Fictie en het volle leven

 

Dit essay over de reële wereld waarin literatuur als fictie tot stand komt, werd op 11 december 1982 door de auteur in Den Haag uitgesproken tijdens de manifestatie Literatuur: kritiek, wetenschap of natuurverschijnsel. De lezing werd met als titel De slapenden zijn medescheppend in 1983 in het tijdschrift Bzzlletin gepubliceerd en in 1984 opgenomen in Kritisch Akkoord onder redactie van Jaap Goedgebuure, Dirk Kroon, Anne Marie Musschoot en Willem M.Roggeman.

 

1. De slapenden zijn medescheppend
2. ‘Zegt u maar gerust een op een generatie’
3. Dat men niet wil is het raadsel
4. Je est un autre
5. Literatuur heeft geen toekomst meer
6. Literatuur kan heel goed zonder straatrumoer

 

Door Willem Kuipers

 

Als ik aan literatuur denk, denk ik nu eens niet aan Lodewijk van Deyssel, Gerard Reve, Maarten Biesheuvel of Kees van Kooten, schrijvers die ons op zenuwslopende wijze deelgenoot hebben gemaakt van de moeite die het kan kosten ook maar één zin op papier te krijgen. Ik denk vooral aan de volksstammen die aan literatuur hun brood verdienen.

De leraren die de jeugd in de letteren moeten onderrichten in het Havo, Mavo, Vwo, op Mts’en en Hts’en, aan sociale en pedagogische academies, in lerarenopleidingen en MO-cursussen; de docenten aan de universiteiten die honderden studenten moeten bijbrengen dat de Nederlandse literatuur begint met de simpele vraag of alle vogels hun nest al gereed hebben, de hoogleraren Nederlands en Algemene literatuurwetenschap niet te vergeten, de literatuurconsulenten die de Katholieke Hogeschool van Tilburg in een niets ontziende vooruitstrevendheid zal afleveren, de hardwerkenden in de bibliotheken, de leesmoeders op de lagere scholen, de medewerkers van het Letterkundig Museum, het personeel van de literaire uitgeverijen, maar dat niet alleen, want alle uitgeverijen in Nederland pikken wel een graantje mee van de literatuur, de uitgevers, de redacteuren, de mannen en vrouwen van de verkoop, de vertegenwoordigers die driemaal per jaar de boer opgaan om aan de boekhandel hun nieuwe waar te slijten, de boekhandel, de gigantische ramsj-handel, de redacties van kranten en weekbladen, waar altijd wel één persoon zo’n beetje belast is met de berichtgeving over dooie auteurs of prijsuitreikingen, rellen van elkaar bevechtende dichters of de rattenvanger Reve, die met zijn zoet gefluit van literatuur, drollen en winden, en roetmoppen die onze blanke dochters onteren duizenden jongeren uit hun kraakpanden tot zich wist te lokken.

Medisch model

Literatuur, kortom, is een bedrijf. Het is een broodwinning, zo al niet voor de schrijver, dan toch voor degenen die ik nu al of niet volledig heb opgesomd. Het is een instituut, dat ook al zou er geen levende schrijver in Nederland meer rondlopen, zou blijven bestaan. Het is een instituut dat jaar in jaar uit in omvang uitdijt, iets wat het beste voor lezend Nederland zou moeten doen hopen. In de toekomst zal niemand meer aan de greep van dit instituut ontsnappen. Van de wieg tot het graf zal de literatuur ieder van ons vergezellen.

Lijkt het die kant op te gaan? Wordt het ‘medisch model’ op de letteren toegepast? Kwantitatief misschien wel, maar kwalitatief zeker niet, als je mag afgaan op wat je hoort.

Al die leraren. Als hun motivatie niet anders geworden is dan in de tijd dat ik ze als student meemaakte, zie ik het somber in. Wat een ellende was dat studeren. Eerst die vervelende middeleeuwen, dan de onleesbare Renaissance, dan die saaie achttiende en negentiende eeuw, en dan hield het gelukkig op. Moeizaam werd er gestudeerd. Nu nog hoor ik regelmatig van docenten èn studenten dat er legio kandidaten zijn die in het jaar van hun afstuderen nòg niet weten waarover ze hun doctoraalscriptie zullen schrijven. Of Ernstjan, zo heten docenten van een nieuwe generatie tegenwoordig vaak – dubbele naam -, ze niet aan een onderwerpje kan helpen?

Maar misschien worden slechte studenten aardige leraren. Regelmatig spreek ik zulke vakgenoten en wat dan tot mij komt is niet anders dan onmacht: de leerling is in van alles en nog wat geïnteresseerd, maar absoluut niet in literatuur. Maar wat heet literatuur in het onderwijs? Zijn dat niet criant vervelende lessen waar de docent geheel in beslag genomen door de noodzakelijke aanschaf van een nieuwe Volvo, of de verbouw van zijn huis waarvoor de goedkoopst mogelijke tweede hypotheek gevonden moet worden – en nu ook nog al dat inleveren! – voor de zoveelste keer de structuur van Turks Fruit in de door rock, punk en free-wave hardhorend geworden hoofden van de leerlingen probeert te stampen.

Ik weet het niet. Ik hoor wel eens wat. Zo vertelde een jong persoon uit Enschede mij onlangs dat hij zijn leraar Nederlands gevraagd had Willem Brakman op zijn lijst te mogen zetten, maar de leraar Nederlands had nog nooit van Willem Brakman gehoord. Laat staan dat hij iets van hem gelezen had, natuurlijk!

Dan valt mijn mond open. Hij zal wel al jaren in ernstige relatiemoeilijkheden verkeren, denk ik dan, want dat schijnt onder leraren ook te heersen als een besmettelijke ziekte.

Vergrijzing

Het èchte literatuuronderwijs vindt vanzelfsprekend aan de universiteit plaats. Daar worden immers de allerbesten aangesteld. Wie weet hoe er in de jaren zestig, toen de aanzwellende golf literatuurstudenten de instituten Nederlands bereikte (sociologie was uit!), in allerijl en te hooi en te gras werd aangesteld, waarna in de jaren zeventig de deuren van de universiteit voor werkzoekenden werden gesloten, heeft daarover zijn twijfels. Zeker is dat de jongelieden die er toen, vers afgestudeerd kwamen te zitten, tot in lengte van jaren zullen blijven hangen: de vergrijzing van het vak Nederlands is in de jaren zestig begonnen.

Degenen die wèrkten storten zich vol overgave op tekstanalyse of gaven zich over aan de theorie. Wie een beetje op wilde schieten met zijn carrière moest vooral theoretisch niet van de straat zijn. De nieuwe vakidiootjes konden elkaar in die tijd opgewonden bezig houden met weer een nieuwe theorie die ze ontdekt hadden. Het leek wel, als je ze zo hoorde praten, dat de wetenschap op het punt stond klaar te komen.

Ik herinner me een gesprek met een zeer jonge doctor, die ook al in Amerika geweest was om zijn blik te verruimen, waarin ik probeerde het over boeken te laten gaan. Tja, ik ben ook maar beperkt van gespreksstof. ‘Helaas, helaas’, zei hij, ‘ik heb geen tijd meer voor primaire literatuur. Ik heb mijn handen vol aan het bijhouden van mijn vakgebied.’ Let wel, dat vakgebied was literatuur! Voor hem was het secundaire, tertiaire of misschien wel quartaire literatuur, meta-literatuur in elk geval!

Hij was de enige niet. Ik heb menige literatuurwetenschapper mogen betrappen op een volledige desinteresse in wat zij dan primaire literatuur noemen. Ze lazen niet. Ze bestudeerden de literatuur alsof het een natuurverschijnsel is, met de microscoop op een detail, in de hoop er een of andere theorie aan te kunnen toetsen.

 

Dit essay werd gepubliceerd in Bzzlletin, jaargang 11, nr. 102, p. 12-16 en in
Kritische Akkoord 1984, uitgeverij Manteau, Antwerpen

Zie ook Beschouwingen