Logboek juli 2020

 

Antiracisten

Op deze luisterrijke zomerdag, als ik onder de parasol op mijn balkon Aleid Truijens over de dood van Maarten Biesheuvel lees, denk ik aan terreur. Niet vanwege Aleid, die ook nu weer een heel mooi stuk aan de Volkskrant bijdroeg, noch vanwege Maarten Biesheuvel die me in zijn verhalen altijd zo levenslustig voorkwam en die ik zelfs eenmaal in Leiden – samen met Frank Ligtvoet – heb mogen interviewen, maar vanwege de antiracisten in Nederland die, zo lees ik in de krant, wéér twee musea hebben gedwongen zich aan hun eisen aan te passen. Kan iets wat op zichzelf goed is, verzet tegen discriminatie en racisme, veranderen in kwaad? Dat kan. Een voorbeeld zijn de godsdiensttwisten. De loop van de geschiedenis werd er maar al te vaak door bepaald. Godsdienst, ja, maar met God en geloof had dat minder te maken dan met het eigen gelijk, de eigen waarheid, de eigen dogma’s die menigeen niet begreep, maar als dwingende richtlijn dagelijkse praktijk werden. Het eindigde steevast in moord en doodslag. Vergeten? Dan wordt het tijd om zowel de overheid als de media te wijzen op het gevaar van een antifascisme dat even dogmatisch is als de godsdiensten die we kennen en geweld niet schuwt.  
31  J U L I. 

Uit het leven van een hond

Sander Kollaard kreeg de Libris Literatuur Prijs voor zijn roman Uit het leven van een hond.
Zo’n prijs is vaak aanleiding om het bekroonde boek cadeau te doen. Zo kreeg ik het ook.

Enig wantrouwen ten opzichte van literaire prijzen is mij niet vreemd en ik begon dan ook voorzichtig aan dit verhaal van een 56-jarige IC-verpleegkundige, die alleen leeft met z’n hond.
Voordat ik vijf bladzijden verder was, gaf ik me gewonnen aan deze sfeervolle vertelling over dood en leven, liefde en seks, zodanig poëtisch en filosofisch onder woorden gebracht dat de inhoud zich gaandeweg ontvouwt als een ode aan de levenslust, de kracht die ons onder de meest vreselijke omstandigheden laat doorgaan, hoewel we niet kunnen zeggen waar ‘m dat in zit.
30  J U L I

Riet Lina

Riet Lina leerde ik kennen toen ik in 1967 bij de Volkskrant solliciteerde naar een baan als binnenlandredacteur. Ik moest me melden bij drs Jan van der Pluijm, de hoofdredacteur, en werd ontvangen door Riet Lina, hoofd van het secretariaat, dat toen nog heel klein was. Ik vond Riet meteen heel aardig. Ze stelde me op mijn gemak en gaf me tegelijkertijd het gevoel dat ik er al bij hoorde, bij de club, of liever gezegd bij de ‘familie’ die de Volkskrant was.
Dat  gevoel was er nog steeds toen ik in 1980 als literair redacteur bij de krant terugkeerde, nadat ik er in 1970 was weggegaan om mijn studie algemene literatuurwetenschap af te ronden. Dat was weliswaar in twee jaar gepiept, maar daardoor was ik voor de krant, zoals Van der Pluijm me liet weten, ‘te duur’ geworden. Academici waren toen nog een zeldzaamheid in de journalistiek.
Een tijdsspanne van tien jaar viel weg toen ik voor mijn tweede sollicitatie bij de krant, eind 1979, opnieuw oog in oog stond met Riet Lina, in haar kamer naast die van de hoofdredacteur. Ze begroette me als een verloren zoon. Het was mij te moede alsof ik thuiskwam, dank zij haar ontvangst, maar ook door Jan van der Pluijm die ik inmiddels weer wat beter had leren kennen nadat hij in 1969 bij mijn huwelijk kennis had gemaakt met mijn schoonfamilie, de familie Kuitenbrouwer, in katholieke kring bekend door schrijvers als Albert Kuyle, Henk Kuitenbrouwer, Gabriël Smit, Jan Engelman en Anton van Duinkerken.
De gastvrijheid van Riet, haar empathie, haar vrolijke lach en haar punctuele dienstverlening, soms tegen de wens van het gezag in, waren spreekwoordelijk.
Riet was de moeder van een redactie die almaar groter werd – in mijn tijd zo’n 250 redacteuren, maar hoeveel collega’s er ook bij kwamen, iedereen kon rekenen op haar welwillende aandacht. Ik heb nooit een kwaad woord over haar gehoord. Afgelopen vrijdag overleed ze. In de Volksknar werd namens drie generaties Volkskrant-redacteuren afscheid van haar genomen.
20  J U L I

Fuse

Wat een muzikanten. Wat een muziek. Het mocht weer. Gisteravond speelde Fuse in het Concertgebouw de sterren van de hemel. Het zorgvuldig op corona-afstand gehouden publiek genoot, en dit fabelachtige ensemble evenzeer, blij weer te kunnen optreden.
Weinigen zullen ooit hebben meegemaakt wat onthouding uitvoerende kunstenaars doet. Ze kúnnen niet zonder publiek. Musiceren moet live.
Goed om het te hebben gezien én gehoord. Adembenemend.
Nu maar hopen dat ze gauw weer mét publiek in Podium Witteman te zien zijn.
19  J U L I

CDA

Uitstekend stukje van Jean-Pierre Geelen in de Volkskrant. Hij beschrijft de titanenstrijd in het CDA om het lijsttrekkerschap.
Wekenlang waren we dank zij televisie, radio en krant getuige van deze vertoning, die helemaal nergens over ging en de kiezer slechts duidelijk maakte wat zo’n partij werkelijk wil: hand in hand met de media de peilingen opstuwen.
Waarom in godsnaam?
Om in de peilingen te stijgen.
Geen woord, al die dagen, over vraagstukken in deze tijd die om een oplossing schreeuwen.
Jean-Pierre Geelen constateerde een opvallende nieuwigheid: het veelvuldig gebruik van voetbaltermen. Alsof het om een wedstrijd in de eredivisie ging hoewel geen kandidaat me in staat leek een deuk in een pakje boter te schieten.
Nee, het CDA manifesteerde zich weer eens als een oer-Hollandse geitenfokvereniging waar leiders aan één stuk door lopen te mekkeren, terwijl hun leden op gortdroge akkers vergeefs naar een malse boterbloem speuren. We zagen een verdere uitkleding van de democratie die toch al ernstig gehavend op haar rug ligt en met instemming van het CDA vrijelijk door de tractoren van het boerengepeupel mag worden geplet.
CDA-prominenten doen alsof hun neus bloedt.
Heel knullig en heel provinciaals deze imitatie van zo’n Amerikaanse politieke show, met inbegrip, uiteraard, van de first ladies en, godbetert, ja, ja, zelfs een running mate.
7  J U L I

Pakkenmannen

In de NRC zie ik verspreid over twee bladzijden foto’s van Mark Rutte met een aantal belangrijke Europese politici zoals Emmanuel Macron, Giuseppe Conte, Charles Michel en António Costa. Geen vrouwen.
De heren dragen allemaal, niemand uitgezonderd, een pak, een blauw pak. Hadden ze er sterren, strepen en balken op genaaid, dan zou dat hun status nog welsprekender tot uiting hebben gebracht. Maar dat kan niet meer. Sterren, strepen, balken, lintjes, broches en speldjes zijn voorbehouden aan generaals zoals Koning Willem Alexander laat zien als hij in het openbaar optreedt. Donald Trump loert er met afgunst naar.
Maar waarom, vraag ik me af, dragen al die mannen hetzelfde pak? Is dat verplicht, is het hun uniform? Mogen ze daarom geen geel, groen, paars of rood-wit-en-blauw hansopje aantrekken?
Nee, kleur, denken die mannen, dat is iets voor de dames, maar hoe lang nog?
Als deze dames gelijke tred willen houden met de heren, dan zullen ze zich ook in zo’n blauw pak moeten steken.
Allemaal genderneutraal.
16  J U L I

Afrofobie

Racisme voldoet niet meer. Het moet afrofobie zijn. Dat zei een mevrouw op de radio.
Afrofobie betekent angst voor mensen met een Afrikaans uiterlijk. Ik vroeg me af of ik daar ook last van had, maar dat kon ik niet zeggen. Ik begreep het woord niet.
Afrika is een heel groot, en voor mij volslagen onbekend continent, waar miljoenen mensen wonen. Van Marokko en Egypte tot Congo, Ivoorkust en Zuid-Afrika is sprake van heel verschillende huidskleuren, talen, klederdrachten en leefwijzen.
Waar moest ik dan bang voor zijn? De mevrouw bedoelde met afrofobie natuurlijk angst voor zwarten, maar waarom zei ze dat dan niet? Ze bedoelde ook slavernij, maar – en hier kwam de aap uit de mouw – dat woord vond ze te algemeen.
Slaven waren er in een bepaalde tijd overal ter wereld, niet alleen in Afrika, en ze waren ook niet allemaal zwart.
Zonder te willen afdingen op het grote kwaad dat racisme is, zou ik het toch wel mooi vinden als degenen die daartegen in verzet komen, zich niet opdelen in telkens nieuwe, eigen, gelijkhebberige groepjes.
Zo roep je op wat je bestrijdt.
1  J U L I

VOOR DE ANDERE MAANDEN VAN HET JAAR KLIK HIER
TERUG NAAR DE VOORPAGINA KLIK HIER