Langbånshyttan – 23

 
 
Hij betrapte zich erop dat het hem elke dag zwaarder viel Sandra te bellen of haar op te zoeken. Soms dwong hij zich, gingen ze naar de bioscoop, kusten elkaar en voelde hij weer de buigzaamheid van haar lichaam, de overgave die hem ontroerde en de sensatie van voltooidheid die daaruit voortvloeide, maar hij ontveinsde zich niet dat het parelmoer van hun ontmoetingen veel van zijn glans had verloren – wrijven hielp niet. Sandra, tevoren zo ondernemend, degene die hun levens op een gemeenschappelijk geluk leek te kunnen afstemmen, die hem als een alpiniste was voorgegaan, nam geen enkel initiatief meer. Alsof ze wachtte, afwachtte. Ze drong zich aan hem op, toen hij een week later met Aus stond te etsen. Hij had haar in geen weken gezien. Hij was ook zo druk – de godganse dag op de krant met Boem Paukeslag in de weer, ’s avonds op zoek naar de vorm voor zijn abc, twee avonden met Antoine naar de Luis om te experimenteren en op donderdag, zijn vaste dag, het etsen met Aus – dat hij zich niet kon heugen zelfs maar een gedachte aan haar te hebben gewijd. Maar nu, nu hij met Aus schuin achter zich de etspers instelde, was ze er toch opeens weer. Sandra. Hij had heel lang aan de kop van Antoine gewerkt, de waslaag aangebracht, de voorstelling er met zo min mogelijk krasjes in gegrift, het bijtende zuur uitgegoten en nu het drukken, mijn God, zoals hij daar straks zou staan met het eerste vel papier in zijn trillende handen… Het mocht niet mislukken. Sandra. De eerste druk was nooit de beste. Hij was zich Aus’ nabijheid bewust. Nooit goed… Nee, nee, Werner, nog een keer, beter. Heel soms de goedkeuring van Eugène Lok als hij met half dichtgeknepen ogen achter zijn ziekenfondsbrilletje zijn werk kwam monsteren… meester etser, mijn God… Nee, nee, Sandra… Nu! Hij pakte het eerste vel, voorzichtig, met beide handen. Hij hoorde Aus, goed, Werner, prima. ‘Antoine’, zei hij heel zacht, als om met het uitspreken van die naam een emotie te temperen die te hevig was om in deze werkplaats te tonen, en van het ene moment op het andere schoot hij vol. Hij kon wel janken. Antoine, je kop. Ik ga je redden, jongen. Wat miste hij toch? Aus zei: ‘Leg hem even op de lichtbak, Werner,’ maar Werner voelde zich kregelig worden. Ongeduldig pakte hij een koker en rolde, voorzichtig, voorzichtig, niet
kreuken, zijn prent erin. Oprotten, Aus. Zijn angst, weggeëbd na de schokkende avond van het koeienoog, was plotseling in volle omvang terug. Een stortbad van angst.
 
Godverdomme, het ging juist zo goed met hem. Hij was in beweging, doelgericht, man uit één stuk, zijn bespiegelingen en gevoelens verwekten ideeën, plannen en fantasieën die hem telkens weer over het dooie punt van vandaag heen tilden naar een vrije, nog onbetreden ruimte, zijn geest niet langer verward. Zijn geesteskinderen spéélden, speelden krijgertje, buitelden over elkaar heen, tikkie, ik heb je. Hoofd en hand waren niet langer gescheiden, maar godnogaantoe, daar waren ze weer, zijn schrikbeelden, zelfs op klaarlichte dag. Hij zag zich weer staan, radeloos brullend op het Domplein, er na aan toe zichzelf te verminken of zijn pik te tonen in de hoop dat ze hem naar het gekkenhuis zouden sleuren en opnemen, voorgoed van de wereld. Op elke hoek wachtte de dood, geen gedicht liet hem nog toe, zijn hoofdhuid begon zo heftig te schilferen dat hij ’s avonds laat zijn heilige boeken bij het open raam moest uitschudden zoals zijn moeder vroeger met het tafelkleed deed.
 
Hij sprong op zijn fiets en reed naar de Maliebaan.
 
Reed?
 
Hij stampte op de pedalen.
 
Nat van het zweet belde hij aan. Ze deed zelf open. Leek niet verbaasd. Noodde hem binnen, elegant, joyeus, en ging hem voor door een brede marmeren gang. Overal deuren, waarvan er een aanstond. Haar werkkamer? Hij gunde zich geen tijd voor verdere veronderstellingen. Zijn prent. Hij was al begonnen hem, lopend en wel, uit de koker te halen. Ilse merkte het, draaide zich om en keek hem vragend aan. Toen liet ze haar blik zakken. ‘Mooi,’ zei ze, ‘mooi, voor een beginner.’
 
Ze liep door en zei nog: ‘Binnen zullen we je werk eens goed bekijken,’ maar die eerste woorden, ‘mooi’, ‘mooi’ verdreven met een juichend tremolo de spanning die zich in hem had opgehoopt. Alsof ze hem opende, hem reanimeerde, mond op mond. Het liefst zou hij haar tegen zich aan hebben gedrukt.
 
Toen zei ze: ‘Kom, laten we naar binnen gaan,’ en ze ging de kamer binnen waarvan de deur open was. Hij betrad, aarzelend, een hoge, ouderwetse ruimte, die nog groter leek door de met tal van planten gevulde serre waarachter hij haar tuin ontwaarde – haar heemtuin.
 
In het midden van wat je rustig een heel deftige salon kon noemen, omlijstte een grote, barokke schouw een gezellig knapperend houtvuur. Vier groenfluwelen crapauds hielden de wacht ervoor en een oosters tapijt bedekte bijna de hele eiken vloer, waarvan de naden, zag hij tot zijn verrassing, op traditionele wijze waren gebreeuwd.
 
‘Ga zitten,’ zei ze en wees op een van de zetels, ‘ik haal wat wijn.’
 
‘Op de kennismaking,’ zei ze toen ze terugkwam.
 
Hij had nog nooit wijn geproefd. Het leek hem in dit huis vanzelfsprekend om wijn te drinken. Even had hij de vreemde sensatie dat hier alles vanzelfsprekend was, hij ook. Die indruk was zo overrompelend dat hij algauw onbekommerd begon te kletsen. Over de stedebouwkundige ingrepen in zijn stad. Over de vernieling die ermee gepaard ging. Over de krant, over Boem Paukeslag, over drukken en letters, maar over zijn alfabet sprak hij niet, net zo min als over het lood, hoewel hij, naarmate de avond vorderde – en misschien ook de wijn zijn invloed deed gelden – dat onderwerp gevaarlijk dicht naderde.
 
Merkte ze er iets van? Misschien. Werner bevroedde dat ze niet voor niets uitgebreid de boekdrukkunst ter sprake bracht, waarvan ze net als Helmut, veel bleek te weten. Ze noemde het ‘de meest ingrijpende omwenteling in de westerse geschiedenis tot nu toe – verbonden met het zo nobele humanisme.’ ‘En met Erasmus,’ zei ze, die als man van het woord, van de bonae litterae, meteen het belang van die uitvinding had onderkend. ‘Niet weg te slaan uit de eerste drukkerijen in zijn tijd!’
 
Daarna vertelde ze, ongevraagd, over zichzelf. Ilse Hammacher, femme fatale én femme savante tegelijk, bleek conservator in het Centraal Museum te zijn, hoofd van het prentenkabinet. ‘Maar eigenlijk,’ zei ze, ‘ben ik renaissanciste.’
 
‘Renaissanciste?’ vroeg Werner.
 
‘Ja,’ zei Ilse, ‘renaissanciste, dat wil zeggen dat ik alles van de renaissance weet.’
 
Ze zei het op de halfspottende toon die hij inmiddels van haar kende, maar nog niet kon duiden. Het was geen ironie en ook geen onzekerheid. Het was iets wat bij haar hoorde en toen ze wat langer aan het woord was geweest, merkte hij dat ze een manier van moduleren had die ondanks haar overtuigende kennis van zaken iets voorlopigs aan haar formuleringen gaf, alsof ze het zó kon vertellen, maar ook zó, zonder dat ze de werkelijkheid geweld aandeed. Het droeg ertoe bij, net als haar glimlach, en soms een vrolijke schaterlach, dat haar verhaal geen les of exposé werd, maar een meeslepend relaas dat zich van elk hic et nunc leek los te maken om hem, verwarde twintigste-eeuwer, het houvast te bieden dat hij al zo lang zocht.
 
Met alle uitweidingen, grappen, zijsprongen en toespelingen maakte ze haar vertelling almaar mooier, zoals zijzelf almaar mooier werd terwijl ze praatte, het houtskool van haar wimpers als een donkere schaduw op haar wangen telkens wanneer ze de blik neersloeg, haar mond halfopen, haar lippen rood en glanzend – op een verwarrende manier vrouw en kind tegelijk, wereldwijs en onschuldig, een wereldwijze onschuld.
 
Had Aus dát bedoeld?

WORDT VERVOLGD