De Acte Gratuit Als Werkelijkheid

 

 

 

 

 

Over het recht om te doden – 1

et is april 2012. Anders Breivik staat voor zijn rechters. Vorig jaar doodde hij doelgericht 69 keer een man, een vrouw, een jongen of een meisje. In Oslo kwamen nog eens acht mensen door zijn bommen om. Had hij zo’n hekel aan deze landgenoten? Nee. Hij hield ze voor sociaaldemocraten en de sociaaldemocraten acht hij schuldig aan het ontstaan van een ‘multiculturele’ samenleving in zijn Heimat. Hij had het récht om al die mensen te doden.. Een idee. Breivik doodde 77 medemensen uit naam van een idee.

Waar hebben we dat meer gehoord? Bij Dostojevski. En bij André Gide, de Franse schrijver die nogal door Dostojevski beïnvloed was. Gide benoemde – in Les Caves du Vatican (1914) – wat Dostojevski in zijn meer dan razend knappe roman Misdaad en straf uit 1866 beschreef: de acte gratuit.

De acte gratuit hield sindsdien de gemoederen bezig, vooral bij Albert Camus (en andere existentialisten). De acte gratuit betekent dat je zo maar iemand mag doden. In de praktijk blijkt dit een ingewikkeld filosofisch, ethisch en zelfs praktisch probleem te zijn waar de dader – zo maken de genoemde boeken ons duidelijk – slechts uitkomt als hij een beroep doet op ‘een hoger doel’ of  ‘een hogere instantie’.

Die discussie begeleidt de politieke werkelijkheid van West-Europa de hele twintigste eeuw door. Zij toont aan dat de vanzelfsprekende christelijke moraal – waarop een bepaald soort foute leiders in Amerika nog steeds een beroep doet, ‘Gij zult niet doden’ – zijn mooiste tijd gehad heeft. Wat komt er voor in de plaats?

Bij alles wat er de komende weken over Breivik en de islam te berde gebracht zal worden, is het goed in gedachten te houden dat politieke radicalisering op grond van een idee niet per se door de islam wordt losgewoeld. De kern van het probleem is veeleer dat het joods-christelijke Westen sinds de Verlichting geen vanzelfsprekend thuis voor aankomende intellectuelen meer blijkt te zijn. In plaats van een comfortabel grachtenpand met bibliotheek is de hangplek van onze aanstormende denkers een vervallen shopping mall met veel projectontwikkelingsarchitectuur, zwerfvuil, gangs, wapens, agressie, tv-camera’s en machteloze toezichthouders.

Dáár schuilt het echte kwaad. Daar zie je een bron van radicalisering. Machteloosheid in het aangezicht van machthebbers voor wie alleen het eigenbelang telt. Het verhaal van Anders Breivik past misschien in dit kader. Het ware, uitzinnige en morbide kwaad zit – behalve in hem – in de functionarissen die namens onze wereldwijd vertakte bureaucratieën – multinationals even goed als overheden – de westerse heerschappij naar Amerikaans, zeg maar: Republikeins, model, aan iedereen buiten de Verenigde Staten opleggen. Als het moet gaan ze zich, net als Bush, Cheney, Rove an andere Amerikaanse leiders, aan illegitiem geweld te buiten.

De hele wereld één grote shopping mall en wapens bij de vleet.

 

HET WAS EEN AANSLAG WERD ER GEZEGD

 

Doch vor dem ersten Tode kam der Mord
Rainer Maria Rilke: Das Stunden Buch

nders Breivik doodde op 22 juli 2011 in Oslo en op het eilandje Utøya in Noorwegen zevenenzeventig mensen. Velen, ik weet niet hoeveel, raakten gewond. Ernstig gewond? Ik weet het niet. Soms kun je maar beter dood zijn.

Ik was geschokt en bleek niet de enige toen ik het rouwbeklag van grote groepen Noren op de televisie zag. Ik vroeg me af waarom ik zo ondersteboven was. Het was toch niet de eerste schietpartij waarvan ik thuis, in mijn woonkamer, de gevolgen zag? Alphen aan de Rijn stond me nog helder voor de geest. Ik hoefde het internet maar op te gaan om vergelijkbare tragedies in het nabije verleden terug te vinden.

Het was een ‘aanslag’ werd er gezegd, een ‘terroristische aanslag’ zelfs, en dus een ‘politieke daad’. Er werd wel meer gezegd. Minister-president Mark Rutte noemde Anders Breivik een ‘idioot’.

Het ergerde me dat zo’n tragische gebeurtenis zo nonchalant werd afgedaan. Vooral het televisienieuws faalde. Het was weer niets dan herhalen, huilen en handen wringen. Emotie. Vragen met betrekking tot de verdachte, zijn motieven, achtergrond, leven en politiek in Noorwegen, Noorwegen zelf, de arbeiderspartij en de jeugdafdeling van socialisten op wie Breivik het had gemunt, werden niet gesteld.

Kortom, met de verbijstering, afschuw, woede, het medelijden, ijzen, huiveren, de verontwaardiging en geschoktheid zat het wel goed, maar hoe zat het met het verstand?

Dat stond, zoals gebruikelijk, weer eens stil.

PAMFLET

We zijn nu, december 2011, bijna een half jaar verder, maar veel wijzer ben ik nog steeds niet. De media gingen al weer snel over tot de orde van de dag, hún orde van de dag, en ik kon me blijven afvragen wat daar in Noorwegen nu eigenlijk gebeurd was en vooral wat daarvan de betekenis was, niet alleen voor mij, maar ook voor anderen die hun tijd willen begrijpen.

Nieuw was aanvankelijk alleen het zogenoemde pamflet van Breivik dat je in Nederland ook online kunt lezen. Voor zover ik in staat was me door deze alomvattende studie over (marxistische) ideologie en islam heen te werken, werd duidelijk hoeveel er Breivik, wetenschappelijk, sociaal en beleidsmatig, aan gelegen was de islamisering van het Westen met kracht een halt toe te roepen, te beginnen in zijn heimat Noorwegen, die onder invloed van de Arbeiderspartij in hoog tempo ook al een multiculturele samenleving was geworden. De Noorse beschaving mengen met de cultuur van de islam – dat was in zijn ogen vloeken in de kerk. In dat opzicht stond hij volledig achter de denkbeelden van Geert Wilders, die prompt medeschuldig aan het bloedbad in Noorwegen werd gemaakt. Hoor je ook niets meer van.

Pas in de laatste week van november 2011 drong er weer belangrijk  nieuws over Breivik tot de vaderlandse media door.

Twee  gerechtspsychiaters hadden 36 uur met de verdachte gepraat en op grond daarvan geconcludeerd dat hij niet toerekeningsvatbaar was op het moment van zijn optreden in Oslo en op Utøya. Hij was toen ‘psychotisch’. Breivik lijdt volgens deze, neem ik aan, forensisch gespecialiseerde zielkundigen aan ‘paranoïde schizofrenie’. Met die diagnose zullen we het voorlopig moeten doen, tenzij er zich in de tussentijd weer ándere psychiaters melden met een geheel tegengestelde opvatting. In de psychiatrie, weten we sinds Jan Foudraine, is veel mogelijk. Op 16 april 2012  – als Breivik voor de rechter komt – horen we meer.

CASUS

Het maakt deze ‘casus’ er alleen maar interessanter op.

Als de rechtbank volgend jaar officieel vaststelt dat Breivik geestesziek was op het moment dat hij 77 medeburgers van hun leven beroofde, wordt daarmee deze Noorse tragedie niet minder schokkend, maar anders. Een ziek mens treft immers geen schuld. Hij kan er niets aan doen. Dat is óók verschrikkelijk, maar misschien minder verschrikkelijk dan wanneer hij in het volledige bezit van zijn geestvermogens al die mensen had gedood.

Of juist niet?

De mogelijkheid dat hij ziek was (en is?) en dus niet strafbaar, is nu al voor veel mensen, zelfs degenen die met de zaak als zodanig niets te maken hebben, haast ‘gevaarlijk’ onbevredigend. Ze willen wraak.

Een grondige studie, straks, over Breivik, zou ons veel kunnen vertellen over de manier waarop in dit geval een paar uiterst virulente woekeringen in het westerse, maatschappelijke bestel samenkwamen, een klontering of verdichting die, indien aantoonbaar, veelzeggend zal zijn voor een uitgesproken morbide aspect van onze door en door materialistische tijd, waarmee we op geen enkele manier raad weten, zeker ook door de slordige, routinematige en vaak sensationele berichtgeving.

In het geding zijn niet alleen de media, óók politici en gezagsdragers, de rechterlijke macht, advocaten en andere belanghebbenden (ouders!) die in dergelijke zaken verantwoordelijk zijn, zouden zich meer moeten inspannen om te voorkomen dat we met zijn allen aan een vorm van geestelijke ontwrichting als gevolg van een te veel aan consumptie, voetbal, volslagen debiele spelletjes en reclame in onze huiskamers te gronde gaan…

In afwachting van de verdere gang van zaken in Noorwegen, ga ik door me de vragen te stellen die ik me had voorgenomen te stellen, toen ik, net als zoveel andere kijkers, in juli 2011, al die doden op Utøya zag.

SCHOKKENDE BEELDEN

Een man, een nog jonge man van 32, volwassen, zou je zeggen, zelfstandig, doodt in een voor zover we weten opvallend rustig land als Noorwegen zo maar op een dag 77 willekeurige mensen. Ik ga ervan uit dat dit klopt en Breivik geen medestanders had. Zulke ‘aanslagen’ komen voor. Meer dan vroeger? Die indruk beklijft, maar vermoedelijk is dat het effect van de schok.

Die schok is niet zonder meer aan de gebeurtenis zélf eigen, die schok is wel degelijk een gevolg van de manier waarop de televisie al dan niet gedwongen zulk nieuws brengt. Door middel van schokkende beelden.

Daarmee begint het, het zien met eigen ogen, het zien van de waarheid, en de verwerking daarvan die in eerste instantie alleen maar een emotioneel gistingsproces is, verwarring, en – misschien – geleidelijk aan rationeler wordt, vooral naarmate onweerlegbare feiten een rol gaan spelen en een vorm van kritische distantie kan ontstaan die in haar kern ‘verzet’ is, het verzet van de kijker die op grond van zijn ervaring niet bereid is zonder meer te geloven wat hem op de televisie als ‘waarheid’ wordt voorgeschoteld. Die kijker wil weten en stelt vragen. Is dit wel een aanslag? Wie vertelt mij dat en waarom? Wie zit hier achter? Honderden vragen, om de schok te boven te komen, uiteraard, maar ook om erachter te komen wat zo’n gebeurtenis, sociaal, politiek en in menselijk opzicht betekent voor een staatsburger die zoveel mogelijk zijn lot zelf wil bepalen (en niet voor de eerste de beste pias van een verslaggever of verslaggeefster door de knieën gaat, hooguit voor het noodlot).

Maar de alles overheersende vraag is natuurlijk of hier überhaupt iets vast te stellen valt. Zijn de ‘gevallen’ die wij uit het nabije verleden kennen met elkaar te vergelijken? Gaat het telkens om hetzelfde fenomeen? Of zijn het incidenten – misdaden die nu eenmaal voorkomen, normaal in een maatschappij als de onze, en die ons pas werkelijk zouden verontrusten als het NOS-journaal ze tegelijk met alle andere misdaden die op die dag werden gepleegd, zou tonen. Onze wereld zou er anders uitzien. Wie wel eens naar het dwaze programma Opsporing verzocht heeft gekeken, weet wat ik bedoel. Daar lijkt het beroven, schieten en verkrachten van vrouwen in Nederland wel een vol-continu bedrijf.

AANSLAG

Het moge duidelijk zijn dat we van het televisienieuws geen genuanceerde criminologische beschouwingen hoeven te verwachten. Veel te abstract. De rauwe werkelijkheid, daar boei je je clientèle mee. Zo’n schietpartij kan bovendien betrekkelijk moeiteloos worden gerekt. Stay with us. Iedereen tevreden, want laten we wel wezen: je ziet toch maar weer hoe gevaarlijk de wereld geworden is.

Na 11 september 2001 valt steeds eerder, al dan niet terecht, het woord ‘aanslag’. Daarmee wordt zo’n incident naar een hoger plan getild, wordt het ‘politiek’, komen de terrorismestrijders in het geweer en toont de middenklasse zich bereid, gezellig netwerkend met vrienden aan de goedgevulde dis, de eigen veiligheid nog wat verder op te voeren – met een verbeterd alarmsysteem in huis en een nóg grotere terreinwagen voor de deur…

Politici en de media in het algemeen weten weer wat ze te doen staat.

Veiligheid, veiligheid en nog eens veiligheid.

De totale veiligheid.

Lees verder

WKtS
20 november 2011.
Bijgewerkt 1 december 2011. De inleiding is van april 2012.

 

.