Logboek

TERUG NAAR DE VOORPAGINA
VOOR DE ANDERE MAANDEN ZIE HET OVERZICHT
VOOR LOGBOEK APRIL TOETS HIER

 

Ongeschreven wetten

Je had wetten en óngeschreven wetten. Wetten werden door het Parlement aangenomen, iedereen werd geacht ze te kennen en bij overtreding kon je door een onafhankelijke rechter worden gestraft. Ongeschreven wetten waren afspraken. Je kon je eraan houden, of niet. Er stonden geen formele sancties op. In deze tijd zien we deze ongeschreven wetten in wétten veranderen. Je weet niet wie ze uitvaardigt, noch wanneer en hoe je ertegen hebt gezondigd, want er komt geen officier van justitie, geen rechter of advocaat meer aan te pas. Als je wordt beschuldigd ben je niet zomaar verdacht, nee, je bent al veroordeeld. Er is geen aanklacht, je kunt je niet verdedigen, maar gestraft word je wel, zwaar gestraft soms. Levenslang is heel gewoon. Toen lang geleden een meisje op Schiermonnikoog haar vader, een plaatselijke politieman, van incest betichtte, stond zijn straf vast. en kon hij het wel vergeten ooit nog politieman te zijn. Veel later kwam aan het licht dat het meisje had gelogen. Het viel op omdat deze zaak een uitzondering was. Gaandeweg is het beschuldigen en veroordelen zonder vorm van proces praktijk geworden. Dat weten we, iedereen kent de buitengewoon pijnlijke gevallen, maar wat doen we eraan? Het zou mooi zijn als het Parlement stelling nam, want dat gaat over recht en rechtvaardigheid in onze samenleving. Je kunt dat niet aan de eerste de beste overlaten. Maar als een Parlement uiteenvalt in eenlingen die alleen nog maar oog hebben voor hun eigen winkeltje, dat ze een riant staatssalaris oplevert, dan ziet het er voor onze democratische rechtsstaat slecht uit, te meer omdat het hun kiezers kennelijk geen barst kan schelen. Begrijpen die ook niet meer welke waarden hier in het geding zijn?
1 5  M E I

 

Een krankzinnig parlement

Ik ben even weg, voor een medische ingreep en het hele Parlement dondert in elkaar. Nog meer minvermogenden die op eigen houtje politiek gaan bedrijven. Nitwits zijn het, met wie geen verstandig mens iets te maken wil hebben, behalve onze media dan die zich weer eens uitputten in het geouwehoer waaruit moet blijken dat zij het zoveel beter zouden doen. Alsof de staatkundige bedrijvigheid in Den Haag hún taak is. Met een krankzinnig Parlement – en zulke journalisten – is het kwaad kersen eten. Ik zit nog bij te komen – meer van al dat partijpolitieke onbenul dan van mijn operatie, want die verliep voorspoedig dankzij de uiterst aandachtige, zorgzame en capabele verpleegkundigen – allemaal vrouwen, op een uit Giekenland gevluchte man na – en de artsen die in mijn geval aantoonbaar bekwaam hun moeilijke werk deden. Op de grens van leven en dood. Blijft hun zorg overeind? Of slagen al die de politieke kneuzen erin om samen en in vereniging met onze kletsprogramma’s op de tv ook dit heilzame werk te frustreren?
1 4  M E I  

 

Veilige taal

In de krant las ik dat de overheid opdracht heeft gegeven om na  te gaan of taal in de culturele sector veilig gemaakt kan worden. Men wil in die sector veilige taal. Het bericht daalde in mij neer als Gods woord in een ouderling. Al mijn leven lang snak ik naar veilige taal. Ik kreeg het belang ervan door toen ik in 1951 als elf-jarige jongen van school naar huis fietste. Ik had de gewoonte om telkens een andere route te kiezen. Daardoor kwam ik soms in buurten terecht die mijn verstandige moeder mij had ontraden. Daar konden de mooie schoenen die zij altijd liefdevol voor mij uitkoos en het nette pakje dat ik droeg weleens voor opschudding zorgen. En verdomd. Op een dag fietste ik door een steegje in de oude binnenstad van Utrecht, toen plotseling een grote knul met veel minder mooie schoenen en een ontzettend vies pakje achter mij opdook en mij hijgend, rochelend en spugend begon na te rennen. Ik stampte op de pedalen om hem te lossen, wat lukte, maar zijn woorden bleven mij achtervolgen. Vuile lamlul, weergalmde het tussen de onverklaarbaar bewoonde huizen. Vuile lamlul. Ik heb het mijn moeder nooit durven zeggen, maar veiligheidshalve meed ik voortaan de buurten waarvoor ze mij had gewaarschuwd. De taal van de knul had me zoveel angst ingeboezemd dat ik me heel lang niet meer buiten de gebaande paden heb gewaagd. Ik ben dan ook blij dat men er nu eindelijk, eindelijk aan denkt te beginnen om taal veilig te maken, al is het voorlopig alleen in de culturele sector. Andere sectoren komen ongetwijfeld later ook aan de beurt, net zo lang tot álle sectoren veilig zijn. Tot dat moment houd ik mijn mond en kom ik de deur niet meer uit.
1 1  M E I

 

Steden als paradijzen

De Hamburgse kunstenaar Jan Kamensky (34) verandert steden in paradijzen. Parijs, Wenen, Hamburg – oorden die al meer dan honderd jaar de dolle mobiliteit van het vervuilende, stinkende en luidruchtige verkeer te verduren hebben, veranderen onder zijn handen in oasen van rust en stilte. Kamensky maakt van pleinen, woon- en winkelstraten fiets-, wandel- en speelgebieden voor iedereen. Fantasie? Nee, je kunt het zien. In De Correspondent spreekt Thalia Verkade met de kunstenaar. Mooie en vooral geestige animaties visualiseren diens ideeën. Een feest voor het oog. Ik bekeek de filmpjes met plezier, bewondering en zelfs enige opwinding. Zó aangenaam – en wonderschoon! – zouden onze steden kunnen zijn als volksvertegenwoordigers, ondernemers, planologen, makelaars, vastgoedondernemers – die vooral – verkeersdeskundigen en journalisten met Kamensky zouden willen meedenken. Het is hoog tijd, lijkt mij, om onze prachtige, oude steden te bevrijden van alle almaar toenemende ballast die inwoners vaak letterlijk de adem beneemt. In plaats van de dying cities die Jane Jacobs in de jaren zestig van de vorige eeuw in Amerika zag, zouden in Europa groene, herboren steden de toekomst zijn. 
8  M E I

 

Ramsey Nasr en het virus

Als je het mooi vormgegeven boekje De fundamenten van Ramsey Nasr uit hebt, constateer je verheugd: zo opwindend en zelfs meeslepend zag ik de dreigende vernieling van onze aardkloot en van alle levende wezens die hem bevolken, niet eerder onder woorden gebracht. Het is de kracht van een goed betoog, je gevoel dat je het allemaal al wist; het moest alleen nog even zo welsprekend gezegd worden. De fundamenten is, met andere woorden, een buitengewoon overtuigend essay waarvan ik zou wensen dat in elk geval al die babbelende politici van ons het zouden lezen, al vrees ik dat die hoop ijdel is, maar wie weet. De fundamenten is bovendien uiterst aanstekelijk en tegelijkertijd even nuchter als lyrisch geschreven, het zoveelste bewijs van Nasrs wonderlijk veelzijdige creativiteit. Het boekje ademt de geest van een beschaving die aan alle kanten wordt aangetast, maar ook de vitaliteit bezit om ons en ons nageslacht van een toekomst te verzekeren. Als we ons maar blijven verzetten tegen de almaar voortwoekerende economie van de vernieling – het geloof in groei – en blijven opkomen voor een cultuur die behalve de kunst en het denken óók de natuur en onszelf omvat. Wij zijn zélf natuur, evenzeer als alles wat op deze planeet leeft, soms ouder dan de oudste steen… om met Vasalis te spreken.. Ook Covid-19, Ramsey Nasrs inspiratiebron, is natuur.
1 M E I  2021

 

Winnetou leeft

De eerste dode in mijn leven heette Winnetou. Hij was het opperhoofd van het nobele volk der Apachen, ver weg in Amerika. Ik woonde in Utrecht, was twaalf jaar oud en rouwde wekenlang om het verlies van een vriend, wat zeg ik, méér dan een vriend, een méns met wie ik samenviel als met mezelf. Ik wás Winnetou. In dezelfde tijd werd ik smoorverliefd op een meisje, Maria, Maria Hendrikse Knapen, met wie ik kort tevoren in de parochiekerk van de heilige Martinus aan de Oude Gracht plechtig mijn doopbeloften had hernieuwd. Ik ervoer in die dagen hoezeer dood en leven in elkaar kunnen overvloeien, maar ik leerde ook hoe heftige zielenroerselen je levenslust ondraaglijk kunnen prikkelen. Dat ging allemaal door me heen – en nog veel meer – toen ik in de NRC las dat Winnetou weliswaar was gestorven, maar lééft. Hij is uit de doden opgestaan doordat de boeken van Karl May, de schepper van Winnetou, Old Shatterhand en al die andere kleurrijke mannen, vooral mannen, in dat prachtige, verlokkende, lege land aan de overzijde van de oceaan, waar hij nooit geweest was, maar ik ooit poolshoogte zou nemen, opnieuw zijn vertaald. Ga ik ze lezen? Ja zeker. Niet omdat Winnetou nog deel uitmaakt van mijn innerlijke indianenleven, maar omdat ik benieuwd ben of mijn oude vertalingen bestand zijn tegen de nieuwe. Vertalingen zijn belangrijk. Je leert er werelden door kennen die in je eigen boeren-Hollands niet bestaan. Daarbij luistert het nauw. Doet de vertaling recht aan het origineel, áls je dat al kunt lezen? Karel van het Reve heeft dit probleem – net als vele andere – ooit nuchter belicht toen hij vertelde dat hij alle grote negentiende-eeuwse Russische schrijvers had leren kennen én waarderen door vaak gebrekkige vertalingen uit het Duits. Alleen Dostojevski, die beviel hem niet zo. Was zijn werk nóg krakkemikkiger vertaald dan dat van de anderen? Van het Reve nam later zijn strenge oordeel over Dostojevski enigszins terug, maar toen had hij geen vertaling meer nodig. Hij las het Russisch beter dan het hele Politbureau bij elkaar. Op de middelbare school las ik de boeken van Karl May in het Duits. Niet uit literair snobisme of om Maria Hendrikse Knapen te imponeren – die was trouwens alweer uit mijn leven verdwenen – maar omdat ik geloofde dat door Winnetou de Grote Manitoe mij zou helpen een hoger cijfer voor Duits te halen.
1  M E I