Langbånshyttan – 19

SCHOOF HIJ ACHTER WAT GASTEN LANGS NAAR EEN SCHILDERIJ…

19

Niet eerder had Werner de geheime zonde van de onanie zo openlijk, zo klinisch bijna horen bespreken en dan nog wel door iemand die hem nu al zo na stond. Het was het verhaal van Armand geweest!

Hij had het gegeneerd en tegelijkertijd met een vreemdsoortige opwinding aangehoord.

Waarom?

Was het de schaamteloosheid, of liever gezegd de nonchalance waarmee Armand zijn slaapkamergeheimen prijsgaf? Was het de academische systematiek, de wetenschap? Maar wat voor wetenschap was dit dan? Wegen en meten, ja, alles goed en wel, maar je moest als onderzoeker toch iets op het spoor willen komen en zelfs wel iets kunnen voorspellen? Als we nóg meer lozen zal de wereld binnen tien jaar in het sperma verdrinken.

Zoiets.

Hij had Sandra, die meestal niet erg geïnteresseerd was in zijn masculiene besognes, op een keer voorgerekend hoeveel zaad het mannelijk deel van de wereldbevolking per jaar produceert. Acht miljoen liter, Sandra! Acht miljoen melkflessen vol! Schipbreukelingen waren erdoor in leven gebleven, vrouwen en kinderen in de hongerwinter. Zo eiwitrijk! Met welk doel onderhield Armand deze uitdragerij van zijn lust? Wilde hij zijn zaad zien sterven, wilde hij een beeld – op huiskamerformaat – van de vergankelijkheid die het levenselixir aankleeft, de dood? De dood in de pot?

Werner moest erom lachen, maar hij kon niet verhelen dat Armand hem met een onthulling had opgescheept die hem ertoe dwong te accepteren dat er het een en ander verschoven was in zijn verhouding tot de wereldse Hagenaar en óók, ja, zeker, met betrekking tot zijn eigen, ja, wat eigenlijk, seksualiteit.

Hij had er het liefst met Antoine over willen praten, Antoine met al die kinderen, maar hij durfde niet. Toen ze een week of wat later samen in het hok van de Klischograph stonden en toekeken hoe de naald een zo grof mogelijk raster – een nieuw ideetje van Antoine – in het plastic groef, had hij erover kunnen beginnen en hij was er na aan toe geweest zijn mond te openen, toen Antoine plompverloren zei dat hij ‘iets leuks’ voor hem in petto had.

‘Iets leuks?’ vroeg Werner verbaasd.

‘Ja,’ zei Antoine alsof hij Werners scepsis had bespeurd, maar zich er niet door wilde laten weerhouden en hij vertelde dat hij hem in contact kon brengen met een groepje grafici die een paar jaar tevoren, in de tijd van de Wederopbouw – toen er ook voor de kunst weer een fooitje af kon – een genootschap hadden opgericht, de Luis. De kunstluizen, zoals ze zich noemden, exploiteerden een atelier waar iedereen die lid was gratis kon etsen en drukken. Al een paar maanden kwam hij er elke donderdag. Het leek hem, zei hij, ook wel iets voor Werner en misschien ook voor de collega’s van Boem Paukeslag. Een feestje, komende zaterdag, was een goede gelegenheid om kennis te maken.

‘Je bent van harte welkom,’ zei hij en alsof daarmee de zaak beklonken was, vertelde hij uitgebreid over de plaats van hun ontmoeting, het woonhuis en atelier van de beroemde avant-gardist Otto Winsemius, een naam die Werner verder niets zei.

‘Die man,’ legde Antoine uit, ‘ging met de grote geesten van zijn tijd om alsof het zijn buren waren.’

‘Met Kropotkin,’ zei Antoine, ‘met Lenin, met Kandinsky, met Picasso…,’ en hij bleef maar doorgaan, de ene wereldschokkende naam na de andere kwam langs. Ten slotte had de grote avant-gardist zich tot het rooms-katholicisme bekeerd en tot zijn dood, een jaar of vier geleden, in Utrecht gewoond. ‘Sankt Otto’, noemde Antoine hem nu, en de eerbied in zijn stem was onmiskenbaar. Hij had zijn heiligdom aan zijn trouwste discipel nagelaten, Aus Grasman, ‘een fenomenaal schilder,’ zei Antoine.

Opgewarmd door Antoines ingetogen adoratie fietste Werner de afgesproken zaterdagavond naar Oudwijk, een volksbuurt aan de zelfkant van het deftige Wilhelminapark. Hij had nog nooit een kunstenaar gesproken. Straks zou hij de crème de la crème van de oude bisschopsstad ontmoeten. Hij wist niks van kunstenaars, behalve dat ze er raar uitzagen, snorren en baarden droegen en je als voetveeg bejegenden, zoals de gek die hij op de Nieuwe Gracht weleens tegenkwam, een bekende artiest heette het, een man, geheel in het zwart gekleed, met cape en flambard, die zodra hij hem zag met zijn stok begon te zwaaien en dan opvallend bekakt riep: ‘Ga jij eens gauw je treurige plicht doen, klerk.’

Uitvreters, die lui, was steevast de reactie van zijn vader als er in de Utrechtsche Courant weer eens sprake was van ordeverstoringen door opstandige artiesten. ‘Geen nagels om hun kont te krabben.’

Die hoon (of moest hij zeggen: die haat van zijn vader?) had hem telkens weer in verwarring gebracht omdat hij in de kunstboeken die hij op school was gaan verzamelen louter plaatjes aantrof die hem stil maakten. Fra Angelico, de boodschap aan Maria, Raphaël, de school van Athene. Waren dat ook zulke flambards geweest?

‘Geen nagels om hun kont te krabben.’

Hij moest er nu wel haast zijn, maar niets duidde nog op het soort huisvesting dat hij met een kunstenaarswoning associeerde. Hij zag alleen maar van die sjofele arbeidershuisjes met hier en daar nog een man in borstrok achterstevoren op zijn stoel ervoor. De late avondzon gaf de buurt een humaner aanzien dan de architectuur rechtvaardigde. Het leek hem hoogst onwaarschijnlijk dat De Grote Avantgardist hier ooit domicilie had gekozen. Die man was nota bene bij de paus op audiëntie geweest!

Het beeld van de heilige Otto die de robijn in de ring van de kerkvorst kust, was nog niet op zijn netvlies verschenen of de rooilijn week en een tuin vol ribes, rododendron, rozen en ranonkels bood zich aan. Als schildwachten bewaakten twee cypresachtige bomen een vrijstaand huis. Hij was zo verrast dat hij, voet aan de grond, even wachtte alvorens zijn fiets tegen een paaltje te zetten. Verscholen achter een verwilderde vlier zag hij een roestige trekbel hangen. Hij liep erheen en gaf er voorzichtig een ruk aan. Alsof in een vergeten bergdorp de kerkklok luidde, zo beierde het. Een man deed open, verweerde, bruine kop, staalblauwe ogen, Abe Lenstra, ging het door hem heen, de meester van de schijnbewegingen, diezelfde lok. De man monsterde hem kort en trok hem vervolgens met een stevige handdruk naar binnen. Hij zei niet wie hij was, vroeg ook niet wie Werner was.

Bedremmeld volgde hij zijn gids een schemerige gang in, naar een zaal waar het al donkerde – alleen door een koepel op het dak viel nog wat stervend licht naar binnen. Het leek een opslagplaats of uitdragerij waar hij was terechtgekomen. Overal hingen, stonden of lagen schilderijen, sommige leeg of slechts van een enkele vlek voorzien, ertussen tafels, afgeladen met blikken, bussen, kruiken, poetslappen, emmers, kwasten en leeggeknepen tubes. Wat verder weg, in een hoek, vielen twee etspersen op. Eromheen wemelde het van de potjes, vazen, snuisterijen, krukken, piëdestals, draperieën, etalagepoppen en glazen, veel glazen, flessen, afvalbakken en stapels al of niet kapotgescheurde tijdschriften. Ook planten of kruiden zag hij en hoopjes stenen die hij van een winkel in mineralen kende. Een drietal langharige Perzen sloop als een roedel Bengaalse tijgers in de jungle rond.

Ongeveer in het midden van de ruimte, voor een stuk of vier grote, met verf bevlekte ezels, vormden twee uitgezakte sofa’s een oase waar de paar gasten die er al waren het zich gemakkelijk hadden gemaakt. Niemand leek Werner op te merken. Antoine, zag hij, noch Douwe of Armand was onder de aanwezigen. Er arriveerden nieuwe gasten, de mannen veelal in kiel en pilotbroek, de vrouwen als paaseieren beschilderd, op een paar meisjes na, zo jong, met hun lange, losse haren en wijde bloemetjesjurken, dat ze eerder kinderen van de hen vergezellende kunstartiesten leken dan hun vrouwen. Ze omarmden en kusten elkaar alsof ze één grote familie waren.

De mannen grepen nog tijdens het begroetingsritueel al naar de fles. Ze moesten smachten van dorst. IJselijke kreten, bassig geroep en kirrend gelach maakten hun welkomstlied tot een kakofonie der vreugde die de kunsttempel van Sankt Otto binnen de kortste keren van aanzien deed veranderen en herschiep in een bokshal waar liefhebbers van de pugilistiek hitsig op de eerste doffe klappen stonden te wachten. Het ademde de sfeer van een puur mannelijke krachtmeting. In een hoek waren een paar bloemetjesmeisjes gaan jiven, nadat een besnord heerschap een oudmodische koffergrammofoon had aangeslingerd. Oh, when the saints… go marchin’ in…

Werner was nog steeds alleen, zonder het gezelschap van Antoine, Armand, Douwe of kleine Arie, die kennelijk waren opgehouden of niet zouden komen. Het maakte hem niet zekerder van zichzelf. Om zich enigszins een houding te kunnen geven, schoof hij achter wat gasten langs naar een schilderij dat hem van ver door zijn vreemde, in geen woorden te vatten koloriet – was het blauw, blauwig, grijsblauw, grijsblauwig groen, groengrijs, zeegroen? – naar zich toe leek te zuigen.

Een tafel hield hem tegen. Erachter, zag hij, lagen twee stellen ontspannen onderuit op een sofa. Hij probeerde meer zicht op het schilderij te krijgen, maar voordat hij zo ver was hoorde hij een zacht smakken. De geluidsbron was een van de meisjes op de divan, een kind nog, dat met overgave een oudachtige mannetje aan het kussen was. ‘Verrukkelijk,’ zei ze, terwijl ze opkeek en zich tot het andere meisje op de bank wendde dat lui tegen een almaar mompelende baardaap aanlag, ‘hij heeft vandaag al zijn tanden laten trekken. Gek gevoel als je hem kust.’

LEES VERDER