Langbånshyttan – 18

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

HET MODERNISTISCHE THEATER WAS NOG GEEN TIEN MINUTEN LOPEN VAN ZIJN HUIS….


18

‘De tijd is niet ver meer,’ had Arie onverstoorbaar verder geprofeteerd, ‘dat het oppervlaktewater in de hele wereld ondrinkbaar zal zijn. Dat we het drinkwater industrieel zullen moeten vervaardigen. Dat het alleen nog maar in flessen te koop zal zijn. Er komt een tijd,’ had hij zichzelf herhaald, ‘dat degenen die aan de touwtjes trekken, de bonzen van de chemische multinationals, het water zo duur maken dat het voor de gewone man onbetaalbaar wordt. De armsten sterven als eersten van dorst…’

Met die vier grote stukken was de toon gezet. Ook de anderen die meededen – een verhaal van oude Piet Vogelpoel over de ijs- en warmwaterverkopers die tot ver na de oorlog in een behoefte hadden voorzien – overtroffen zichzelf. De lezer kreeg de vier elementen voorgeschoteld alsof ze zojuist waren ontdekt. De illustraties waren in hun stoutmoedige vermenging van tekst, foto’s en tekeningen ronduit verbluffend.

Antoine had werkelijk alles uit de kast gehaald. Zetters en opmakers hadden zich tot ver na werktijd uitgesloofd en zelfs geen overuren willen schrijven.

Geen wonder dat op de dag waarop het eerste nummer van de pers rolde, op 4 september 1965, iedereen gloeide van geestdrift.

Boem Paukeslag! Wat een krant!

Ook de reacties van de lezers stemden tevreden, al vroeg een enkele briefschrijver zich af waarom er niet wat sport op al die pagina’s had gekund.

Op die dag ontstond, als het ware spontaan, het groepje dat voortaan Boem Paukeslag zou maken. Ze beraadslaagden niet op de krant, maar bij een van hen thuis, omdat ze daar, niet gehinderd door welk nieuws dan ook, ongestoord van gedachten konden wisselen, maar vooral ook omdat er in de huiselijke sfeer, met wat drank bij de hand, telkens een nieuw Pak van Sjaalman kon worden opengeknoopt: de humus van het dagbladwezen, roddels, invallen, denkbeelden, gissingen – vroeg of laat ontaardde het in geouwehoer, maar iedereen wist dat er altijd wel een ideetje bleef nagloeien dat op den duur zijn bruikbaarheid zou prijsgeven.

De eerste die ze met een bezoek vereerden was Armand. Armand had meteen geroepen toen iemand – Werner wist niet meer wie – had geopperd om niet op de krant, maar bij een van hen thuis te vergaderen: ‘Kom maar bij mij. Ik heb een grote kamer, zitplaatsen genoeg, alle spullen bij de hand en drank in overvloed. Ik woon boven de bioscoop van Rietveld, op het Vreeburg.’

Die laatste toevoeging was overbodig geweest want iedereen kende de bioscoop, de enige in de stad die hen regelmatig op de nouvelle vague trakteerde. Het was een vertrouwd adres voor Werner. Het modernistische theater was nog geen tien minuten lopen van zijn huis. Hij liep, of fietste er, op weg naar zijn werk, dagelijks langs. Minstens één keer in de week ging hij er met Sandra naar de film. Hij herinnerde zich daar voor het eerst Hiroshima mon amour te hebben gezien, die vrijende lichamen, die angstaanjagende nucleaire vuurzee. Toen hij er op maandagavond, de eerste keer dat ze hadden afgesproken, kwam aankuieren, zette Douwe juist zijn fiets tegen de pui. Ze begroetten elkaar. Buiten het werk om waren ze elkaar nog nooit tegengekomen, maar het had er veel van weg dat dit nu wel ging gebeuren. Hoe intiem werd je met collega’s? Was het vriendschap? Wat bond hen? Het werk? Kon dat met kantoorbedienden ook? Werner schudde de gedachte van zich af. Die máákten niets. Louter haat en nijd, guerrilla tussen de bureaus. Hij grinnikte.

Douwe belde aan. Armand wachtte hen, boven aan een eindeloze, lange, smalle trap, op en liet ze binnen in de zaal die hij voor een prikje van de bioscoopexploitant had kunnen huren. ‘Ga zitten,’ zei hij en gebaarde naar een carré van leren banken, die allemaal even doorgezakt, bevlekt en stuk gekrabd waren, alsof nesten jonge katten daar jarenlang het scherpen van hun nagels hadden mogen oefenen. Verspreid over de planken vloer lagen kranten, vooral van buitenlandse herkomst zag Werner aan kleur en lettertype, overdekt met tientallen, veelal in de rug gebroken pockets. Op een verhoging stond een wc-pot – moest je daar pissen? – maar het meest in het oog sprong, boven hen, een warnet van waslijnen dat van de ene muur naar de andere was gespannen. Met ouderwetse, houten knijpers hingen er tal van grijzige frutseltjes aan.

‘Kapotjes,’ zei Douwe verbaasd.

Armand, die naar een aanrecht achterin de zaal was gelopen, zei: ‘Inderdaad, kapotjes.’

‘Was je die?’ vroeg Douwe.

‘Nee,’ zei Armand, ‘ik hang ze alleen maar op.’

‘Je hangt ze alleen maar op?’

‘Ja,’ zei Armand, ‘maar laten we gaan zitten. Ik heb koffie.’

Inmiddels waren ook Antoine en ‘le petit’ gearriveerd.

Ze lieten zich in het gemaltraiteerde leder neer en dronken koffie. Armand schonk er armagnac, cognac, whisky en calvados bij. Ondertussen vitte hij op de krant. Somde missers, fouten en domheden op. Normaliter een ritueel waaraan ze allemaal graag meededen, maar dit keer ontbrak hun de lust. De waslijnen hielden de aandacht gevangen. Werner zag ze kijken. Hij had geprobeerd de condooms te tellen. Twintig lijnen, gemiddeld veertig condooms per lijn, achthonderd stuks berekende hij. Als verlepte druiventrossen hingen ze boven hun hoofd. Armand zei dat die dingen zijn zaad bewaarden. Sperma, zei hij ook, semen, samen, sperme, sémence, kwakje, geil, cum. Een universeel goedje. Hij wilde er geen druppel van verspillen. Daarom plengde hij zijn zaad in die… hij aarzelde even… ‘latex-sluifjes’.

‘Waarom in godsnaam?’ ontschoot het Werner.

‘Op die manier,’ reageerde Armand onverstoorbaar, ‘probeer ik mijn geslachtsleven in beeld te brengen.’

‘Je geslachtsleven?’ vroeg Douwe verbaasd.

‘Ja,’ zei Armand. ‘Mijn seksualiteit, of hoe noem je dat? Ik onaneer twee of drie keer per etmaal, soms vier keer, soms vijf of zes keer, soms geen enkele keer, geen tijd, geen lust. Alles wordt gewogen.’ Hij maakte een gebaar in de richting van een brievenweger die naast het sanitaire podiumpje stond. ‘Mijn methode is strikt wetenschappelijk. De gedachte erachter is simpel.’ Hij zweeg. Werner voelde een vreemde fascinatie opkomen. Armand ging door: ‘Zo rond m’n
twintigste besloot ik geen gemeenschap meer te hebben. Waarom zou ik? Kinderen zijn er al genoeg.Van mannen moet ik seksueel gesproken niets hebben. Maar de aanmaak van mijn zaad kan ik niet stoppen en het lozen evenmin. Onderdrukken is niet goed, zegt Sigmund. Bovendien is er het genot. Daarom deze oplossing. Bevalt me uitstekend.’

Het bleef even stil. Kleine Arie giechelde.

‘Waarom wil jij geen kinderen?’ vroeg Antoine, maar die kant wilden ze niet op. Dat werd, ze kenden het, vruchteloos geouwehoer. Hitler en zijn fokpremie voor moeders, meneer pastoor die elke maand langskwam om te informeren naar het volgende zieltje, dominee Malthus die in de achttiende eeuw de mensheid al op het gevaar van overbevolking had gewezen door al dat geneuk… Je kon het zo invullen.

Ze waren te verbouwereerd om te reageren.

‘Maar als je kamer dan vol is?’ vroeg kleine Arie ten slotte.

‘Dat zie ik dan wel weer,’ zei Armand en schudde bevallig zijn weelderige allongepruik.

LEES VERDER