Logboek

TERUG NAAR DE VOORPAGINA
VOOR DE ANDERE MAANDEN ZIE HET OVERZICHT
VOOR LOGBOEK JUNI TOETS HIER

 

 

Dichtkunst

Floris Alkemade is een man naar mijn hart. Een avond lang boeide de rijksbouwmeester mij met zijn onderkoelde beschouwingen over de veranderingen die in onze samenleving onontkoombaar zijn. Janine Abbring hoorde het in Zomergasten blij en verrast aan. Mij verraste vooral de liefde voor de poëzie waarvoor Floris Alkemade aandacht vroeg met een fragment van een televisie-interview waarin Michel Houellebecq zich over de dichtkunst uitsprak. Menigeen vindt deze spraakmakende Franse auteur nogal een nurks, wiens proza je leest, maar niet voor je lol. En uitgerekend hij begint over het belang van de poëzie in een mensenleven en vooral in zijn leven als schrijver. Ik had het niet eerder gehoord, maar het stukje Franse televisie versterkte mijn indruk dat de poëzie ook voor Floris Alkemade een bron van inspiratie is als hij nadenkt over de maatschappij, het bouwen en de inrichting van onze steden. Heerlijk om uit die hoek bijval te krijgen. Poëzie is ons veramerikaniseerde mediatijdperk een kunstvorm die in het openbaar nauwelijks nog wordt gewaardeerd, maar een cultuur kan er niet buiten – of ze sterft af. Het zijn niet alleen de wóórden die met hun klank en ritme hart en hoofd beroeren, het is ook een levenshouding die je anders naar de wereld doet kijken dan waartoe onderwijs, arbeid en politiek je dwingen, een vorm van bijziendheid die alle schoonheid wazig maakt. 
2 0  J U L I  

 

Da Costa

Wook en humor gaan niet samen. Dat zegt Ilse Warringa van De luizenmoeder in de Volkskrant. Ze heeft gelijk. Zwarte kousen lachen niet. Des te grappiger is het stukje van Sylvia Witteman vanmorgen in de Volkskrant. Niet alleen registreert ze opgewekt een staaltje  grensoverschrijdend seksueel gedrag dat haar als oudere witte moeder door een zwarte man op de markt in Amsterdam te beurt valt, maar ook citeert zij Isaäc da Costa die schreef:

Kan het zijn dat de lier, die sinds lang niet meer ruiste,
die sinds lang tot geen harten in dichtmuziek sprak,
weer opeens van verrukking en hemellust bruiste,
en in stromende galmen het stilzwijgen brak?

Hoe lang kunnen we nog genieten van columnisten die je zo de weg wijzen naar de schatkamer van de Nederlands poëzie waar zoveel zeldzame anapestische tetrameters liggen te verstoffen?
1 3  J U L I

Binair

Omdat ik zelf al heel, heel erg lang binair ben, verplaats ik me niet meer zo makkelijk in mannen en vrouwen die niet binair zijn, dat wil zeggen medemensen die eruit zien als man, maar zich vrouw voelen – of omgekeerd. Lastig. Ik heb mezelf als man regelmatig op vrouwelijke gevoelens betrapt – ik las en genoot van poëzie, hield van smaakvolle kleding en had niet zoveel met mannen die van die mannelijke dingen doen, zoals wijdbeens zitten, opsnijden, niet luisteren, in te grote auto’s rijden en over vrouwen – behalve over potten – praten alsof het speelballen zijn. Ik heb er vaak over geschreven. Zo hoopte ik te leren aanvaarden dat ik waarschijnlijk nooit zo’n man zou worden, maar een vrouw werd ik ook niet. Wat dan wel? Die twijfel zeurt nog altijd zachtjes door. Lastig, maar hij (m/v) stimuleert me hoe dan ook om mee te denken over een manier van praten en schrijven die niemand, echt helemaal niemand, het gevoel geeft dat-ie wordt uitgesloten. Hoe doe je dat? Freeks Staps, de hoofdredacteur van het Algemeen Nederlands Persbureau, weet het al, maar het lijkt me niet verstandig zo’n mediamanager te volgen. Ik denk dat ik, lang geleden als taalkundige opgeleid, zelf maar eens ga zoeken naar een oplossing voor dat verdomde hij en zij, die twee voornaamwoorden die bewoners van ons westelijk halfrond zo akelig in twee groepen verdelen. Laten we ze vervangen door fij,  stel ik voor. Je schrijft en zegt dan: Fij loopt langs en groet fij. Maar nij of vij kan ook. Dan zeg je bijvoorbeeld: Nij belt aan en zegt dat nij eraan komt, nij moet de auto nog parkeren. Vij kan ook. Vij maakte vij onbeschaamd avances. Kiest u maar. Leerkrachten en andere betrokkenen – leerlingen, ouders, werkgevers, journalisten, uitgevers, redacteuren, copywriters, schrijvers en dichters – geef ik in overweging om kennis te nemen van de pogingen die de geniale taalkundige Noam Chomsky ondernam om de ingewikkelde systematiek van een levende taal met zijn transformationeel-generatieve grammatica recht te doen. Hij (vij, nij) kwam er niet uit. Chomsky’s onderzoek toonde in elk geval aan dat taal een veel en veel te ingewikkeld communicatiemiddel is om aan de eerste de beste woke – wakker geworden – mediamanager over te laten. Nij kan zich beter verdiepen in de praktische vraagstukken die niet-binairen in een binaire samenleving dagelijks het hoofd moeten bieden. Welke? Wanneer? Hoe erg? Hoe te voorkomen of te verhelpen? Lastig, maar daar hebben ze meer aan dan dat wij iedereen, ja, écht iedereen, óók onze al dan niet binaire nazaten tot in het derde en vierde geslacht, opzadelen met een uitzichtsloos taalkundig gepuzzel.
8  J U L I

 

Excuses

Ik bied alvast mijn verontschuldigingen aan. Over vijftig, of misschien pas over honderd jaar, hoop ik, zal ik van hoogopgeleide jongelui die het dan voor het zeggen hebben, te horen krijgen hoe fout ik was omdat ik (soms) vlees at, in een benzine-auto reed, soms met een Boeing naar Stockholm, New York of  Taormina op Sicilië vloog en mijn huis niet of nauwelijks had geïsoleerd, hoewel ik wist dat de beschikbare energievoorraad uitgeput raakte. O ja, ik maakte me mét mijn leeftijdgenoten die nooit een boek lazen, maar de godganse dag de smartphone als een adder aan hun borst koesterden, heel druk om van álles. Om de bondscoach, om de huizenprijzen, om het lerarentekort, om de opwarming van de aarde, om het vluchtelingenprobleem, om ongelijke kansen, om belastingontwijkende multinationals, om de rotstreken van De Telegraaf  tegen vrouwen als Sigrid Kaag en Femke Halsema en om het matige niveau van de vaderlandse politiek en journalistiek, om over de literatuur en vooral de literaire kritiek maar te zwijgen, en ik deed niks. Stom, stom, stom, ja, heel stom. Of was het lafheid? Gemakzucht misschien? Desinteresse? Of eenvoudigweg meer dan een mens in één leven aan kan? Maar, lieve genderneutrale bachelors en masters van kleur – of hoe jullie over vijftig jaar ook mogen heten – te mijner verdediging mag ik toch wel aanvoeren dat ik vanaf mijn achttiende levensjaar vijf dagen in de week zinnig werk deed in het belang van mijn medemensen, vrouw en kinderen liefdevol bijstond, offerde aan goede doelen, vluchtelingen in nood hielp, heel veel film keek, naar muziek luisterde, wandelde en fietste – om het milieu te ontzien, ja,  en óók omdat ik van het buitenleven genoot toen boeren op hun akkers nog tarwe, rogge en spelt oogstten in plaats van zonne-energie met high-techplaten. En ik las. Op 3 juli 2021 alweer mijn tienduizendste boek. Ik weet nog welk. Madoc. Het zegt jullie niks meer, zo’n Nederlands boek, maar ik kan er niet om heen. Ik was er bij toen het dagelijkse leven in Nederland almaar holler, banaler, rechtser en liberaler werd terwijl De Grote Noodzakelijke Verandering (DGNV) op zich liet wachten. Als op Godot (weet iemand nog wie dat was?) En ik deed niks. Ik probeerde alleen de paar jongelui die dit domme, domme uitstel aan het hart ging te troosten met het verhaal van mijn grootouders die honderd jaar daarvoor armlastig en onopgeleid als ze waren Drenthe en de turf achter zich lieten om in Duitsland een boterham in de kolenmijnen te verdienen. Daar, in het Ruhrgebied, leek het ze zowaar een poosje voor de wind te gaan, totdat het gruwelijke abces dat ‘nationalisme’ heet in de zieke onderbuik van Europa openbrak en hele volkeren – ook het Nederlandse – met zijn dodelijke pus vergiftigde. Miljoenen onschuldigen – onder wie mijn familieleden – hebben het niet kunnen na vertellen. Maar ik overleefde…  
1  J U L I