Bureaucratie naast De Kunst


BEELD VAN HILDO KROP BIJ HET AMSTERDAMS LYCEUM. FOTO WILLEM KUIPERS TE SMILDE.

In Nederland werken ruim één miljoen ambtenaren. Een flink aantal van hen bestiert de kunst. Professor Van Maarsseveen, voormalig hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Erasmus-universiteit, die eveneens een begaafd graficus was, heeft lang geleden alweer gezegd dat aan de kunst meer ambtenaren een boterham verdienen dan kunstenaars. Hoeveel bureaucratie kan de kunst verdragen?

 

R IS WEER EENS gedoe om de kunst. Of misschien moet ik zeggen: er wás weer eens gedoe om de kunst, want meestal verdwijnt zulk gedoe na verloop van tijd als sneeuw voor de zon. Viel Lärm um Nixi, zoals de film heette die Willem Frederik Hermans op 8 december 1943 in Amsterdam voor de eerste keer zag.

Het gedoe werd ditmaal veroorzaakt door Melle Daamen, directeur van de  Stadsschouwburg in Amsterdam,  die ‘een knuppel in het hoenderhok’ gooide.  Pats! Boem! Fladderende veren. Hanen kraaiden. Eieren floepten met nog broze schaal voortijdig in het stro.

Melle Daamen gooide zijn knuppel, zo begreep ik uit de NRC en het keuvelprogramma van Jeroen Pauw en Paul Witteman, omdat hij ‘de sector’ wilde prikkelen de hand in eigen boezem te steken.

‘De sector’.
Ik wist niet wat hij bedoelde.
‘De sector’ zou in zijn ogen veel te veel ‘kunst’ aanmaken en daar zat niet iedereen op te wachten. Het kon best wat minder. Het hoefde ook niet allemaal uit Nederland te komen. Je kon ‘kunst’, ballet bijvoorbeeld, heel goed uit Sint Petersburg  ‘invliegen’ – wat hij later terugnam.

Maar het woord ‘sector’ bleef hangen.

Ik kende het woord uit de wiskunde, meer bepaald uit de meetkunde, en wist dat het was ontstaan uit het Latijnse werkwoord secare, dat ‘snijden’ betekent.
Ik kende het ook als een vakterm in de economie. Beoefenaren van de staathuishoudkunde hebben in het begin van de twintigste eeuw de werkzaamheden van industriëlen, kooplui, handelaren, kruideniers, landbouwers, stratenmakers, vissermannen, reders, aannemers, baggeraars, drukkers, uitgevers en wat dies meer zij overzichtelijk in hokjes ingedeeld die zij ‘sectoren’ noemden, maar of we daar veel mee opgeschoten zijn, lijkt me na de rotzooi die onze bankiers hebben veroorzaakt twijfelachtig.

Was de kunst ook zo’n – economische – sector?
Dat kunst behalve… eh… kunst ook géld is en dus ‘economie’, kan dezer dagen niemand meer ontgaan als hij hoort en leest hoe schilderijen voor honderden miljoenen over de toonbank gaan.
Maar was dat het belangrijkste, geld?

 

VAN HET ENE PARADIGMA NAAR HET ANDERE

K VOND die sector van Melle Daamen maar een raar, ongrijpbaar geval. Het gebruik van het woord deed me denken aan de zogenoemde sociale wetenschappen die een manier van communiceren hebben ‘ontwikkeld’ die je door de jaren heen als gevolg van het gebruik door politici en de overheid met haar academisch opgeleide ambtenaren zelfs in je eigen huis steeds meer bent gaan horen.

De sector.
De economie.
De maatschappij.
De kunst.
De elite.

Hoe abstracter je de deelterreinen van het maatschappelijke leven maakt, des te makkelijker kun je er met een air van deskundigheid over lullen.  Kranten, radio en televisie blijken er nog dagelijks van onder de indruk. Want zulk praten heeft niveau, letterlijk, het geeft standing, het staat… eh… ‘ontwikkeld’, ‘hoog opgeleid.’ Wie zo praat geeft er blijk van niet van de straat te zijn en bovendien: je kunt je er nooit een buil aan vallen, want je zegt – als puntje bij paaltje komt – niets…

Het leert je wel dat je moet oppassen met toegepaste wetenschappen die tamelijk ondoordacht de terminologie van de exacte wetenschappen overnemen. Meestal leidt het ertoe dat de woorden, argeloos op weg van het ene paradigma naar het andere, een gedaanteverwisseling ondergaan die ze onherkenbaar, lelijk en zelfs lachwekkend maakt.

In de mond van de veelal gesjeesde journalisten die onze overheidsspreekbuizen zijn, worden ze pr-clichés die als alle pr-clichés leugens zijn.

Macht heeft baat bij vaagheid (en bij leugens), ik niet. Ik heb als staatsburger recht op de waarheid. Daar betaal ik een hoge prijs voor.

 

IK WOU DIE SECTOR RUIKEN

ET VRAAGSTUK bleef me achtervolgen. Was ‘de sector’ meer dan een woord? Kon je ‘de sector’ zien, ruiken, voelen? Kon je hem, desnoods – ‘en dan godverdomme geen genade…’ – een schop onder zijn kont geven?

Ik besloot eens te gaan kijken of ik ‘de sector’ ergens kon vinden.

Naïef als ik ben, meende ik hem het makkelijkst te kunnen aantreffen in de omgeving van Melle Daamen, de directeur van de Amsterdamse Stadsschouwburg. Ik kuierde deswege op mijn gemak naar het Leidseplein – waar ik vroeger vaak Harry Mulisch met zijn hondje tegenkwam – en betrad het café dat men onder Melle van de entree heeft gemaakt, café Stanislavski.

Ik bestelde een glas rode wijn en vroeg aan de jonge vrouw die het mij bracht of zij ‘de sector’ kende. Ze keek me bevreemd aan. Nog niet zo lang geleden, wist ik, zag je hier Pierre Bokma, Halina Reijn, en hoe heet hij ook alweer, die acteur die ik zo overschat vind…. De vermaarde acteurs verleenden de koele, gedesignde en zeer galmende ruimte een eigentijdse artistieke allure die haast gezellig aandeed. Was dat werk van de sector?

Ik had me de vraag nog niet gesteld of de pluchen voorhang van de tempel spleet in tweeën. Met een koude windvlaag mee kwam een stel pakkenmannen binnen die zich met  ‘stukken’ in de linkerokselholte  – het leken wel lookalikes van Louis van Gaal – energiek in de richting van de bar begaven. Was het een geëngageerde actie van Gerardjan Rijnders? Of een herhaling van De Prooi?

Het had er veel van weg dat ik bij toeval een glimp van ‘de sector’ te zien had gekregen, maar helemaal zeker was ik er niet van. Zo zeer theater kon de sector toch niet zijn? Misschien, sprak ik mezelf toe, deinsde ik terug voor de waarheid. Misschien kon ik de zichtbare werkelijkheid niet aan en hield ik me net als Melle Daamen vast aan een abstractie.

Misschien was het Museumplein een realistischer oplossing. Per slot van rekening heb je daar het Rijksmuseum, het Van Gogh Museum, het Stedelijk Museum én het Koninklijk Concertgebouw – gebouwen waar je niet om heen kunt. Als je ergens de sector kon betrappen, dacht ik, dan hier in deze weidse oase ver verwijderd van die zo abjecte Grachtengordel. Bovendien: het kon weer. Het Rijksmuseum en het Stedelijk Museum waren na vele, vele jaren eindelijk weer open en weliswaar was nu het Van Gogh Museum dicht, maar je kon niet alles hebben.

 

MUSEUMPLEIN

AAST HET Concertgebouw lokte café Keijzer vanwaar je het hele plein – dat geen plein is, maar een goeddeels vertrapt gazon – kon overzien. Zo’n uitzicht in het benauwde Amsterdam nodigt onontkoombaar tot peinzen uit.

Dat bleek, want voordat ik een glas had kunnen bestellen, laat staan had kunnen drinken, ging door me heen dat die sector van Melle Daamen vermoedelijk met het ‘open’ en ‘dicht’ van die musea te maken had. Je zag het vanuit de serre bij Keijzer voor je. Al die gebouwen boordevol kunst. Nu eens open, dan weer dicht. Was de sector een organisatie die dit regelde, nu eens ‘open’, dan weer ‘dicht’ om aldus een te veel of een te weinig aan kunst te reguleren? Was ‘de sector’ een sluis? Een kunstsluis?

Ik leek het antwoord gevonden te hebben, maar ik aarzelde. Dat nu eens  ‘open’ en dan weer ‘dicht’ – kon dat niet even goed een knap bedachte truc zijn die de verantwoordelijke employés van ‘de sector’ de gelegenheid bood om na een nieuwe opening op radio en tv te roepen dat nog nooit zoveel mensen in zo korte tijd hun tempel hadden bezocht?

Simpel. Hoe langer je de boel op slot hield, des te meer burgers en buitenlui kwamen na al die jaren hongerig naar je toe om het wonder van een open Amsterdams museum met eigen ogen te aanschouwen.

Geniaal, want je kunt er vergif op innemen dat de media je geestdriftig zullen steunen bij het verkondigen van zo’n blijde boodschap. Zelfs de NRC deed er hoofdredactioneel aan mee, al wilde de krant wel de garantie dat de heropende musea de massa elk jaar minstens één  ‘blockbuster’ gaven…

Iedereen tevreden. Het publiek met zijn nieuwe uitje. De medewerkers met hun bonus omdat ze zo lang niets te doen hadden gehad. De kranten die juichend het ‘positieve nieuws’ konden melden en de directeuren, nou, ja, hun carrières zaten geramd – alleen Ann Goldstein, de directeur van het Stedelijk, hield het voor gezien. Misschien had ze als Amerikaanse al langer het gevoel  dat ze in een dolhuis was terechtgekomen.

 

DOODMOE NAAR BED

K GING die avond – ik zeg het maar zoals het is, kunst is lijden – doodmoe en veel te vroeg voor mijn leeftijd om twaalf uur al naar bed. Ik kon de slaap niet vatten. Ik vreesde er nog lang niet uit te zijn. Die sector bleef me maar door het hoofd spoken. Niettemin voelde ik na enige tijd hoe het zand dat Klaas Vaak me met tedere hand in de ogen had gestrooid, begon te werken en ik sluimerde weg naar dromenland, althans ik dácht dat het dromenland was, maar wás dat wel zo? Het was klaarlichte dag, de zon scheen en ik zag álles. Ik zag mannen, vrouwen en, ja, zelfs kinderen van alle kanten aankomen. Het hield niet op. Wie waren dit, wat kwamen ze doen? Ik kende niemand, leek het, maar toen ik wat nauwlettender toezag, herkende ik hier en daar vaag een gezicht.

Het waren er tientallen, nee honderden, het werden er steeds meer, duizenden misschien wel. Waar gingen ze heen? Ze zagen mij  niet. Ze vroegen ook mijn aandacht niet. Ze wandelden rustig voorbij, sommigen met een koptelefoon op die je luid hoorde knarsen en piepen, anderen op zware schoenen en met rugzakken om alsof  ze naar de woestijn van Mali op weg waren. Een menigte was het, een massa.

Hoe meer voorbijgangers langs trokken, des te sterker werd de indruk dat ik ze kende. Niet allemaal, maar het merendeel. Het waren mensen – ineens wist ik het – die ik in de loop van mijn leven in de kunst aan het werk had gezien.

 

BRÜDER

ET WAREN galeriehouders – hé, daar liep Wim van Krimpen, hoi Wim -, museumdirecteuren – hé, daar liep Henk van Os, dag Henk -, conservatoren, restauratoren, suppoosten en sjouwers – die zich aan sommige kunstwerken een hernia hadden getild – kunstverslaggevers, critici, kunstredacteuren bij kranten, radio en televisie, presentatoren van kunstprogramma’s op de radio en de televisie, winkeliers in schildermaterialen, organisatoren van hobbyclubs, ouderen die ooit in Bhagwan waren geweest, maar nu dagelijks thuis of ’s zomers op het Franse platteland hun diepzinnige doekjes bij elkaar verfden, kinderen thuis en op school, juffen en – soms – een gespecialiseerde meester, die zelf kunstenaar was geweest, employés van verzekeringsmaatschappijen – die zorgden dat dure kunst veilig uitgeleend kon worden – chauffeurs van in kunst en muziek (piano’s!) gespecialiseerde tansportbedrijven, de chauffeur van de museumbus in Amsterdam, Hildegonde van de kunstboekenwinkel die ik frequenteer, de lijstenmaker in de Pijp, zelfkleiende vriendinnen met hun eigen pottenbakkersinstrumentarium, de drukker Bavo van Rossum, eens de beste in zijn vak, platenbazen, concertorganisatoren, vinylpersers, directeuren van schouwburgen en concertzalen, Manon van het BIM-huis en haar handlangers, zaalwachters, pageturners, pianostemmers, sponsors, merchandisers, T-shirt makers, gadgets-bedenkers – zoals sokken met de eerste noten van Alle Menschen werden Brüder – verkopers van platen en cd’s, handelaren in video’s en films op de Albert Cuyp-markt, veilingmeesters en hun bedienden bij Christie’s, docenten aan universiteiten en kunstopleidingen, letterkundigen, kunsthistorici, hoogleraren Frans, Duits, Engels, Russisch en Arabisch, studenten kunstgeschiedenis, literatuur, film, video en grafische vormgeving, handenarbeid en textiele werkvormen, docenten creative writing, organisatoren van kunst- en/of operareizen met bekende specialisten, uitgevers in en buiten gigantische concerns (Sanoma), leveranciers van computers – want zonder computer wordt er geen letter meer geschreven – computerhelpdesks – want Nederlandse schrijvers hebben nu eenmaal twee linker handen – boekverkopers, de baas van Boekie Woekie, vertegenwoordigers in boeken, inkopers van boekenketens – die in Nederland het literaire klimaat bepalen – literaire agenten, vertalers, traffic managers, telefonisten, kaartverkopers, redacteuren ter uitgeverij, correctoren, grafisch vormgevers, fotografen, reclamemakers, marketingspecialisten, afficheplakkers in Amsterdam – zodat je overal die vervelende kop tegenkomt van de man die je nooit, maar dan ook nooit gaat lezen, Henk Spaan – zalenverhuurders, uitbaters van kunstzinnige cafés, eigenaren van architectenbureaus, technisch tekenaars, balletleraren en balletleraressen, directeuren en personeel van balletscholen, balletpakjesverkopers, spitzenmakers, toneelbouwers, transportbedrijven, fabrikanten van film- en fotocamera’s, verkopers in fotozaken, fotosoftware-ontwerpers, makers van fotobladen, videoproducenten, lichtspecialisten, inspeciënten en het ging maar door…

 

VERSCHRIKKELIJK LEVEN

AAR HOE ik ook keek en keek, ik zag geen kunstenaars, geen Hans van Manen, geen A.F.Th. van der Heijden, geen Frits Marnix Woudstra… zaten waarschijnlijk weer in de kroeg om hun makkelijk verdiende geld te verzuipen. Nee, dan de sector… elke dag om acht uur op kantoor, klagend personeel te woord staan, stukken doornemen voor weer een vergadering met het stadsbestuur, helpen een lekkage op zolder te stuiten… doodmoe werd je ervan. Geen wonder dat de lunchtijd ruim genomen moest worden – goed trouwens voor het netwerken – en om vier uur ’s middags lonkte pas de borrel. Kunstenaar, ja, lekker baantje, maar wij ambtenaren, staatsdienaren van de kunst waren de godganse dag in touw. Het was heel schadelijk voor je gezondheid. Je vrouw en kinderen begonnen je te mijden. Je riante villa in Amsterdam- Zuid werd leger en leger…

Het begon me steeds meer te dagen: die hotemetoten wáren de sector en ze hadden niet alleen een verschrikkelijk leven, ze verwierven ook ondanks hun status en aanzien – én dikke salarissen – nooit de eeuwige roem die een kunstenaar na zijn dood ten deel kan vallen. Het was niet eerlijk, maar ja, iemand moest het doen. Het enige wat je overbleef, was hopen dat de media je regelmatig kwamen interviewen omdat je doende was ‘het Stedelijk weer op de wereldkaart te zetten’ of zoiets. Je kon ook van tijd tot tijd een wereldberoemde conservator uit het buitenland halen – van wie de trouwe bezoekers van het museum nog nooit hadden gehoord – die kon helpen jouw aanzien aanzienlijk te doen stijgen. Ook bij zulke gelegenheden waren de media bereid kolommen tekst en foto’s en zendtijd aan je te besteden zodat je lege bestaan tenminste weer enige zin kreeg. Daar heb je nu eenmaal de kunst voor, weet jij, om jouw lege bestaan zin te geven. Zo wordt kunst nuttig, voor jou als ambtenaar uiteraard, maar ook voor de overheid, die niet gek is op kunst zonder nut. Dat is, volgens de Raad voor Cultuur, geldverspilling. Kunst, begreep ik, is er niet voor jou of mij, maar voor de ambtenaren, de staatsdienaren van de instellingen, het door de overheid betaalde management van musea, schouwburgen, concertzalen en andere grote podia, de sector. Kunst was er voor de sector en hoewel er jaar in jaar uit op de kunst moest worden bezuinigd, groeide de sector in tal en last en verdienden steeds meer ambtenaren een boterham aan de kunst die niet door hen werd gemaakt.

Toen ik al mijmerend zo ver was gekomen zag ik dan eindelijk, eindelijk een drietal kunstenaars. Ik riep ze, ik riep ze nog een keer, maar ze gaven geen antwoord. Ze waren als bezetenen aan het werk….     

27 DECEMBER 2013