Zwelgen in sentiment

KLEURENSPECTRA

 

Verbeter Je Taal Nog Meer – 34

 

Als je goed om je heen kijkt
Zie je dat alles een kleur heeft

K. SCHIPPERS: DE ONTDEKKING

 

evoel heeft iedereen. De een misschien wat meer dan de ander, maar niemand is zónder.

Wie een lichaam heeft, heeft zintuigen en wie zintuigen heeft, heeft gevoel.

Zelfs Trump en Holleeder hebben gevoel.

Tegenwoordig heeft een mens aan gevoel alleen niet genoeg. Hij moet het showen.

Altijd.

Deze idiotie begon – alle emotionele remmen los – in de jaren zestig van de vorige eeuw toen met het boekje Ik ben O.K., jij bent O.K. een Amerikaanse gevoelstsunami over de vaderlandse dijken sloeg. De Zachte Sector werd – met dank aan de Volkskrant – een florerende bedrijfstak.

De psychiater Jan Foudraine vertelde me in die tijd – ik werkte toen als redacteur bij Ambo met hem aan een nieuw boek na zijn bestseller Wie is van hout –  hoezeer hij zijn patiënten had zien lijden onder de onmacht om over hun gevoel te praten.

Praten over gevoel werd mode.

Jan Blokker vond het in de Volkskrant een teken van infantilisering. De psycholoog Piet Vroon opperde – in dezelfde krant – dat er bij zoveel gevoel nog maar weinig ruimte voor het verstand overbleef. Of tenminste voor verstandige taal. Praten werd ‘naar de ander toe je gevoel communiceren’. Honderden agogen sponnen er garen bij.

Het begin van de waanzin.

Vroon legde uit dat je ratio en gevoel kon ónderscheiden, en dat vooral ook moest doen, maar scheiden kon je ze niet. Ze waren onverbrekelijk met elkaar verbonden. Als een echtpaar in een goed – of slecht – huwelijk.

Emoties en hersenen maakten – rationeel gesproken – deel uit van hetzelfde continuüm waarin het één zo nauw met het ander verbonden is dat de verschillen nauwelijks in het oog springen. Van himmelhoch jauchzend tot zum Tode betrübt, dat valt ons nog wel op, ja, dat kun je meestal zien, maar de verschuivingen van bang naar bedroefd en diep in de put zijn meestal te subtiel om te worden waargenomen en de vragen die je jezelf daarover stelt zijn verwarrend.

Kleurenleer

Vergelijk het met kleur. Ook kleur is een continuüm. De zogenoemde primaire kleuren kunnen zelfs kinderen al van elkaar onderscheiden. Ze zien rood, geel en blauw, maar de onvoorstelbaar vele nuances van de kleuren die zichtbaar én denkbaar zijn – vraag het maar aan een schilder – laten zich lastiger benoemen. Van de opart – het werk van Victor Vasarely bijvoorbeeld – leerde de museumbezoeker hoe verrassend kleuren elkaar optisch beïnvloeden. Het hele palet toont ons de kleurencirkel.

Kleurencirkels werden in de achttiende eeuw een intrigerend vraagstuk nadat Isaac Newton in 1665 bij toeval had ontdekt dat wit licht door een prisma in een (verrassing, verrassing) regenboog veranderde. Geleerden van allerlei slag verdiepten zich in het fenomeen. Een van hen – en misschien wel de beroemdste – was de Duitse schrijver Johann Wolfgang von Goethe die in 1810 zijn wetenschappelijke studie over kleur publiceerde,  Zum Farbenlehre. Het is veelzeggend dat hij op dit  werk trotser was dan op zijn gedichten of toneelstukken.

Meer van onze tijd is Johannes Itten, een kunstenaar uit de school van Bauhaus wiens Kleurenleer ook vandaag de dag nog in opleidingen en door kunstenaars  wordt gebruikt.

Grafisch ontwerpers werken tegenwoordig allemaal met de meest recente, digitale varianten van de kleurencirkel  – Pixelmator bijvoorbeeld – waarmee ze elke gewenste kleur kunnen aanmaken.

Ida Gerhardt

Van gevoel naar kunst – het is niet een heel grote stap, want waar anders dan in de kunst vinden we zo’n uitgebreid scala aan gevoel. Onbekend gevoel vaak. Je hoeft er maar een gedicht voor te lezen – van Ida Gerhardt bijvoorbeeld, of van Gerrit Kouwenaar, of van welke gecanoniseerde poëet dan ook – om dit aan den lijve te ervaren.

Zulke verzen kunnen je het gevoel geven iets dergelijks niet eerder zo te hebben ondervonden. Meestal trekt zo’n emotie ándere gevoelens los die als Doornroosje lang hebben liggen sluimeren en nu wakker zijn gekust. Een sensatie die menigeen ertoe kan brengen zélf ook eens een gedicht te schrijven. 

Ook gevoel is een continuüm, maar ik weet niet of er al een gevoelscirkel bestaat. Gevoel is nog minder grijpbaar dan kleur. Gevoel valt, wetenschappelijk gezien, nauwelijks te beschrijven en dientengevolge tobben we, gevoelsmatig gesproken, maar voort.

We hebben geen algemeen gedeelde uitdrukkingen – of beelden of klanken – voor de vele wisselende stemmingen die ons gedrag en ons denken de godganse dag door máken en breken.

Zelfs ’s nachts laten ze je niet met rust, zoals iedereen weet die voor de dokter weleens 24 uur lang een kastje heeft moeten dragen waarmee onafgebroken de bloeddruk wordt gemeten. Dromen en nachtmerries laten medisch gezien duidelijk hun sporen na.

We leren ermee leven, we moeten wel, maar in elk geval weten we dat gevoel als oneliner, soundbite, tweet, youtube-filmpje of een liedje van de Toppers zijn geheimen niet volledig prijs zal geven.

Daar is meer voor nodig.

Maar wát? Lessen in gevoel? Kunst? Studie? Lezen?

In beter opgeleide en goed gesitueerde kringen hoor je vaak geluiden in die richting, maar de praktijk is dat we nauwelijks werk maken van zulke gezonde activiteiten. In het basisonderwijs is de muzische vorming op een laag pitje gezet of verdwenen. Kunst is een uitje naar een museum geworden waar je doorheen slentert met je smartphone in de hand en de instructies van een kunsthistorische schriftgeleerde op je kop. Opleidingen zijn verdund tot de kortste weg naar een diploma en lezen is, gezien de verkoop van vlot geschreven misdaadverhalen, een vrijblijvend tijdverdrijf geworden.

Ongetwijfeld wordt ook bij zulke activiteiten gevoel aangesproken, maar welk? Verveling?

Boer zoekt vrouw

De vraag stellen is een mooie opmaat naar een neurose. Over gevoel kun je maar beter niet nadenken. Je kunt er heel draaierig van worden. De meeste mensen houden  het om die reden simpel – gelet op de kijkcijfers van Boer zoekt vrouw, de verkoop van bestsellers of het bezoek aan de blockbusters in het museum.

Het komt tegenwoordig nog maar weinig voor dat gevoel een ruimer speelterrein krijgt bemeten dan de media ons toestaan met hun gebruikelijke gebrabbel, geneuzel en gekwijl dat in populaire tv-programma’s de toon zet. Je hoort het zelfs op Radio 4 als  zo’n Mieke van der Weij daar zichzelf als melige muziekkenner presenteert.

Maar het is nog niet helemaal om zeep gebracht. Soms lukt het, schaarse gevallen waarin gevoel vorm heeft gekregen, schepping is geworden, met inzet van ’s mensen fysieke en verstandelijke vermogens is gemáákt als een wonderschone kast door een schrijnwerker.

Dat kan van alles zijn, een reisprogramma, een nieuwsprogramma, Zomergasten, Arjen Lubach, een thriller, álles, op voorwaarde dat de vórm overtuigt.

Dank zij de vorm krijgt gevoel inhoud en betekenis. Dan héb je er wat aan. Of zoals Harry Mulisch het verwoordde: de wijn is drinkbaar dankzij het glas. 

Elke vergelijking gaat mank, maar niemand kan ontkennen dat gevoel om zo’n vorm vraagt als je het met anderen wilt delen. In het persoonlijke vlak heeft iedereen natuurlijk tot op zekere hoogte de allergrootste vrijheid om maar wat voor zich uit te brabbelen, maar als je je tot onbekenden richt – zoals de media in principe doen – dan zal er grondig nagedacht moet worden over de vraag hoe je de mensen buiten je eigen kleine kring bereikt. Gebeurt dat met liefde, lef en smaak, dan krijgt gevoel de kans zijn kleurenrijkdom volledig te ontplooien. Het wórdt iets, dat gevoel. Het is voor jou niet langer iets waarmee een ander je lastig valt. Het wordt van jóu, het wordt jóuw gevoel, het wordt zozeer jóuw gevoel dat je er eisen aan gaat stellen omdat je begint in te zien van welk wezenlijk belang gevoel voor jou is. Je wordt je je gevoel bewust. Je wordt kritisch – omdat je inziet dat je pas geraakt, gegrepen, geboeid of verrijkt wordt als degenen die hun gevoel op je overdragen hun uiterste best hebben gedaan om er iets van te maken dat beklijft.

Wie deze waarheid ten volle tot zich laat doordringen – en een waarheid ís het, zeg ik er maar ten overvloede bij – zal er veel voor over hebben om meer inzicht in zijn gevoelswereld te krijgen.

Echternach-processie

Meer inzicht is een voorwaarde om volwassen te worden, emotioneel volwassen. Iedereen wordt min of meer vanzelfsprekend fysiek volwassen, maar lang niet iedereen bereikt de staat van geestelijke volwassenheid. Beide ontwikkelingen verlopen min of meer gescheiden van elkaar. Lichamelijk is een mens rond zijn achttiende volwassen, geestelijk kan hij tot op hoge leeftijd onvolgroeid blijven, wat betekent dat hij nog altijd niet inziet hoezeer de kracht en de schoonheid van het gevoelscontinuüm dat hij is hem tot een uniek, creatief en verantwoordelijk wezen maken, iemand die in staat is zichzelf te relativeren en anderen in zijn intimiteit toe te laten.

Emotioneel volwassenen zijn empathisch, hebben oog voor anderen – ook voor vréémden – en weten dat ze samen mét die anderen ‘de’ samenleving zijn, die voor veel mensen een abstractie is, zolang ze niet doorhebben dat die samenleving een overkoepeling is van kringen als familie, buurt, stad en natie waar ze bewust toe behoren en ook toe willen behoren.

Deelname aan de samenleving verloopt niet zonder slag of stoot. Voor adolescenten is het vaak een d’r op of d’r onder, drie stappen vooruit, twee stappen terug, maar die Echternach-processie komt hun emotionele volwassenheid ten goede. Alle klappen die een mens in die fase van zijn leven oploopt vragen om een herijking van het gevoel en dwingen tot zelfkritiek en zelfinzicht.

Gevoelsaangelegenheden kunnen, evenmin als wetenschap en kunst, buiten kritiek. Ze zijn niet vanzelfsprekend. Ze moeten op de vlottende werkelijkheid veroverd worden. Kritiek kan hun ware aard bloot leggen. Onder een kritische blik kunnen academische rationalisaties, verhullende praatjes door de overheid, te uitbundig geloofde kunsthotemetoten, de adoratie van nog meer bekende Nederlanders of het schaamteloos geëtaleerde gevoel op Facebook in de juiste proporties worden gezien. Het kan je weerbaar maken,  opgewassen tegen de chaos als Che Guevara met zijn machete in het Braziliaanse regenwoud.

Gigagigagiga

Er zijn medemensen die dit peil nooit halen.  Zelfs op hoge leeftijd – als hun lijf het verval al lang niet meer kan loochenen –  zijn deze staatsburgers nog steeds niet emotioneel volwassen. Doelgericht hebben ze hun leven lang hun kop in het zand gestoken. Niet gepraat, niet gevoeld en emotioneel niet gegroeid. Ze zijn blijven hangen in het stadium dat aan de volwassenheid voorafgaat, de jaren van puberteit en adolescentie die door een zekere naIviteit en zelfs primitiviteit gekenmerkt worden.

Een teveel aan gevoel in deze tijd komt naar mijn mening het volwassen worden niet ten goede. Het bewerkstelligt eerder het tegendeel. Kinderen worden steeds langer gepamperd, eerst thuis, dan in het hoger onderwijs.

Het is een zegen dat kinderen zich zo lang en beschut mogen ontplooien, maar we moeten de ogen niet sluiten voor minder gelukkig effecten. De eigentijdse gevoelsuitstortingen thuis, op school, in je directe omgeving, maar vooral in de media doen meestal nogal overdreven aan. Het taalgebruik eert de overtreffende trap: super, mega, giga, ik hoorde een moeder laatst zelfs gigagiga tegen haar dochter zeggen. Ze was gigagiga trots. Iedereen lijkt wel acteur te moeten zijn. Of je iets te zeggen hebt, doet er niet toe. Of je kunt acteren evenmin.  Toneel tussen de schuifdeuren. Iedereen doet het. Iedereen kan het.

Goeie acteurs overdrijven niet. Die zijn heel, heel zuinig op hun gevoel omdat ze weten hoe kostbaar het is. Ze weten dat ze – voor de spiegel met hun gevoel – meedogenloos eerlijk moeten zijn. Het helpt natuurlijk ook dat ze niet hun eigen taal spreken, maar teksten van soms buitengewoon begaafde auteurs ten gehore brengen.

Facebook

In deze tijd zie je om je heen, maar vooral in de media – en uittentreure op Facebook – zoveel demonstraties  van slecht gelukte, hypocriete, zalvende gevoelsuitingen dat je vreest voor onze geestelijke volksgezondheid. 

Het wordt niet minder. Het breidt zich uit. In Amerika heeft zulk gevoel nu zelfs al het hoogste maatschappelijke niveau bereikt. Naïviteit, primitiviteit en sentimentaliteit zijn er de norm geworden. Alles is uitdrukking van gevoel. Zelfs de manier waarop we geïnformeerd worden ontkomt er niet aan. Geen NOS-journaal, geen Pauw, geen Jinek of de emoties gulpen je huiskamer binnen. Zelfs de kranten doen eraan mee. Gevoel móet.

Wie niet meedoet, wacht een schervengericht. Deze huiveringwekkende, alomtegenwoordige, grootschalige uitbarsting van het sentiment is een vorm van chantage geworden.

Op zichzelf is er niets mis met sentiment want ook sentiment is gevoel en als zodanig met alle andere gevoel verbonden, maar sentiment onderscheidt zich door uitgesproken geborneerde, domme en zelfs wrede trekken.

Vergelijk het met een duur parfum waarin een vleugje urine is verwerkt. Te veel pis verpest het aroma. Het gaat om de juiste dosering. Sentiment riekt bijna altijd onaangenaam. Het stinkt. Trump, Poetin, Erdogan, Netanyahu, vooraanstaande internationale leiders, ademen het uit. Van hen irriteert ons dat des te meer omdat zij zouden kunnen weten dat dit sentiment al lang niet meer opgewassen is tegen de macht die – ook in hun land – wordt uitgeoefend door multinationals en de technologie, beide nogal gevoelloos, om niet te zeggen amoreel.

Explosief mengsel

Het is een explosief  mengsel, dit sentiment. We kunnen er niet met een schouderophalen aan voorbijgaan. Maar wat dan?

We kunnen ermee beginnen het te begrijpen. Hoe kan deze weeë liefde voor jezelf, je familie en je eigen volk zozeer kille berekening en zelfs pure misdadigheid zijn?

Emotionele onvolwassenheid is het antwoord. Het helpt als je ernstige gevallen uit het verleden bestudeert. Reinhardt Heydrich bijvoorbeeld. Hij was de man van Hitlers Endlösung wiens taak het was de Joden uit te roeien. Hij was geknipt voor dat werk. Elke dag wist hij de productie van de gasovens verder op te voeren. Een industriële  topprestatie, deze mensenvernietiging zonder weerga.

Heydrich kwam uit een heel muzikaal gezin en speelde al jong goed viool. Verteld wordt dat hij na gedane zaken graag naar Brahms luisterde en dan tot tranen toe geroerd was.

Voor mij is lang de vraag geweest, een heel pijnlijke vraag, waarom ’s mans muzikale belangstelling zijn meedogenloze wreedheid niet temperde of – nóg navranter – misschien wel aanwakkerde. 

Toen ik zijn biografie las, begon ik te begrijpen hoe zijn gevoelsleven in het sentiment was blijven steken.

Sporen van het heilige

Sentimentaliteit is sindsdien niet van kleur veranderd – laten we haar ‘zwart’ noemen.

Daarnaast kennen we – in hetzelfde continuüm – het volwassen gevoel dat zich minder makkelijk in één woord laat vangen. Het is niet het hogere, niet het verhevene, niet de Heere Heere, niet God. Het is alle gevoel tegelijk, maar in een verdichte vorm.

Ik verbind het met het sublieme, het idee dat gevoel van het ene uiterste van het continuüm het andere uiterste bereikt en op dat punt iets uitzonderlijks bewerkstelligt. Het is lichaamloos, maar niet zonder lichamelijkheid, het is ziel, geest, spiritualiteit, het is de ijle verrukking van het hooggebergte of de kosmos die je het hier en nu in al zijn aspecten schenkt. Is álles. Is liefde.

Heel af en toe is het je vergund dit stadium te bereiken. Een geschenk uit het multiversum. Het zijn ogenblikken die je nooit meer vergeet, ook al omdat ze aangelengd zijn met de gevoelens van alledag die hun kracht behouden en zich tegelijkertijd vernieuwen. Mij overkwam het voor het eerst toen ik de Mariavespers van Monteverdi hoorde. Ik had het óók na mijn bezoek in 2008 aan het Centre Pompidou in Parijs waar de indrukwekkende tentoonstelling Traces du sacré te zien was. Sporen van het heilige. Zo’n sensatie noem ik ‘licht’.

Licht.

Ik vrees dat dit licht in onze mediacultuur gevaar loopt te worden gedoofd. De kijkers willen het niet zeggen de managers. De kijkersaantallen bewijzen het.

Jinek en Wilders z’n poesjes

Maar is dat zo? Willen de kijkers het niet?

Ik geloof er niets van. Media zijn zozeer afhankelijk van de commercie dat ze graag hun opdrachtgevers naar de mond praten. Wiens brood men eet… De adverteerders eisen kijkcijfers. Geen politicus in Nederland durft het aan ten minste de publieke omroep te verlossen van die almaar stompzinniger – en onbegrijpelijker – wordende reclame.    

Je kunt evengoed beweren dat de kijkers ernaar húnkeren als ze eenmaal zo’n ervaring hebben mogen genieten. 

Ik denk dan ook dat niet de kijkers het probleem zijn, maar de mediabazen – of bazinnen – zelf die zwelgen in sentiment.

Van deze leiders – en de politici die van hun ongein profiteren, zoals Geert Wilders met z’n schattige poesjes bij Jinek – hebben we de komende jaren niets meer te verwachten.

Je kunt het vergelijken met voedsel. Als het daar tegenwoordig over gaat, valt algauw het woord fastfood. Of junkfood. Ik vind dat een pizza of hamburger of een zakje patat op z’n tijd moet kunnen, maar iedereen weet dat een teveel van dit voer je gezondheid en je smaak aantast.

Met gevoel is het niet anders. Sentiment moet kunnen, ik schaam me er niet voor, maar zovéél en nooit meer iets anders?

Alleen ongezouten kritiek helpt.

Wet de messen van de taal.

Het is erop of eronder.

LEES VERDER

WKtS
18 JULI 2017
EEN EERSTE VERSIE VAN DIT STUK STOND IN DE VOLKSKNAR

ZIE OOK DIT STUKJE