Harry Mulisch

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Opwindende ontmoetingen

 

dat komt gewoon doordat zijn vader eens.
gewoon omdat zijn vader in zijn jeugd.
doordat zijn vader in zijn jeugd gewoon.
gewoon al in zijn jeugd zijn vader toen

HARRY MULISCH

 

arry Mulisch kwam voor mij tot leven in de jaren zestig van de vorige eeuw. Het decennium ervoor had ik als gymnasiast in Utrecht regelmatig van zijn werk kennisgenomen, maar grondig gelezen had ik het niet.

Archibald Strohalm, zijn debuut uit 1952, Chantage op het leven (1953), De diamant (1954), Het mirakel (1955), Het zwarte licht (1956), De versierde mens (1957) en vooral, ja vooral Het stenen bruidsbed uit 1959 ontvouwden zich voor mij pas als delen van een oeuvre dat me nooit meer zou loslaten, toen ik mán geworden was (in dienst, bij de veldartillerie) en op eigen benen stond. Als journalist.

Vanaf dat moment behoorde Harry Mulisch tot mijn favoriete auteurs en de opwinding die telkens weer al of niet kunstmatig rond de verschijning van weer een nieuw boek werd gewekt, deelde zich zo gemakkelijk aan mij mee dat ik nooit meer een publicatie van zijn hand aan mijn neus voorbij heb laten gaan.

Contact met de mens áchter al dat stilistisch en inhoudelijk zo indrukwekkende werk kreeg ik voor het eerst in het begin van de jaren tachtig, toen Jaap Goedegebuure en ik Harry Mulisch interviewden bij de verschijning van De compositie van de wereld. Vreemd was, herinner ik me,  dat de stem van de schrijver zich aanvankelijk niet aan de band in mijn opnameapparaat wilde hechten (die van mij wel!). Pas na verschillende pogingen kwam het goed, en hadden wij een spraakmakend interview waarin Harry uitlegde dat de technologie het van de mens ging overnemen en wij, mensen, hooguit nog als dieren in Artis, in de ‘mensentuin’, zouden voortbestaan.

Jongensachtige zwier

De ontmoeting was om allerlei redenen heel bijzonder. Harry bleek een uiterst aangenaam mens te zijn, die met jongensachtige zwier debatteerde alsof zijn leven ervan af hing. Hij geloofde zozeer in wat hij, ook aan onzin, te berde bracht dat dit zijn geschriften voor mij in een ander licht plaatste. Hij wás zijn stijl, zijn Nederlandse (of misschien Haarlemse) stijl, des te verwonderlijker omdat  hij, zoals hij vaak spottend zei, toch een ‘allochtoon’ was, een kind van een (foute) Oostenrijkse vader en een Duits-joodse moeder.

Die ontmoeting bleek later een comfortabel opstapje naar een grotere intimiteit die ontstond toen Martin Mooij van Poetry International een bootreisje op de Rijn organiseerde. Een week lang zaten we met schrijvers uit Zwitserland, Duitsland, Frankrijk en Nederland aan boord van een schip dat voor de gelegenheid Narrenschip was gedoopt. We zakten vanuit Bazel de Rijn af naar Rotterdam en leerden elkaar – zoals de bedoeling was – beter kennen.

Harry had op de eerste dag meteen al indruk gemaakt door in een soort zeemansuniform, met bijpassende kapiteinspet, te verschijnen, een uitmonstering die de jongere, veelal sterk behaarde en voor die tijd nog zeer hippie-achtige kunstartiesten vermaakt deed grinniken.

Behalve de vele gesprekken die we aan dek, in de eetzaal of aan de wal bij het passagieren in Straatsburg, Karlsruhe, Koblenz, Bonn of Keulen hadden, over de oorlog bijvoorbeeld en onze bevrijding door de Russen, herinner ik me Harry’s voorliefde voor Duitse taarten, die hij deelde met een smulpaap als Adriaan van Dis, toen verslaggever van NRC-Handelsblad.

Maagoperatie

Het verbaasde mij, want Harry had zo rond zijn veertigste een maagoperatie ondergaan en kon om die reden niet al te veel  tot zich nemen. Hij had kanker. Je merkte daar overigens niet veel van. Toen ik hem later op een keer uitnodigde om met wat bewonderaars te gaan eten, was het voedsel geen probleem, alleen de drank. Hij verdroeg slechts roze champagne, die behalve smakelijker dan bier ook een tikkeltje prijziger was.

Zo’n etentje was aan Harry zeer besteed. Ik herinner me een geslaagd avondje met Arnold Heumakers, toen nog criticus van de Volkskrant en de neerlandicus Jo Dautzenberg die bij De Bezige Bij een boek over het werk van Mulisch had gepubliceerd. Er werden indringende vragen gesteld, over zijn verknochtheid aan Cuba en de ‘affaire-Padilla’, maar Harry zat nergens mee. Unverfroren verdedigde hij zijn soms wel erg tegendraadse standpunten, met redeneringen en in zinnen die je zo voor publicatie kon noteren. Hij beschikte over een ongelooflijke eloquentie en scherpzinnigheid, altijd ad rem, soms wat al te lapidair, maar nooit aarzelend.

Zakelijk was hij ook. Toen ik hem op een keer vroeg of ik voortaan zijn lezingen in de Volkskrant mocht publiceren, luidde zijn antwoord kort en bondig: ‘Eén gulden per woord.’

Het kwam Kees Fens ter ore, die het niet zo op Mulisch begrepen had, en die reageerde, lichtelijk smalend, maar ook met nauw verholen bewondering: Die man had net zo goed directeur van een groot bedrijf of uitgever kunnen worden.

Het leek me niet ver bezijden de waarheid. Jarenlang deed men bij De Bezige Bij, zijn uitgever, wat Harry Mulisch  wou, en zoals gebruikelijk had hij gelijk. Robbert Ammerlaan zal het beamen. 

Humor

Harry Mulisch was een aardige man. Trouw ook. Zijn vrienden liet hij niet gauw in de steek – van zijn vriendinnen ben ik minder zeker.

Het was nooit onplezierig om hem te ontmoeten. In alle jaren dat ik hem heb meegemaakt, de laatste jaren vaak alleen nog maar op straat in het voorbijgaan, genoot ik van de manier waarop hij je dan toesprak. Met dat karakteristieke stemgeluid. Er klonk het half vileine, half bekakte en tegelijkertijd zeer aanstekelijke enthousiasme in door wat  ook oudere scholieren of studenten kunnen hebben: zin om de boel eens stevig op te schudden.

Heel humoristisch leek Harry niet, maar hij was het op zijn manier wel.

Wie daar oog (en vooral oor) voor had, kon goed met hem uit de voeten.

Zijn lezers  weten wat ik bedoel.


WKtS
31 OKTOBER 2010