LANGBåNSHYTTAN – 22

 
ZINLOOS, VOLGENS HUN GIDS, OMDAT HET OORD DOOR HET LOOD VERDOEMD WAS…
 
 
 
22
 
‘Melk’ riep hij, nog steeds onder de indruk, toen ze die week op hun vaste maandagavond bij Antoine samenkwamen. Iedereen keek hem aan. ‘Geef mij maar een borrel,’ zei Douwe.
 
Hun bijeenkomsten werden vrijer en vrijer, inderdaad langzamerhand meer een vriendenkring dan een redactie-onderdeel. Ze bleven langer bij elkaar, bespraken meer dingen, ook persoonlijke. Die avond mocht Werner over Panini uitpakken en het viel hem op dat vooral Antoine heel geïnteresseerd luisterde. Het was die wederzijdse aandacht voor al hun besognes en gekkigheden, die niettemin het doel van hun vergaderingen onverlet liet, waardoor Werner zich steeds meer op hun overleg ging verheugen. Hij begon er op zondag al naar uit te zien, enigszins dacht hij, zoals hij vroeger de hele week door naar het voetballen op zaterdag verlangde, lang geleden toen hij nog met vader, moeder en Aleida in de Vogelenbuurt woonde. Niet kunnen wachten en ten slotte wel een uur te vroeg op het veld, de geur van het gemaaide gras, de natte kalk van de lijnen, de spatten op de stoppels, de rulle aarde daartussen, de lege goals en de slaphangende netten – het terrein klaar voor zijn heldendaden. Maar
o, wee, als het regende en de hele boel werd afgelast…
 
Hij had het gevoel dat er, voor het eerst in zijn leven, veel op zijn plaats begon te vallen. Op de zetterij zat Helmut de hele dag voor hem klaar. Altijd bereid hem, in technisch-typografisch opzicht, bij te staan. Twee avonden in de week ging hij naar de Luis waar hij met Antoine fotografie en grafiek probeerde te mengen, hun ‘zwarte kunst in de donkere kamer’, zoals Antoine het noemde.
 
Ging het beter met Antoine? Je zou het niet zeggen. Werner dacht aan donderdagavond toen ze zij aan zij in de donkere kamer, met alleen de rode lamp aan, hadden toegekeken hoe een runderoog glanzend in de ontwikkelaar kwam bovendrijven, zich optrok aan het licht, o, Newton, uit het licht werd geboren.
 
Het was doodstil geweest, altijd een enerverend moment, en terwijl ze wachtten, had Antoine langs zijn neus weg gezegd: ‘De specialist in het ziekenhuis heeft gemeend me gisteren te moeten duidelijk maken dat ik me op het ergste moet voorbereiden.’
 
Werner was zich rot geschrokken en had, vooral ook door die rare, omslachtige manier van zeggen, geen nadere uitleg durven vragen. De foto van het ondoorgrondelijke koeienoog was prachtig geweest.
 
De volgende dag, op weg naar de krant, deed Werner zijn uiterste best om zich op de ontmoeting met Antoine voor te bereiden. Wat voor houding moest hij in godsnaam aannemen? Die man was stervende. Maar zodra ze elkaar zagen was hun bejegening als vanouds. Koetjes en kalfjes. Het werk. Om een uur of drie ging hij naar huis om zich verder te verdiepen in het lood, studeren op zijn alfabet. Hij stond nog niet buiten of het zweet brak hem uit. Binnen de kortste keren was hij doorweekt. Je kon hem ruiken, vreesde hij. Hij bleef maar zweten, ook nadat hij op zijn fiets was gestapt en Pausdam opreed en het beeld van Ilse voor zijn gezonnebrilde ogen verscheen, hoe ze zich, misschien lichtelijk verstoord, van hem losmaakte. Zijn schaamte, de volgende dag. En met die schaamte dienden zich zijn vertrouwde demonen aan. In slagorde kwamen ze aangemarcheerd, Ilse met een Fidel Castro-pet voorop. Hij hoorde zijn vader vloeken, grimmig, godverdegodver, terwijl zijn moeder smalletjes over haar hosta’s gebogen stond. ‘Die verdomde schaduwplanten,’ gromde zijn vader. De huttentocht met Sandra werd een aaneenschakeling van valkuilen, de onverwachte, peilloze spleet in de gletsjer die hij op het nippertje met een sprong kon ontwijken, de rotspunt die afbrak en zijn val – meters schoof hij het ravijn in –, de gevreesde, plotseling opkomende mist die hen in een ondoordringbare, klamme wattenlaag wikkelde, Sandra, geen twee meter van hem af, al onzichtbaar, alleen haar stem, ‘Werner, Werner’ – het hield niet op, de beelden golfden maar aan, een non-stop film in de Cineac. De man die ze onder hun ogen van een stipje hadden zien groeien tot een rijzige, bebaarde bergbeklimmer, had hen ’s avonds in de hut deelgenoot gemaakt van de angst die eeuwenlang de bevolking van het Lötschental in zijn wurggreep had gehouden, vooral ’s winters als het dal hermetisch van de buitenwereld afgesloten werd en de lawines raasden. Hij had ze de angstaanjagendee maskers laten zien waarmee de bergbewoners hun spoken hadden willen verdrijven, zinloos, volgens hun gids, omdat het oord door het lood verdoemd was. Lötschental, Lonza – Werner was plotseling bang geworden. Hij hoorde de reusachtige keien in de rivier klotsen. Loden plekken, had de man gezegd, markeerden sinds mensenheugenis de rise and fall, de grandeur et misère van de Europese geschiedenis. Nu zijn ze alleen nog maar gevaarlijk, levensgevaarlijk.
 
Ilse, dacht hij, ik schaam me zo. O, godverdomme…  Als kind was hij niet bang geweest, oorlog, maar niet bang. Wanneer was het begonnen? Die angst om vóór zijn
drieëndertigste levensjaar te sterven, de angst dat zijn huid nooit meer zou ophouden te schilferen, de angst voor de kanker die zijn aars zou wegvreten en een stoma noodzakelijk zou maken…?
 
Nog niet zo lang geleden, in de tijd dat hij nog als verslaggever door de stad zwierf, was hij met een paar collega’s bij de inmiddels afgetreden burgemeester op bezoek geweest. Een diner met allerlei hoogwaardigheidsbekleders. De uitnodiging had hem niet blij gemaakt, zoveel bekakte hotemetoten, maar hij was gegaan. Zwetend had hij de zaal in ogenschouw genomen, de met damast gedekte tafels, de kaarsen, het glaswerk, het bestek, al die zilveren vorken, vorkjes, messen, mesjes, lepeltjes, mijn god, wie had er zoveel werktuigen nodig voor een bordje eten? Hij had nog nooit buiten de deur gegeten. Eenmaal op zijn stoel, schuin tegenover de burgemeester en diens
gade, was hij zo uit zijn doen geweest dat hij geen woord had kunnen uitbrengen. De vrouw had hem zo minachtend gemonsterd dat hij bang was geweest te worden verwijderd, zoals zijn vader, monteur met zijn vuile overall, in het chique Jaarbeursrestaurant was overkomen toen hij in plaats van de bestelde koffie een kaartje had gekregen waarop stond: ‘Op uw aanwezigheid wordt geen prijs gesteld.’
 
Hoe bang kon je zijn? Kon je je angst overwinnen. Wat vanbuiten kwam, ja, maar wat vanbinnen zat… Ilse… ‘Op uw aanwezigheid wordt geen prijs gesteld.’ Hoe vies moest je je dan voelen? Hoe minderwaardig. Ilse sprak niet bekakt. Zij sprak mooi, welluidend, zoetgevooisd, hij moest lachen. Ach, angst… Waar heb je het over? Angst is een spectrum, vergelijkbaar met het kleurenspectrum dat hij voor het eerst in een boek van Goethe had bestudeerd, met helemaal rechts het magische duister van de doodsangst en links, zég het Ilse, het wit dat alle angst in zich opgezogen heeft. Hij proefde haar hand weer. Waar was hij bang voor? Leerde het Corpus Hermeticum hem niet juist om niet te vrezen? Maak God groot, dan kun je nietig zijn. Onderga de natuur, dan kun je nietig zijn. Maak je onschuld groter, dan kun je vrij zijn. Als hij de woorden van de Grote Wijze hoorde, werd hij weer kind, spelend tussen de zonnevlekken in het bos bij Bilthoven. Misschien, dacht hij, kalm tekenend aan zijn bureau,
terwijl Antoine een stel foto’s bij Douwe neerlegde, dwong juist zijn angst hem tot het scheppen van een eenheid in zijn versnipperde journalistenbestaan. Het
hooggebergte had hem als een oermoeder opgenomen. Eén met haar. Je viel niet als je in haar geloofde. Ze maakte je groter. Je viel niet. De woorden van de Driemaal Wijze gonsden als een mantra door zijn hoofd: De mens een goddelijke vonk, gevangen in het stof. Goddelijke vonk. ‘Zijn heil,’ hoorde hij zichzelf halfluid zeggen, ‘zijn heil is verlossing van de materie en terugkeer naar het pleroma, het rijk van het licht.’
 
Verlossing van de materie.
 
Pleroma.
 
Rijk van licht.
 
Die woorden behelsden een boodschap. Een code. Een code die hij zou breken.
 
Met Ilse.