Logboek

 

Zie ook Dagstukjes

 

14 AUGUSTUS  Honden zijn tegenwoordig in mijn buurt overwegend dure honden. Rashonden vaak. Met een stamboom. Mooi. Maar zelfs een rashond schijt. Waar? Bij mij op de stoep. Wie ruimt het op? Niet de hond. Zijn baasje of bazinnetje evenmin. Bleef de hondse stront tot een enkele drol beperkt, dan viel er mee te leven. Er is meer smerigheid in Amsterdam die je het hoofd te bieden hebt. Maar er zijn vandaag de dag zóveel honden dat hun uitwerpselen steeds meer straat en groen bevuilen. De kostbare troetelwezens mogen álles. Je ziet ze zelden aan de lijn. Teruggefloten worden ze ook niet. Luisteren is niet hun fort. En de eigenaren? Die lijken hun dieren heilig te hebben verklaard, als de koeien in India. Het zijn – aan hun uitdossing te zien – meestal hippe, eigentijdse mensen, die dan ook, veronderstel ik, geen gelovigen, maar heidense godloochenaars zijn. Je vraagt je af wat zulke mensen met deze haast religieuze adoratie aanmoeten. Misschien doen ze het voor de kids of voor hun status of tegen de eenzaamheid. Maar poep is poep. Die laat zich niet in iets hogers transformeren. Pis evenmin. Steeds meer bloemen in mijn geveltuin laten hun kopjes hangen. Het is één grote smeerboel, lastig te rijmen met de chic van de hondenbezitters. Bij hen thuis is alles vast en zeker een en al glanzend design. Uitheems personeel genoeg. Maar buiten – in de openbare ruimte die vroeger voor iedereen was – mag ongebreideld gescheten en gezéken worden. Wie een opmerking maakt, voelt de afweer. Zelfs agressie kan je deel zijn. De gemeente plaatst hier en daar een bord. ‘Om te kunnen handhaven.’ Maar zo’n bord ruimt de stront niet op. De gemeente ook niet. Wie dan wel? Ik zou het niet weten. Mij blijft niets anders over dan óók de hond maar heilig te verklaren.

 

11 AUGUSTUS De komkommer van deze zomer is het ei. Media-employés proberen er al dagen iets voedzaams van te bakken. Maar het is één grote knoeiboel. Het smaakt nergens naar. Niet naar kip, niet naar ei. Woorden spetteren rond. Bloedluis, fipronil, voedselveiligheid, NVWA, FAVV, Chickfriend. Je zou er misselijk van worden. Niemand heeft nog hoeven braken, maar de apocalyps is al een feit, zelfs in België. Miljarden eieren vernietigd, miljoenen kippen geruimd, honderdduizenden pluimveehouders met hun plasje naar de dokter. De media hebben zo’n onverzadigbare behoefte aan drama – Eva Jinek voorop – dat het er koste wat kost zal zijn. En dan vraagt de Volkskrant zich vandaag af: ‘Hoe ver gaan Trump en Kim Jong-un?’

 

 

9 AUGUSTUS  Zomer is voor mij behalve zwemmen in de zon een aangename afwezigheid van de gebruikelijke kippendrift in mijn buurt. De straten zijn leeg en stil. Vreemd als in Het Uur U van Martinus Nijhoff. Of door de hitte loom ontregeld als in het verhaal Oud-Zuid van Nicolaas Matsier. Om mijn oud woonhuis scholen staan, twee, met allebei duizend leerlingen. Weg. Naar Bali, naar Curaçao, naar Benin. De wijde wereld in. Weg. Hun plaats is ingenomen door gebutste busjes met bouwvakkers die de godganse dag door – ook in het weekend – schuren, zagen, hameren en elkaar bassig aanroepen. Het is de oplevende economie, meneer. Het ene huis na het andere wordt verkocht en gestript. Men laat – in zo’n mooi huis dat de oorlog nog heeft meegemaakt – geen steen op de andere. In de tuinen wordt alles wat groeit en bloeit en altijd weer boeit met wortel en tak uitgerukt. De nouveau riche legt dwingend zijn wansmaak op aan wat in de tijd van Berlage zo liefdevol, vakkundig en gedetailleerd werd gemaakt. Strak moet het zijn. Strak als de vrouw van Trump die zich hier nu misschien meer thuis zou voelen dan ik…

 

10 JULI Een eerste zin is belangrijk. Van een boek, van een opstel en vooral van een krantenstuk. Zo’n zin, kreeg ik als leerling-journalist bijna zestig jaar geleden van Henk Huurdeman,  de latere adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant, te horen moest pakkend, mooi en liefst ook literair zijn en met literair bedoelde hij zoals Multatuli, Couperus, Vestdijk, Bordewijk en Van Schendel het deden. Nooit meer  vergeten, maar eenmaal volwassen slaagde ik erin Henks stelling op mijn manier toe te passen en poëticaal gezien naar het hogere niveau van de vorm te tillen. En naar de journalistiek. Hoe je iets zegt is minstens zo belangrijk als wát je het zegt. Die eerste zin hoefde dan ook niet pakkend, mooi of literair te zijn, vond ik, die eerste zin moest de tóón zetten. Al in die eerste zin moest de lezer een schrijver ontmoeten die hem tot en met de laatste zin zou boeien én overtuigen – wat misschien hetzelfde is. Sindsdien heb ik aan een eerste zin voldoende om een krantenstuk over te slaan. Uit ervaring weet ik dat zulke stukken je niets opleveren. Meestal betreft het in elkaar geflanste gelegenheidsartikelen, zoals je die ook op opiniepagina’s tegenkomt. Ze missen een auctor intellectualis wiens stem je in zijn dwingende en tegelijkertijd losse betoogtrant hóórt. Die klánk geeft zijn woorden betekenis. Ik moest hieraan denken toen ik in de Volkskrant een artikel van Arie Elshout las over Trump en Poetin dat begon met de zin: ‘Amerikaans-Russische toppen trekken altijd weer de aandacht.’ Ik schoot nog nét niet in de lach, al scheelde het niet veel, las zelfs verder – vanwege het onderwerp – maar moest ten slotte teleurgesteld vaststellen dat ook ditmaal mijn theorie niet was gefalsifieerd.