Galeniet – 14

WILDE SANDRA AL EEN VOORPROEFJE VAN HUN ALPENGELUK…

14

‘Nee, Werner, niet nóg meer van die rare ideeën van jou.’ Maar dat viel heel erg mee. Zijn hoofdredacteur wás niet mordicus tegen. Hij hoorde Werner zelfs opvallend geïnteresseerd aan. ‘Heel goed, Werner,’ zei hij ten slotte, ‘heel goed, en dan gaan wij de lezer natuurlijk duidelijk maken hoe het er vandaag de dag met die elementen voorstaat?’

‘Inderdaad,’ zei Werner, en hij overwoog dat je die zinsnede evengoed en beknopter door het woord ‘vervuiling’ kon vervangen, een begrip dat zich als een kanker uitzaaide. Overal dook het op en je kón er ook niet omheen: aarde, water, lucht en vuur wáren in de moderne tijd, in de tijd van de almaar voortgaande industrialisatie, ook onherstelbaar vervuild, al had het vuur misschien zijn zuiverende werking behouden, maar als hij aan de verhalen van zijn vader dacht, moest hij ook dat idee herroepen: het brandende Rotterdam, de fosforbommen op Dresden, de atoombom op Hiroshima, de napalm in Vietnam, de waterstofbom die als een zwaard van Damocles ook boven zijn stad hing. Koude oorlog, jawel!

Ze spraken erover, ’t Sas en hij, en wakkerden, al pratend, elkaars enthousiasme aan. Besloten werd nog twee collega’s voor dit nummer vrij te maken. Een van hen was in elk geval Armand Verdriet tot wie Werner zich zeer aangetrokken voelde.

Nadat ze waren uitgeproken, zei ’t Sas, ‘en nu eerst maar eens op vakantie, Werner. Dan kun je er daarna met frisse moed tegenaan.’

Met een lichte opwinding, een gevoel dat hem al dagen droeg, een stemming die na het laatste gesprek met zijn hoofdredacteur nieuw voedsel had gekregen, fietste hij de stad in. De zekerheid een krant te kunnen maken zoals hem en ’t Sas voor ogen stond, een krant zoals nog niet eerder het licht had gezien, tilde hem op, maakte hem los. Als zijn geremde inborst het hem niet had belet, zou hij van zweven hebben gesproken. Spontaan besloot hij op het Stationsplein niet naar huis, maar rechtdoor naar de flat van zijn ouders te rijden. Zijn vader, bijna even oud als Paul van Ostaijen had kunnen zijn als die niet zo jong aan de tering was bezweken, begroette hem met een brede grijns. De mildheid van de ouderdom, dacht Werner. Hoe anders was die man geweest toen hij nog thuis woonde. Hij herinnerde zich zijn buien. Zijn driftaanvallen. Wat een boosheid had er in die man gezeten. Liep in de Ford-garage waar ze hem chef gemaakt hadden de godganse dag te kankeren. Werner had ook geen journalist mogen worden. Broodschrijver, inktkoelie, persmuskiet, het laagste van het laagste. Hij dacht aan de minachting – de teleurstelling ook van zijn vader.

Met een breed gebaar noodde de oude Roolvink hem binnen. Moeder liet zich zowaar kussen. Werner informeerde naar hun lotgevallen, vroeg hoe het met Aleida ging, of ze al zwanger was, en nadat moeder koffie met taart (‘Zelf gebakken, Werner’) op tafel had gezet, begon hij over zijn bijlage, nou ja, herstelde hij zich, de bijlage van de krant die in september zou komen. Zijn vader weigerde de krant van Werner te lezen – hij las net als iedereen de grootste krant van de stad, de Utrechtsche Courant -, maar hij luisterde voor zijn doen opmerkelijk belangstellend. Hij leek zelfs in zijn nopjes te geraken naarmate Werner verder opsteeg, vanuit de zetterij en het lood, dat hij inmiddels naar zijn hand had leren zetten, naar de verre verten die voor zijn verwekker – eenvoudige monteur per slot van rekening – achter wolken van onbegrip verborgen moesten liggen en al deed Werner nog zo zijn best de oude baas te sparen, hij kon niet verhinderen dat hij algauw als een soortement intellectueel zat te oreren en tenslotte zelfs, haast wanhopig, zijn afgoden aanriep, de Groten van het Woord, de Revolutionairen van de Dichtkunst, Rimbaud, Baudelaire, Mallarmé, T.S.Eliot, Paul van Ostaijen, Lucebert.

Zijn vader hoorde hem grijnzend aan, enigszins onderuitgezakt in zijn pas opnieuw gestoffeerde crapaud. Hij lustte er wel pap van. Was die jongen toch nog goed terechtgekomen. Pas toen zijn zoon was uitgesproken en moeder kopjes, bordjes en taartvorkjes rinkelend op een dienblad had verzameld, deed hij zijn mond open: ‘Prachtig, jongen, prachtig,’ zei hij. ‘Wat een baan! Dat je bij dat krantje van jou zo’n kans zou krijgen! Geweldig! Kun je je eindelijk óók een knappe wagen permitteren.’

De laatste dag voor zijn vakantie – twee weken met Sandra naar Zwitserland, Werner die het hooggebergte alleen uit de boeken kende, deed het nu al in zijn broek – zat hij naast Helmut aan de linotype, en wilde net als zijn oudere kompaan juist een slok melk nemen toen Sandra in smetteloos wit de trap af gedanst kwam. Hoofden van alle zetters haar kant op, Werner stomverbaasd.

‘Wat doe jij hier?’ vroeg hij, terwijl ze hem kuste.

‘Ik kom je halen,’ zei ze met een lachje naar Helmut die ze een hand had willen geven, maar afgeschrikt door de vette inktvegen alleen maar toeknikte. ‘Ik heb met de hoofdredacteur gebeld. Je mocht mee. Je bent vrij.’

Werner sprong op. Vrij?

‘Kom,’ zei Sandra die hem geen tijd gunde om van wie dan ook afscheid te nemen, ‘we gaan.’

Ze zouden zondag in zijn gammele Eend naar het zuiden afreizen, maar voordat het zover was wilde Sandra al een voorproefje van hun Alpengeluk in hun lustwarande op de Utrechtse Heuvelrug waar ze dikwijls wandelden. Uitgelaten Sandra. Ze zong, mooie liedjes van hem volslagen onbekende jongens uit Liverpool, het ene na het andere. Wat een vrouw, dacht hij, zo anders dan ze de laatste weken was geweest als het hem soms te veel werd. ‘We moeten ermee ophouden, Sandra,’ had hij haar een paar keer willen zeggen. Niet meer drie avonden in de week naar haar moeder die steevast rond een uur of tien met de krant op schoot voor de tv in slaap sukkelde en door Sandra naar bed gebracht moest worden, waarna een beetje vrijen de avond moest redden. Sandra, vreesde hij, kon hem iets afnemen wat hij niet kon missen. Ze kon zo nuchter, doelgericht, praktisch en ‘realistisch’ zijn – een houding die hem onzeker maakte. Sandra scheidde de humbug die hij nodig had, de vrije ruimte die hem
het nutteloze schonk, van de ernst die evengoed bij hem hoorde, maar alleen die twee sámen, de humbug evengoed als de ernst, was híj. Sandra maakte een aansteller van hem of een drammerige nurks (zijn vader!) omdat ze – hij had geprobeerd het haar uit te leggen – niet luisterde naar wat hij met zijn soms zo idiote, absurde, overdreven verhalen wilde overbrengen. ‘Je overdrijft altijd zo,’ zei ze dan, boos, afkerig haast, alsof hij lóóg. Maar telkens wanneer hij zichzelf ervan had overtuigd dat het uit moest zijn, afgelopen, ‘ik hoef je niet meer, Sandra’, verloste ze hem, met een gebaar, een blik, een kus, verloste ze hem met haar zachte, willige lijf – met haar tederheid. Dan brak ook de lach weer door die in haar woorden, in haar doen en laten besloten lag zonder dat je er de vinger op kon leggen. Als het haar goed ging. Dan kon hij zich ook ontspannen, lachen, en zich bevrijden van de spot, de ironie, de cynische wise-cracks waarover hij in ruime mate beschikte, misschien omdat hij, anders dan Sandra, geen gevoel voor humor had en zich steevast in de nesten werkte met zijn wetten, regels en orde. Hij hield van de strenge Mondriaan, van diens felkleurige geometrie, maar was geleidelijk aan gaan vermoeden dat daarin, los van de esthetische orde, een magie of wellicht een vorm van mystiek schuilging die hij bij zichzelf vergeefs zocht. Hij kende het vermogen tot betoveren niet, hij kon zich niet overgeven, hij kon niet verleiden. Hij was een door en door kleinburgerlijke Isengrim. Wilde wel, maar had geen idee waar het in hem huisde, als het er al was.

Wat verstikte het?

Ze waren uitgestapt en een willekeurig pad ingeslagen. Ze kenden hier elke struik. Ineengestrengeld dwaalden ze door het struweel, totdat Sandra hem staande hield en haar lippen op de zijne drukte. Ze lieten zich, een beetje stoeierig nu, neer op een peluwtje van wollig mos, hun huwelijkssponde voor die dag, hun eerste nacht leek het wel, ius primae noctis, adellijk privilege van de defloratie, voor hem, ridder van het hoogdravende woord, en keken ruggelings naast elkaar in de lichtdoorschenen beukenkronen. Vol liefde boog hij zich naar haar over, streelde haar stevige benen en schoof haar rokje op tot ver boven haar dijen, tot boven haar navel, omfalos, dacht hij, middelpunt van zijn almaar inkrimpend en uitdijend heelal, en legde zijn hand op haar koele buik, net boven een nieuw kantachtig slipje waar driehoekig zwart de zachte, gladgesleten, wit doorspikkelde steen doorheen schemerde die zijn geheim was, hún geheim, het geheim van het galeniet waaruit hij voor de hele mensheid het lood zou winnen, het lood van de nieuwe tijd, drager van het herboren woord dat schoon en zuiver, ongerept en vervuld van een niet eerder ervaren androgyne kracht, evenzeer mannelijk als vrouwelijk, een nieuwe orde zou baren. Een zachte orde, een humane orde, een orde die alle misvormingen ongedaan zou maken.

‘Geen misvormingen meer,’ fluisterde hij.

Sandra keek hem aan.

In haar intens lichte ogen zag hij zijn angst.

LEES VERDER IN HOOFDSTUK 2: LANGBANSHYTTAN