Logboek

 

 

 

 

 

8 APRIL  Je onthoudt je. Om jezelf, om de ander, en zolang je niet ziek bent, heeft die onthouding een zekere vrijwilligheid zoals katholieke huisvaders vroeger moeten hebben ervaren als ze de geslachtsdaad uitstelden. Ik kom niet uit wat je noemt een katholiek nest, maar voor mij is Pasen altijd verbonden gebleven met het katholicisme uit mijn jeugd, als ik met moeder, broers en zussen – nee, vader niet, die deed niet aan die flauwekul – ter kerke ging. De afgelopen jaren herstelde ik die traditie in ere. Niet naar een katholieke kerk, maar naar een protestantse. Op hoogtijdagen fietste ik met Pasen, Kerstmis en Pinksteren steevast naar de Oude Kerk op de Wallen waar ik overigens ook graag ben als het géén feest is, ik bedoel de kérk, niet de Wallen. Helaas wordt een bezoek me de laatste jaren regelmatig bemoeilijkt omdat degenen die over de kerk gaan, menen daar kunst te moeten uitstallen. Nu, bijvoorbeeld, kun je de Oude Kerk maar beter niet binnen gaan. Zandzakken roepen er herinneringen op aan de oorlog.  De ramen zijn afgeplakt. Heel akelig. Of dit kúnst is, mag iedereen zelf uitzoeken, maar voor mij is de vraag waarom aan een zo mooie kerk  – waar Sweelinck en Saenredam al eeuwen in grote harmonie samenkomen – zulke concept-art moet worden toegevoegd. Degenen die dat op hun geweten hebben, zijn volgens mij verstoken van elk religieus gevoel, en dat is misschien nog tot daaraan toe, maar ze snappen ook niets van kunst. Wittewijnsippende snobs zijn het. Tot overmaat van ramp zijn ook de kastanjes op het Oudekerksplein omgewaaid. Ik weet niet of ze alweer vervangen zijn. Tot voor kort kon ik er niet heen, omdat ik geen zin had in de aanblik van al die gemelijk vetzakken die hier dag en nacht de vrouwen begluren, maar nu zij verdwenen zijn, en het er adembenemend stil moet zijn, kan ik toch de kerk niet in. Geen dienst, geen Pasen, geen kaarsen, geen licht, geen domina die preekt over de verrezen Christus, en geen liederen van Sweelinck, geen koor en geen dreunend orgel. Dat is geen onthouding, dat is een stráf. Vorig jaar inspireerde het kerkbezoek met moeder mij tot het volgende gedicht.

I N R I

Het licht viel als stofgoud op
mijn moeders mooiste mantel.
Zij bad, haar beide ogen dicht,

ik keek. Ik kon al lezen, ik zag
de norse man die alles zag.
Eerbied in Gods huis beval

de sjerp om zijn tors die spande.
Boven Christus’ doornenkroon
trof me een woord dat ik niet lás,

maar spelde. Zou het zo gekomen
zijn? Van God gegeven teken, klank,
nadien geen letter ooit meer

ongemoeid gelaten. Inri zong het
in me, inri. Wist moeder wat daar
aan het kruis genageld stond?

Nooit durven vragen, zoals je
zoveel niet durfde vragen en het
raadsel almaar groter maakte.

Totdat ik de oude taal verstond
en de code breken kon. Jezus,
las ik, Jezus, Koning Der Joden.

Zó honend kroonde Pilatus de
Messias die de rabbi’s wilden
doden. Wat ik geschreven heb,

dat heb ik geschreven. Zijn spot
verjoeg mij uit de tempel. Toen
verried ik moeders godsvrucht.

 

     

 

6 APRIL. Op de radio hoorde ik dat je jezelf thuis goed moet blijven verzorgen. Ook al werk je niet, doe alsof. Poets je tanden, scheer je elke ochtend, neem een douche, trek schone kleren aan en kam je haar – dat werk. Ik moest vreselijk lachen, want zestig jaar geleden kregen wij als rekruten bij de Luchtdoelartillerie in Ossendrecht hetzelfde advies. Poets je tanden, scheer je elke ochtend, was je van top tot teen, olie je spuit, wrijf je kistjes tot ze glanzen, blanco je koppelriem, trek een vers gestreken gevechtspak aan en haal een kam door je haar alvorens er een helm op te zetten. Zo werd je geacht beter bestand te zijn tegen het vijandelijke mitrailleurvuur. In elk geval stierf je netjes.

 

 

 

5 APRIL.   Albert Heijn adverteert weer met paaseitjes. Kennelijk vreest het management geen verlies van moslim-klanten meer die zo’n verwijzing naar het paasfeest als kwetsend zouden kunnen ervaren. Maar verstopeitjes, zoals de appie ter vervanging vorig jaar nog suggereerde, ging er niet in. Aanpassen dan maar. Alle islamitische, christelijke of joodse neuzen dezelfde kant op. De klant is koning. Mijn lieve bovenburen, zij van Turkse herkomst, hij aan gene zijde van het IJ in Noord-Amsterdam opgegroeid, hebben allebei het coronavirus in hun longen weten te smoren. Vanaf ons balkon praten we met ze in de zon. Wat een feest. Palmpasen, ik zet de Matthäus op de radio aan en lijd weer met Christus mee, terwijl ik opstijg met het wonderschoon gezongen Erbarme dich.

 

 

3 APRIL  De vraag was of er in de Biblebelt meer corona voorkomt dan elders in Nederland. Lekker onderwerp. De associatie ligt voor de hand. Die bijbeltjes in de zogenoemde Bijbelgordel móeten het virus wel oplopen. Ze zijn zo achterlijk dat ze hun kinderen niet laten inenten, mannen naaien de vrouw tegen haar wil, echtscheiding is op straffe. van eeuwige verdoemenis verboden, meisjes moeten net als hun moeders buitenshuis lange rokken en zwarte kousen dragen en ze verkeren meer met elkaar dan voor een gezonde voortplanting goed is. Elke dag wordt er in de bijbel gelezen, een nogal dik boek dat je nooit uit krijgt. In sociologische studies valt de Biblebelt samen met het lidmaatschap van de Staatkundig Gereformeerde Partij, mannenbroeders die elke denkbare zonde in de kiem smoren – en reken maar dat ze daar weet van hebben, van die zonde. Geografisch gezien strekt het bijbelse land – dat in Nederland naar goed Amerikaans gebruik Biblebelt – wordt genoemd, zich uit van Walcheren in het zuiden tot Staphorst en de Friese Wouden in noorden. Hoe men daar leeft, valt niet te zeggen. In de naoorlogse jaren zijn weliswaar steeds meer orthodoxe protestanten, de bevindelijk gereformeerden, naar deze gebieden getogen om onder elkaar te kunnen zijn, soort zoekt soort, maar de ingrijpende economische, sociale en technologische veranderingen die zich in die tijd overal voltrokken, hebben hun zeden en gewoonten niet ongemoeid gelaten. Er kwam nieuwbouw, er kwam import, inwoners gingen er met de auto op uit om elders te gaan werken, en er werd – al dan niet stiekem – televisie gekeken, zeker door de jeugd, die aan Gods woord geen boodschap had en het evangelie graag voor het mobieltje inruilde. Ik was er als  forens in de trein van Amersfoort naar Amsterdam jarenlang getuige van. Een bevriende huisarts vertelde me toen hoe vaak moeders ’s avonds aan de achterdeur om de pil of een vaccin tegen een gevaarlijke kinderziekte kwamen vragen. Zij woonde op een steenworp afstand van Utrecht, het Sodom en Gomorra, waar de bevindelijk gereformeerde doprsbewoners zich des zaterdags, net als iedereen, vergapen aan de uitgestalde overvloed. Er zijn 522.758 bevindelijk gereformeerden in Nederland, in heel verschillende tinten zwart. De vraag of onder hen meer corona voorkomt dan onder andere Nederlanders – denk aan Brabanders en hun carnaval – is niet te beantwoorden. Misschien later, als de crisis voorbij is, maar dan nog. De vraag stellen is wel verhelderend. Hij bevestigt impliciet een oud vooroordeel. Het berust op hoe het wás en niet op hoe het is. Wat in de vraagstelling meeklinkt is de voorkeur van Nederlandse mediadienaren – met nauwelijks enige kennis van de Nederlandse geschiedenis – voor Amerikaanse onderwerpen. Hebben wij ook! Tjonge, ja, maar zo’n biblebelt als die Amerikanen hebben, hebben wij niet. Ik heb nog niet zo heel lang geleden weken door het Diepe Zuiden van de Verenigde Staten gezworven – en er veel over gelezen – maar ik heb daar, in die goeddeels zwarte en soms nog zo ontmoedigend racistische contreien geen Staphorst, Urk of Hollandsche Rading aangetroffen. Ik zag er wél staaltjes achterlijkheid die me meer aan Nederland deden denken dan het geloof.

 

 

 

2 APRIL  Van bevriende zijde wordt mij erop gewezen dat lang geleden al heel nauwkeurig in beeld is gebracht wat ons thans overkomt.  Kijk maar naar wat Kees van Kooten en Wim de Bie toen op de televisie lieten zien. De televisie! Wij doen het meer en meer met de sociale media, maar het zou mij niet verbazen als de televisie dank zij die sociale media nog een lang leven beschoren zal blijken te zijn. Nu al kun je daardoor oeverloos films kijken. Of muziek luisteren. Of opera zien. Gisteravond zag ik in quarantaine voor mijn tv-toestel gezeten dank zij YouTube de opera Ritratto van Willem Jeths, een wereldpremière die door het coronavirus  niet in het theater kon worden opgevoerd. Een huiveringwekkend mooie voorstelling. Ik was er graag de deur voor uitgegaan, maar zo ging het ook. En hoe! Ritratto, dat portret betekent, verbeeldt het leven van de schatrijke Luisa Casati Stampa di Soncino, Marquese dit Roma, geboren Amman, een vrouw die tegen de achtergrond van de Eerste Wereldoorlog een turbulent leven leidde, omringd door beroemde kunstenaars zoals Man Ray of Gabriele d’Annunzio. Een uitspraak van haar was: ‘Ik wil een levend kunstwerk zijn’ en die woorden worden vooral door de barokke kostuums van Jan Taminiau sprookjesachtig mooi gevisualiseerd. Willem Jeths laat je mee beleven welke turbulente veranderingen de muziek – en de kunst in het algemeen – toen doormaakten.

 

 

 

1 APRIL  Geen grappen. Het is er de tijd niet voor. Alle volwassenen lijken doordrongen van de ernst die corona heet. Gelukkig zijn er ook nog kinderen. In de speeltuin voor mijn deur gaan ze naar hartenlust te keer. Hun bewegingen, vooral van de allerkleinsten, zijn soms zo komisch dat je haast wel moet concluderen dat de schepper de mens gemaakt heeft om hem te amuseren. De peuters weten dat gelukkig nog niet. Tegen de tijd dat ze het wel weten zijn ze niet zo grappig meer. Dan zijn het klierende scholieren geworden, altijd belust op weg naar de Albert Heijn (hun appie), de Starbucks of een ander Amerikaans luilekkerland waar zich volproppen met etenswaar die hun ouders – als het goed is – hebben verboden. Ja, de ernst des levens. De scholen in mijn buurt blijven nog minstens vier weken dicht. Ik begin die pubers nu al te missen.

 

 

 

LEES OOK MAART
LEES OOK FEBRUARI