Langbånshyttan – 16

GROOT ALS EEN LAMMERGIER WAS DE VOGEL GEWEEST

16

Gesterkt was hij, terug in Utrecht, naar de krant gefietst. Helmut, Antoine en Douwe begroetten hem als hun verloren zoon. Flauwe grappen over de waldhoorn. Het thema was in goede aarde gevallen. De vier elementen daar had iedereen wel wat over te melden, je kreeg er alleen zelden de kans toe. Morgen, zei Antoine, die er in zijn vertrouwde slobbertrui en pofbroek niet florissanter was gaan uitzien, moesten ze maar verder kletsen, het liefst met Verdriet erbij. ‘Je kunt wel weer gaan,’ voegde hij Werner na een poosje toe.

‘Nou ja,’ reageerde deze verrast, ‘dan blijf ik nog maar een dagje thuis, hè? Vinden jullie het nog steeds een goed idee, die lege voorpagina?’

Antoine en Douwe vonden het nog steeds een goed idee. ‘Maar,’ liet Antoine weten, ’t Sas wil het uitleggen.’

‘Godnogaantoe,’ zei Werner geïrriteerd, ‘dat ga je toch niet uitleggen.’

Antoine haalde zijn schouders op.

Douwe zei: ‘We maken het hem nog wel duidelijk. Donder nu maar op!’

Nog met zijn gedachten bij zijn collega’s en wat ze inmiddels hadden bekokstoofd, wandelde hij in de richting van de Oude Gracht, naar De Neut, zijn vaste stek voor koffie. Bij Pausdam werd hij bijna van de sokken gereden door een brandweerwagen. De sirenes van de Burger Bescherming begonnen te loeien. Hij schrok. Er viel iets op hem neer. Instinctief vouwde hij zijn armen om zijn hoofd. De buizerd uit het Lötschental. Krijste, pikte naar hem. ‘Sandra,’ schreeuwde hij, maar ze was al te ver weg.

‘Die heeft jongen,’ was alles wat ze zei toen ze ten slotte nog nahijgend voor hem stond…

Groot als een lammergier was de vogel geweest. Roofde kinderen van de moederborst. Hij wankelde. Oude Man Zoekt Steun Bij Muur. Het was niet de vogel geweest, realiseerde hij zich toen hij de macht over zijn spieren had herwonnen en in staat was om door te lopen, het was Sandra geweest die hem had verontrust. Zoals ze daar had gestaan, iets boven hem, sterk en vanzelfsprekend, haar te dikke benen hoog oprijzend uit haar zware bergschoenen, was ze in een ander beeld geschoven…

Sandra die riep. Ver weg, godverdomme, Sandra.

Handen hadden zich naar zijn keel uitgestrekt, een gier had in zijn buik gepikt, net boven zijn geslacht waar het litteken trok. Paniek was als een blinde kracht door hem heen geslagen. ‘Een nieuw alfabet,’ had een stem geroepen of geschreeuwd zelfs, maar het was desondanks niet makkelijk te verstaan geweest,‘een nieuw alfabet zal de wereld….’ Maar daarna was de mededeling in een oorverdovend gedruis verloren gegaan. ‘En jij,’ had het vervolgens veel helderder boven het tumult uit geklonken dat hem, in de bergen of niet, nog het meest aan de branding van een woedend kolkende zee deed denken, ‘en jij, Werner Roolvink, gaat… nieuw… alfabet…’

Hij… een… nieuw… alfabet. Hij was wakker geworden, maar had in het duister van de hut niet geweten of zijn alptraum nu ten einde was of niet. Nee, het ging door. Er volgde een verklaring op de verbrokkelde boodschap die de stem hem had doorgegeven. Leesbaar, met de vrolijke letterdans van een lichtkrant in de binnenstad, werd hem uitgelegd dat het eeuwenoude alfabetische schisma de wereld er steeds onbegrijpelijker en huiveringwekkender op maakte. Hadden de moffen in 1940 hun ultimatum niet in die kwaadaardige Fraktur van ze overlegd? Was de oorzaak van Hiroshima niet het misverstand tussen de Japanners en de Amerikanen, die het wondermooi gekalligrafeerde bericht van hun vijand domweg hadden genegeerd? De wereld stoelde op het alfabet, ja, maar wat wilde dat zeggen, wat wist men ervan? In de SovjetUnie, in Japan, in China, in Vietnam, in Iran en Irak, in het land tussen de Eufraat en de Tigris, werd zo onherkenbaar anders geschreven dan in het Westen. Griekse kooplui hanteerden nog steeds het schrift waarmee Aischylos zijn tragedies al in de klei had gegrift. De Joden, eigen letters. De Arabieren, eigen letters. Onleesbaar voor elkaar. Haat, haat, anders… Was het nu zijn opdracht om die alfabetten allemaal op elkaar af te stemmen, ze één te maken? Moest hij al die volkeren, al die miljoenen mensen, één schrift geven zodat ze elkaar tenminste konden lézen als ze met elkaar in aanraking kwamen, zoals Jaap en hij in elk geval de Griekse verkeersborden hadden kunnen lezen toen ze tijdens hun laatste schoolvakantie over de Peloponnesos liftten.

Geen dada, een nieuw alfabet. Doe iets voor de mensheid.

Wie blies hem dit in? Waarom hij? Een nieuw alfabet. Omdat hij dit kon? Natuurlijk, een alfabet ontwerpen was even makkelijk als het verwekken van een kind. Sandra, je kutje. Voorgoed getekend, ja. Hij hoorde haar woelen in het stapelbed boven hem. Op de britsen naast hem zag hij vaag het Duitse echtpaar met wie ze de vorige dag een flink stuk hadden opgelopen, eveneens gescheiden…

Meteen na het ontbijt, met een korst brood en koffie van de vorige dag, was hij, nog nahuiverend, weggebeend, in plaats van minder juist meer verward. Hij had iets gezien, maar het niet begrepen. Wat had hij met dat alfabet te schaften? Hadden zijn boeken hem in verwarring gebracht, al die folianten over letters, typografie, taal, ja, zelfs over de grafische vorm als kenmerk van de poëzie (‘het wit in de poëzie’, leve Van Ostaijen), of brak het Corpus Hermeticum hem op?

God, het Absoluut Goede. Vader. Geef. Dauw op zijn grijze cellen. Hij liep maar en liep maar, hij wist allang niet meer waar hij was. Hij was zich de rotsen, het stenige spoor, de gevaarlijke kiezel en de diepte niet meer bewust, viel ermee samen, ging erin op. Voelde zichzelf niet meer. Wás. Lichtvoetig danste hij voort, bij elke stap verender, alsof hij gewiegd werd, opgetild, gedragen, weg van de mensen, weg van Sandra. Hij hoorde haar roepen. Zo ver. Hield in, draaide zich om. Zag haar komen aanhollen, haar deinende borsten, de blos op haar wangen. ‘Werner,’ zei ze onthutst toen ze zwaar hijgend voor hem stond, ‘je ging zo hard, ik kon je niet bijhouden.’ Ze klemde zich aan hem vast en hij omarmde haar, maar hoe hij ook drukte, hij voelde haar niet, hij voelde haar niet. Hij wist niet meer wie ze was.

Daar, op dat punt in het Lötschental, besefte hij, was hij haar kwijtgeraakt. Was ze getransformeerd in iemand die hij niet kende. Hij kon niet mét haar en tegelijkertijd zichzelf zijn. Hij wandelde de kloostergang van de Domkerk in. Ze had hem geschud, door elkaar gerammeld een kind dat uit een boze droom moest worden gewekt. ‘Werner,’ had ze geroepen en nog een keer: ‘Werner’, zijn naam, en toen pas, op dat moment, waren hem de ogen weer opengegaan en had hij haar gezien. Haar bezorgdheid. Haar mond. De volle onderlip. Haar frons. 

LEES VERDER