Hype (12 – slot)

Manager

Lejo had zich dikwijls afgevraagd waaraan de manager zijn eigenwaarde ontleende. Hij kende de soort, dacht hij, inmiddels door en door. Ze vergaderden graag. En veel. Altijd waren ze opgewekt.

Ze vonden vergaderen fijn, dat was wel duidelijk.

Vaak deed de manager zijn colbert uit, waardoor hij  zijn ondergeschikten zicht gaf op de bretellen die hij droeg. Lejo vond het net een bustehouder voor mannen, even altmodisch als de sokophouder.

Altijd kwamen er tijdens zulke vergaderingen voorstellen ter tafel. Hij had wel eens een vergadering meegemaakt waarin géén voorstellen ter tafel kwamen, maar dat was lang geleden. Tegenwoordig kwamen er altijd voorstellen ter tafel. Heel veel voorstellen. Ze lieten zich nog het beste omschrijven met het woord ‘verandering’.

Managers wilden, dacht Lejo, net als z’n moeder vroeger thuis, voortdurend van alles veranderen. Een stoel die al geruime tijd niemand lastig gevallen had, moest opeens bij het raam vandaan. Een tafel die een rustpunt was geweest midden in de kamer, werd plotseling hardvochtig tegen de muur geschoven, en de bank waarin je onderuitgezakt het gedoe op de televisie kon volgen, werd zó verplaatst dat je bijna niks meer zag.

Lejo had op zo’n bijeenkomst weleens gekweld geroepen: Hou toch eens op met dat veranderen. Probeer eens iets te verbeteren!

Het was net het weer, dacht hij. Wat kon je eraan doen? Profiteren van de schaarse ogenblikken dat de zon schijnt. Onlangs had hij op een vergadering een onmogelijk boekvoorstel gedaan. Een hartenwens van hem, al jaren. Tot z’n stomme verbazing had de dienstdoende topmanager geluisterd en gezegd: doe maar.

Maar het geld, had Lejo nog gevraagd.

Fuck the money, was het prompte weerwoord geweest.

Hij zou het nooit begrijpen.

De top hield zich onledig met een spel waaraan Lejo met z’n boeken nauwelijks deel had. En omgekeerd interesseerde het de manager geen moer hoe het er op de werkvloer aan toe ging. Als het maar winst opleverde.

Het betekende dat Lejo tot op zekere hoogte kon doen en laten wat hij wilde en dat als het bedrijf bloeide dit – logischerwijs – aan hém te danken was, en niet aan de managers. Totdat er weer eens bezuinigd moest worden. Dan kon je gedag zeggen tegen al je mooie plannen.

Waar deed je het allemaal voor? Lejo wist het nog steeds niet. Hij had een paar gepensioneerde topmanagers daar weleens naar gevraagd. Was het het geld? Nee, zeiden ze, macht! Hij geloofde ze niet. Ze hadden belangrijk willen zijn. Misschien wel geschiedenis willen schrijven.

Dat waren de mannen die je nu voor hun vrouw de boodschappen zag doen, gestoken in een chino en een vlot ruitjeshemd, want representabel moesten ze blijven.

Jongere managers waren cynischer. Die ging het om het moment. Het ‘nu’. Eruit halen wat erin zat. Het ging ze niet om het bedrijf. Het ging ze om henzelf. Het stonk in die eindeloze kantoren naar eigen roem.

Het leven, dacht Lejo, is verschrikkelijk. Hij ging met vakantie. Wandelen. Fietsen. Zwemmen. Lezen.

Wat ging hij lezen?

De hele Faulkner? De hele Celan?

Een derderangsauteur als John Irving?

Nee, hij zou, zoals gewoonlijk, een paar kleine dingen uit de kast halen (of alsnog kopen), van die dingen die je weer even dat machtige gevoel gaven van: ja, dít is literatuur. Dít is kunst. Dít is het godswonder van het woord.

Hugo von Hofmannsthal?

Hij wist het nog niet.

Het aarzelend proeven van de mogelijkheden was al genot.

Opgewekt fietste hij naar huis. Even bedreigde hem helemaal niets meer.

O, als z’n vrouw nu maar niet zo’n broek met van die afritsbare pijpen voor hem had gekocht.

SLOT
Uit de Volkskrant van 6 juli 2001