Langbånshyttan – 17

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


DE RADELOZE ROEP VAN DE MANNEN IN DE LOOPGRAVEN…

17

Altijd die opvoedkunde van haar: ‘Werner, in de bergen moet je goed eten, hoor,’ als hij na een paar happen haast brakend het verpieterde Bergsteigeressen van zich af schoof. ‘Zeg, nu, gaan slapen, hoor,’ als hij nog uren in Paul van Ostaijen wilde lezen, bij het licht van een kaars, terwijl de nacht de hut in het duister wikkelde en het stil werd, zoals het stil was geweest in de uren voordat God de wereld schiep. Had ze zo haar vader op zijn huid gezeten, de oude vogelaar, die vijf jaar geleden aan een hersenbloeding was bezweken? Verpleegde ze zo haar moeder? Werd dit zijn lot, tot over het graf betutteld? Ze kneep zijn handen, nam hem mee. Ze daalden, sprongsgewijs, verend. Diep onder hen zagen ze een stipje dat snel groter werd. Een mens. Een man. Weer hield Werner in, aarzelde, strekte zijn armen als om kracht te verzamelen en stak het Domplein over en ging onder de Dom door, juist toen een stadsbus in een wolk van uitlaatgas door de smalle poort daverde. Op de Varkensmarkt zag hij de brandweerwagen terug. Spuitgasten rolden hun slangen uit. Hij liep om ze heen en ging een honderdtal meters verder naar de Neut. Hij opende de deur, schoof de zware, bruine voorhang opzij en snoof de lucht op van krijt en verschaald bier. Bij de bar stond zijn collega Noordewier, misdaadverslaggever van de Utrechtsche Courant. Droogstoppel, hou je bek. ‘Ik hoor,’ begroette hij Werner lijzig, ‘dat jullie nu ook al een weekendbijlage gaan maken.’ Die nauw verholen hoon. Werner voelde zich driftig worden. ‘Ja zeker,’ zei hij, terwijl hij zich in volledige wapenrusting voelde terugkeren op het journalistieke dorpsplein van uur en feit, ‘jullie zullen nog wat beleven,’ en hij sloeg met zijn vlakke hand hard op de toog. ‘Boem Paukeslag,’ riep hij en nog een keer: ‘Boem Paukeslag.’ Noordewier keek hem bevreemd aan. ‘Ik hoor anders,’zei hij, ‘dat het met die krant van jullie niet zo goed gaat.’

Op aanraden van Douwe én Armand liet Werner het idee van een lege voorpagina varen. Het voorkwam nieuwe wrijving met hun baas die zich nu met de hem eigen, ingehouden geestdrift achter het eerste nummer kon scharen.

Dat kwam er spectaculair uit te zien.

Het openingsverhaal, over lucht, was van Douwe Visser die als geen ander thuis was in de ether. Als kind al droomde hij ervan om piloot te worden, maar toen bleek dat dit beloofde land hem helaas onthouden moest worden ‘geen vlieghand’ had hij zich met een zweefvliegbrevet tevreden gesteld. Hij was sindsdien geen vrij uur meer aan de grond gebleven.

Heel opwindend, dat mee glijden op de thermiek, had hij Werner verteld. Maar nog opwindender was het springen met de parachute. De vrije val. ‘Airborne, Werner,’ had hij gezegd, ‘dat is mystiek.’

Van mystiek was in het stuk van Douwe niet veel te merken. De manier waarop hij zijn lezers bij de hand nam en ze allengs dieper met hun neus in de vervuilde lucht duwde, was veeleer horror. Om te stikken vond Werner en dat beaamden de anderen. Antoine schreef de kop bij het stuk met één vinger in de beslagen glazen van een oud, Duits gasmasker: GAS GAS de radeloze roep van de mannen in de loopgraven wanneer de dood opnieuw over de velden kwam aandrijven.

‘Huiveringwekkend,’ spraken ze in koor.

Huiveringwekkend vonden ze ook het verhaal van Armand over de aarde. Armand was begonnen met hun een panoramisch uitzicht te bieden op de slagvelden aan de boorden van de Somme en de IJzer, een breed filmisch shot op het bloeddoordrenkte FransVlaamse land met zijn bomkraters, modderpoelen en door tanks omgeploegde akkers vol roestend wapentuig en granaatsplinters. Met een sierlijke tournure ging hij vervolgens in een andere toonaard over. Geen slijk en kapotgeschoten lichamen meer, darmen die uit opengereten buikholten blubberen of wreed afgerukte armen en benen, maar de wanhopige schoonheid waarin deze Materialslacht was veranderd door de vele jonggestorven of voor het leven verminkte kunstenaars. Armand had zijn stuk met zoveel citaten uit hun verhalen en gedichten verlucht dat Werner niet lang over de kop had hoeven nadenken. ‘Een oorlogskerkhof voor de kunst,’ had hij gezegd en de woorden met koeienletters op een vel kopijpapier geschreven.

‘Het slagveld als maandverband van de geschiedenis,’ had Armand zelf zijn verhaal samengevat.

Werner had aangeboden om over vuur te schrijven, maar zo nonchalant als hij zijn voorstel had gedaan, zoveel moeite had het hem gekost zijn stuk te schrijven. Dagenlang was hij aan het werk geweest, zijn kamer getransformeerd in een kerkhof van geaborteerde geesteskinderen. Om het bombardement van Rotterdam kon hij niet heen, maar erdóórheen behoorde evenmin tot de mogelijkheden. Pas toen hij erin geslaagd was de angstaanjagende kern ervan de dood van zijn eerste moeder, de dood van zijn eerste zusje weg te stoppen in een jammerklacht over het vuur dat wereldwijd dank zij Eisenhowers militairindustriële complex dood en verderf bleef zaaien, slaagde hij erin driftig hamerend op de toetsen zijn artikel af te maken. Woedend. Gedreven. Het ene kopijvel na het andere. Vietnam. Napalm op de huid van blote kinderen. De atoombom op zijn stad. Fallout die alle leven zou vernietigen, hoe de sirenes van de BB ook zouden loeien.

Straf voor de roof van het vuur door Prometheus.

Het vierde element werd door Arie Haga aangedragen, een nieuwe collega, ‘le petit’ naast grote Arie, een jongen met iets te rode lippen onder een vlassige moustache, die ook binnenshuis altijd met een Franse alpino getooid ging. Water was zijn lust en zijn leven, hoewel hij niet kon zwemmen en zich nooit waste, zoals hij vertelde. Werner had aan zijn vader moeten denken. Schoor zich, bevochtigde zijn haar, maar meed de badcel als een gaskamer, tot groot verdriet van moeder die hem hooguit op zaterdag onder de douche kreeg. ‘Water,’ zei kleine Arie, ‘is essentiëler dan het louter huishoudelijke gebruik.’

Hij was, om de bijzondere betekenis van het water voor Nederland te benadrukken, uitgegaan van De Waterman, het boek dat Werner zo prachtig vond en de enige roman die zijn vader had gelezen. Kleine Arie schetste evenals Van Schendel de schoonheid en de vernietigende kracht van het water, maar ook de angst van het godvrezende volk achter de dijken dat geleerd had zich in zijn eigen, onwrikbare gelijk te verschansen. Al die sekten voor wie Gods woord slechts diende om er een paar druppels vuile moraal uit te wringen.

In het kielzog van de rechtschapen Waterman was Arie meegevaren naar de jaren twintig en dertig van hun eeuw, naar de tijd dat de Hollandse civilisatie haar meest markante trekken was gaan vertonen, met de afsluiting van de Zuiderzee en steeds meer bruggen over de grote rivieren, ‘ik ging naar Bommel om de brug te zien’. Daarna had de schrijver zich een weg ondergronds gebaand, op zoek naar plaatsen waar het water zich al duizenden jaren schuilhield, waar de regen die in het Pleistoceen, ver voordat de homo erectus was opgestaan, naar gaten en spleten was gevloeid die niemand kende, totdat er zomaar ineens water opwelde en de aarde bereid bleek ’s mensen dorst te lessen.

‘Nog steeds drinken we dat water,’ had Arie bij de voorbespreking geroepen. ‘Zoals we het licht zien van sterren die al duizenden jaren zijn gedoofd. En wat doen we?’ had hij er opgewonden aan toegevoegd. ‘We maken riolen van onze rivieren. De Rijn wordt met tonnen chemisch afval vervuild… Olie, stront, roest…’

‘Warum ist es am Rhein so schön…’ was Douwe begonnen te neuriën…

LEES VERDER