. Hier zou een nieuwe Tsjechische ‘Wedergeboorte’ – de eerste was eind vorige eeuw – kunnen beginnen.

Zou Havel het nog meemaken?

Ik heb hem na onze enerverende ontmoeting in 1983 nog eenmaal gesproken. Telefonisch. Ik had zijn nummer thuis. Dat was toen minister Hans van den Broek meende dat de Erasmusprijs niet aan Charta (een groep), maar aan Havel (een individu) moest worden toegekend. Havel reageerde furieus. Wij deden het sámen, zei hij, met die kuchjes van hem (alsof toen zijn longen al geheel naar de knoppen waren). En we krijgen sámen de prijs.

Daarna werd het stil om hem heen, zeggen zijn vrienden, die ook zijn nieuwe vrouw niet zo zien zitten (terwijl ze met Olga konden lezen en schrijven). Havel beweegt zich, voorzover zijn zieke lijf het hem toestaat, alleen nog op het hoogste niveau. Met Kerstmis is hij bij de paus.

 

  WERK VAN JIRI SOPKO

Kroutvor had me gezegd dat ik beslist de schilderijen van Jiri Sopko in de ruime bovenzalen van café Montmartre moest gaan zien. Wat ik doe. Speels-ernstige fantasieën van een groot kind. Als ik daarna nog even naar de Moldau wandel om een laatste blik op de Burcht te werpen – die aangelicht is alsof er opnamen voor een groots Hollywood-spektakel worden gemaakt – schiet me te binnen dat in de presidentiële vertrekken van Havel doeken van Sopko hangen. En ineens begrijp ik dat Kafka het gezag nooit zo raadselachtig en ongrijpbaar had kunnen verbeelden als in zijn slot ook werk van Sopko had gehangen.

Zo kent elke tijd zijn eigen betovering.

 

 

Oorspronkelijk gepubliceerd in de Volkskrant van 23 december 1999
Om Praag, ook literair, beter te leren kennen, herlas ik behalve het Verzameld Werk van Franz Kafka in het Duits en het Nederlands (door Querido uitgegeven) ook ‘De lotgevallen van de brave soldaat Svejk’ (in een nieuwe editie van de voormalig communistische uitgeverij Pegasus).
Een schot in de roos was ‘Magisch Praag’ van de Italiaanse slavist Angelo Ripellino.
Indruk maakte het werk van Václav Havel, zoals ‘Drei Stücke: Audienz/Vernissage/Die Benachrichtigung. Mit einem offenen Brief aan Gustav Husak’; ‘Versuch in die Wahrheit zu leben. Von der Macht der Ohnmächtigen’; ‘Briefe an Olga. Identität und Existenz – Betrachtungen aus dem Gefängnis’ en ‘Largo Desolato – Schauspiel in sieben Bildern’,  allemaal als rororo-pocket verschenen.
Belangrijk was ook het boek van Jiri Grusa, ‘Franz Kafka aus Prag’ (S.Fischer Verlag, 1983) dat Kafka’s Praag gevoelig en trefzeker in beeld brengt.
Later kwam daar nog bij: Klaus Wagenbach: ‘Franz Kafka. Bilder aus seinem Leben’ (Van Gennep, 1985). En: ‘Das Leben, das mich stört’ van Rotraut Hackermüller over ziekte en dood van Kafka tussen 1917 en 1924 (Medusa Verlag, Berlijn, 1984).
Verder een mooi boekje van Hans-Gerd Koch, die herinneringen aan Franz Kafka van diens vrienden verzamelde in: ‘Als Kafka mir Entgegenkam….’ (Verlag Klaus Wagenbach, Berlijn, z.j.).
In 1999 verscheen ‘Praag en het fin de siècle’, een bundel verhalen van veelal onbekende, maar buitengewoon knappe Tsjechische vertellers, die door Wil Hansen en Kees Mercks werd samengesteld (Meulenhoff).  En: ‘Poëzie en extase – Praag 1900’, de catalogus van  de tentoonstelling over Praagse kunst rond de vorige eeuwwissling die van 17-12-99 tot 26-3-00 in het Van Goghmuseum werd gehouden.