GALENIET – 12

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


EN SNEED DE TINGELTANGEL-WOORDEN VAN VAN OSTAIJEN IN DE EIGENHEIMERS…

12

‘Je vindt hem goed dus?’ vroeg Werner die zich weer eens verbaasde over de ruimdenkendheid van die man.

‘Heel goed,’ zei Antoine, ‘leve Van Ostaijen! Nihil in vagina, nihil in crux suastica.’

Caroline keek op van haar breiwerk.

‘Weet je wat ik heb bedacht,’ vervolgde Antoine met een blik op Caroline, ‘dat we ’t Sas tegemoet moeten komen. We maken de acht pagina’s zo rustig mogelijk, mooie broodletter, mooie vaste koppen, gezet uit de Folio, de Gill, de Futura, een schreefloze letter in elk geval, krachtig, hoekig, koppig, een mooi ritme van grijs, zwart en kleur…’

‘Donder op, man,’ protesteerde Werner. ‘We gaan toch niet op de naneuk pezen?’

‘Jawel,’ zei Antoine, ‘het is kiezen of delen, Werner, ofwel: de eeuwige weg van de geleidelijkheid, zeg maar: de evolutie, of niets. Mijn plan is: handhaaf de voorpagina zoals we hem nu hebben, Dada op z’n best, maar dan bij wijze van spreken’ hij glimlachte ironisch ‘tot krantenniveau teruggebracht. De andere pagina’s rustiger. Werner, ik zeg het ook uit praktische overwegingen: je hebt geen tijd om elke week acht volstrekt afwijkende pagina’s te ontwerpen. Je zult je handen vol hebben aan de voorpagina.’

Werner reageerde niet meteen. Hij voelde zich driftig worden. Wat een gezeur, ‘de andere pagina’s rustiger’, ‘praktische overwegingen’, er wás geen ‘praktijk’.

Hij staarde voor zich uit, dreigde in een grondeloos zwijgen te verzinken, zijn imploderende drift, nee, niet opnieuw… maar hij slaagde erin de branding te doen betijen en gaf zich na een laatste aarzeling gewonnen, misschien nog meer door de atmosfeer in dit huis en vooral de moederlijke blik van Caroline dan door de argumenten van zijn vriend.

‘Goed,’ zei hij ten slotte, ‘ik ga aan de slag met de andere pagina’s. Ik vertel het morgen aan ’t Sas.’

‘Als hij met de naam akkoord gaat,’ zei Antoine, ‘dan hebben we het pleit gewonnen,’ en hij haalde een fles Bols uit het dressoir achter zich te voorschijn.

‘Voor mij niet,’ zei Werner en toen zowel Caroline als Antoine verwonderd opkeek: ‘Ik drink niet meer.’

Paul ’t Sas, al drie jaar wereldberoemd hoofdredacteur in de oude bisschopsstad, aanvaardde de naam Boem Paukeslag zonder slag of stoot. Werner kon zijn oren niet geloven. Hij was zo verbouwereerd dat hij vergat Antoine op de hoogte stellen en meteen naar huis fietste om aan zijn laatste en zwaarste taak te beginnen: het ontwerpen van de naam.

Hij had, op het idee gebracht door zijn uitgave van Van Ostaijens Verzameld Werk, overwogen om de woorden Boem Paukeslag in zijn eigen handschrift, met pen of penseel, te schrijven, te kalligraferen als het ware, maar alle pogingen die hij daartoe had ondernomen, waren gestrand. Hij wás geen Pierre Aléchinsky. Zijn handschrift deugde niet, onpersoonlijk, karakterloos, doorsnee, anoniem hij spaarde zichzelf niet. Totdat hem op een avond tijdens een ommetje in de Viestraat, waar hij naar een stel blote modepoppen in de etalage van de Galeries Modernes had staan kijken, de oplossing inviel: een stempel! Het moest een stémpel worden. Hij moest de naam Boem Paukeslag met een stémpel, met een kláp op de voorpagina aanbrengen. Blind gepreegd had hij nog een ogenblik overwogen, maar dat viel te weinig op. Nee, een stempel, een vuurrood stempel moest het worden!

Thuisgekomen verzamelde hij meteen de spullen die voor dat werk in aanmerking kwamen, papier, karton, linoleum, hout, ja, zelfs met een aardappel kon je stempelen. Met een aardappel had hij het nog nooit gedaan. Het leek hem nu dé manier. Onder de gootsteen lagen altijd wel wat piepers. Hij pakte er een handvol, schilde ze en sneed ze doormidden. Mooi zachtgeel bood het oppervlak zich aan. Hij depte het voorzichtig droog en kerfde een b in het vruchtvlees. Dat viel niet mee. Op de andere stukken bracht hij, al wat vaardiger, de o en de e aan, maar makkelijk was het desondanks niet. Hij schoot vaak uit en versneed veel. Hij was bang dat als het zo doorging, hij niet genoeg opperdoezen, bintjes, eigenheimers of hoe die knollen ook mochten heten, in huis zou hebben. Nachtschade ging het door hem heen, door Columbus uit Amerika meegenomen, giftig, giftig, hij hoorde zijn moeder roepen: ‘Dit zijn geen afkokers, Werner,’ het zaad al koud op zijn buik. Wat was dit voor gezeik? Zoveel tijd had hij nu ook weer niet. Ingespannen sneed hij verder in de lichtkring van zijn bureaulamp. De m kwam, en daarna de p, de a, de u ze kwamen allemaal, ze dienden zich nu haast als vanzelf aan, leek het wel, gehoorzaam, dienstbaar, dienstig, zoals de letter behoort te zijn en sinds mensenheugenis is geweest, onderhorig aan de geest die daarzonder ijl als vlugzout zou zijn verdampt en elke aankomende Einstein tot een mompelende zonderling zou hebben gemaakt, hij sneed en sneed, de k kwam en de s, de l en de g. Niet te snel, Werner, rustig aan, jongen, gaan we jagen, nee we hebben alle tijd, is het nou goed… Zijn beheersing, hij kon het niet ontkennen, wierp vruchten af. Zijn snijden werd zekerder, markanter, harder, hoe dienstbaarder hoe harder, zijn moeder. Alsof hij dit al jaren deed. Routine. ‘Mooi vak, jongen.’ Helmut. Waarom zweeg zijn vader? Letters genoeg, nu kon hij gaan inkten. Hij doopte zijn aardappelhelften in felrode gouacheverf, wachtte een ogenblik en drukte ze toen stuk voor stuk, elf keer, I10, wat een vondst meneer Lehning, wat een vondst, I10, op het vezelige papier dat hij speciaal voor dit doel uit zijn voorraadje had gehaald, hij deed de a en de e twee keer, stempelde nog een keer, nog een keer, harder, zachter, maar bevredigend was het niet. Het moest voorzichtiger, gevoeliger, geweldloos…

Hij pakte nieuwe aardappelen vanonder het aanrecht, zijn laatste, en sneed nu even behendig maar met een andere houding de tingeltangelwoorden van Van Ostaijen in de eigenheimers en stempelde opnieuw. Ditmaal daagde, hoe vaag ook, de belofte van de beloning.

Hij bleef stempelen, inkten en stempelen, stempelen en inkten, net zo lang totdat hij een afdruk op papier zag die niemand had kunnen bedenken, laat staan ontwerpen, een roep, een schreeuw, een schorre kreet zoals die in de Berlijnse musichall van de jaren twintig moet hebben geklonken, doorrookt, rauw, met whisky opgeruwd, terwijl aanzwellend tromgeroffel de krijtwitte zanger met zijn vuurrode vrouwenmond aankondigt, boem paukeslag, letters die lang, lang in het grauwe krantenpapier zouden blijven nabloeden…

Werner bleef kijken, lang kijken, misschien was dit wel het ‘schouwen’ dat Antoine had bedoeld. Zo goed? In godsnaam. Hij kwam overeind, stijf geworden, zijn gewrichten kraakten, en liep naar het raam dat vuil en stoffig als het was schimmig zijn gebogen gestalte weerspiegelde. Oude man die zijn laatste sigaret opsteekt.

Hij zette het venster op een kier en voelde de nachtwind binnensluipen, geluidloos, nauw merkbaar en stil, de adem van een slapende geliefde die, even, zijn verhitte oren koelde, alles was zo stil nu, iedereen sliep, ’t Sas sliep, Sandra sliep, Antoine en Caroline sliepen dicht bij elkaar, hij zag ze liggen, slapend, wie zag je ooit slapen, misschien je eigen kinderen…?

Hij deed het raam verder open en zag beneden zich in het donker tussen de ruïnes van zijn buurt de bouwmachines als monolithen uit de ochtendmist oprijzen. Ver weg in het oosten, boven de laagbouw van de oude stad, was de nieuwe dagploeg begonnen scheuten rood en roze door de inkt te roeren. De rozenvingerige dageraad… Hij grinnikte. Hoe vaak niet gezegd, geroepen, met Carlo, met Sandra, met anderen…Vleugellamme dronkensmanspraat aan het eind van weer een doorgehaalde nacht.

Een ruimte had hij gezien toen hij zijn letters sneed, maar was dat wel zien? Was dat wel ruimte? Een universum was het geweest, een heelal, en daarin iets wat je alleen maar een planeet of een ster kon noemen, iets ronds dat hij kende en dat betekenis voor hem had, het gistte en dampte, spoot en suisde, maar eromheen was niets, een onafzienbaar niets waar niettemin zijn blik de dingen zag die hij moest zien omdat niemand ze zag, kón zien…

Mijn God, wat wist hij? Kijken, hoorde hij, en hij keek en hij zag het duister om zijn planeet of wat het dan ook was beetje bij beetje verdwijnen, alsof er gaten in ontstonden, zoals bij een oud schilderij wanneer een restaurator met een watje de bruine viezige vernis weg wrijft en er een blozende wang onder de getaande huid van een zeventiendeeeuwse kop tevoorschijn komt, hij zag zoveel, niet alleen dingen, maar ook gedachten, ideeën en gevoelens die hij zich helemaal niet kon voorstellen, dat hij uit louter onmacht dacht weg te glijden, uit de wereld, uit de tijd, want hij had er geen woorden voor, hij had er geen taal voor, hij kon het vele dat zichtbaar werd niet benoemen, terwijl hij wist, zo zeker als hij nog nooit iets had geweten, dat dit ZIEN WETEN WAS…

Hij had zich aan zijn tafel vastgegrepen en was niet gevallen, was ook niet volledig de controle over zichzelf kwijtgeraakt, maar had trillend zijn mes en de aardappelstukken opzij geschoven totdat, gelukkig, gelukkig, de woorden weer kwamen, de vertrouwde woorden die hem aan zichzelf teruggaven en aan zijn beperkingen en aan zijn onkunde, hem teruggaven aan degene die hij was, Werner Roolvink, zoon van Herman en Griet, broer van Aleida, journalist, vormgever…

‘Ons sperma is violet. Gif.’

Het waren de wóórden die je bij de les hielden.

Hij grinnikte.

LEES VERDER