Elke Boef Zijn Eigen Bewaker

Op de radio hoorde ik dat er in Nederland meer bewakers zijn dan gevangenen. Voor elke boef tenminste één cipier. Of twee.

Absurd?

Nee, gewoon in een land waar het ambtenarenleger onstuitbaar groeit.

Het bericht deed me denken aan de tijd dat in Nederland de dienstplicht werd afgeschaft. Het getal der soldaten nam toen schielijk af. Het drastisch ingeperkte voetvolk bestond voortaan uit beroepssoldaten die zich misschien door de rare marlborough-filmpjes van de legervoorlichtingsdienst hadden laten verleiden. Of geen idee hadden wat ze anders moesten doen.

Ik schrijf soldaten – wat het ook zijn – maar Nederlandse kranten hebben het woord ‘troepen’ gangbaar gemaakt, dat een letterlijke vertaling is van het Amerikaanse troops.

‘Troepen’ – voor degenen die nooit in dienst zijn geweest, zoals onze ministers van Defensie – is iets anders dan troops. Dit Engelse woord letterlijk met ‘troepen’ vertalen, is misleidend, omdat in Engeland en Amerika het woord  ‘troops’  niet alleen verwijst naar een (grote) verzameling officieren, onderofficieren en manschappen, maar ook naar afzonderlijke soldaten. Amerikanen en Engelsen kunnen zeggen dat two troops zijn omgekomen. In het Nederlands kan dat niet, al doen de kranten en andere nieuwsmedia dat wel. Als er in Afghanistan ‘twee troepen’ zijn omgekomen wordt bedoeld dat er, helaas, helaas, twee mannen of vrouwen wier naam en achtergrond we kennen, door de vijand zijn gedood. Of er daarna troepen komen om hen te wreken, is maar de vraag.

Dienstplicht

Na het afschaffen van de dienstplicht nam het aantal soldaten af, maar het beroepskader bleef. Officieren en onderofficieren hadden niet veel meer om handen, maar behielden het recht om periodiek in rang te worden verhoogd. Dan mag je er een ster of een streep op je uniform bij naaien. Ook als het geen oorlog is.

Een onderofficier begint als korporaal, wordt dan korporaal der eerste klasse, sergeant (of wachtmeester), sergeant (of wachtmeester) der eerste klasse, sergeant-majoor (of opperwachtmeester) en ten slotte adjudant, op een enkeling na die kort voor zijn pensioen nog tweede luitenant mag worden. Officier.

Officieren beginnen als vaandrig, of als kornet bij de artillerie en de cavalerie, de zogeheten ‘bereden wapenen’, worden dan tweede luitenant, eerste luitenant, kapitein – of ritmeester bij de cavalerie – majoor, luitenant-kolonel (‘overste’) en kolonel waarna sommigen nog doorstoten naar de rangen der generaals.

Er kwamen na het afschaffen van de dienstplicht zoveel ‘hogeren’ dat op zeker moment elke soldaat omringd was door een heel gezelschap leidinggevenden, officieren en onderofficieren. Voor elke soldaat een paar meerderen. Het was de piramide op z’n kop. In geen leger ter wereld hadden superieuren zo weinig ondergeschikten als in Nederland.

Elke keer als er terecht weer mensen uit moeten, zeuren bonden en politici dat de krijgsmacht wordt uitgekleed, maar het leger is al helemaal uitgekleed, sterker: een groot leger is helemaal niet meer nodig. Een paar vliegtuigen, wat boten, een handvol drones, nu en dan een hoffelijk woord voor de vijand en een stel ict’ers dat barst van het vernuft – maar zie die eens te krijgen! – is ruim voldoende om ons eventuele booswichten van het lijf te houden.

Het doden van aanvallers is volstrekt afhankelijk geworden van de computer, een spel. Alleen in burgeroorlogen en plaatselijke gevechten wordt de moordlust nog op ouderwetse wijze bloedig botgevierd – dank zij de wapenhandel en die paar overgebleven verblinde leiders die menen dat gezag gelijk staat aan geweld.

Banken

Er zijn meer terreinen des levens waar – om in stijl te blijven – de ambtenaren in troepen oprukken. Ik noem de genationaliseerde banken. Allemaal ambtenaren. Gerrit Zalm voorop. Ik noem de vaderlandse kunstinstellingen. Allemaal ambtenaren (in de zin der wet)  en ik noem de wereld van de politiek waar het in allerlei gremia wemelt van de ambtenaren die hun beroep hebben verwisseld voor dat van politicus.

Het is een opmerkelijk verschijnsel, met grote gevolgen voor het soort samenleving dat we willen. Willen we zo’n bureaucratie?

Men heeft zich weleens afgevraagd waar al die ambtenaren onder onze democratisch gekozenen toch vandaan komen? Het bleek dat vooral hogeropgeleiden die een zogenoemde ‘pretstudie’ hadden gevolgd – of voor wie van een serieus vak, Nederlands, filosofie, een ‘pretstudie’ was gemaakt – deze weg kozen. Twee linkerhanden, altijd schoon…

Er is een rechtstreekse samenhang tussen het soort rationaliteit dat een academische opleiding in de sociale wetenschappen kenmerkt en de groei van de ambtenarij. Het is een Amerikaanse academische rationaliteit. Pretstudies lijken commercieel als ze zijn rechtstreeks op de suburbs afgestemd te zijn. Het is een rationaliteit van de kortste weg tussen twee punten, van schaalvergroting, efficiency en ‘nut’, van regels, voorschriften en protocollen, van ‘besturen op afstand’, van supermarkt en snelweg, van camerabewaking in alle straten – allemaal bedoeld voor bestuurders om zelf in het zadel te kunnen blijven zitten. Voet op de rem. Controle.

Niettemin loopt het voortdurend uit de hand.

Het verbaast ons, niet-ambtenaren, geenszins, want elke inhoud, alle bezieling, elke vorm van idealisme, elk idee van wat een samenleving kan en moet zijn, elk historisch besef, elk inzicht in de magistrale West-Europese culturele tradities, heel het vlechtwerk van kathedralen, koorzang, ketterij, religie, reformatie, filosofie, denken, moraal en waarden zoals die waarnaar PIrsig in Zen and  the Art of Motorcycle Maintenance op zoek ging, is in de slecht begrepen rationale training aan universiteiten en hogere beroepsopleidingen met het badwater weggegooid.

Uitzaaiingen

Deze rationaliteit is het tegenovergestelde van de rationaliteit die we nodig hebben. Een rationaliteit die ruimte biedt aan creativiteit, verbeeldingskracht en ‘doen’. Een rationaliteit die individuen ertoe brengt buiten de plat getreden paden te gaan en met zowel hersens als gevoel inventieve oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken op de lange termijn te realiseren.

Weg met die rem. Weg met onze in negentiende-eeuwse ideologieën verstrikte politieke partijen.

Oók weg met die achterlijke bureaucratie? Nee, een overheid als de onze kan niet zonder. We hebben ambtenaren nodig. Maar het hoeven er niet zoveel te zijn.

Het is de taak van de door ons gekozenen om uitzaaiingen van de bureaucratie te voorkomen, maar zij zien het probleem niet. Zij zijn immers zélf ambtenaar geweest.

Zo krijgen we steeds meer gevangenbewaarders, officieel en zéér bureaucratisch herdoopt in ‘penitentiaire inrichtingswerkers’, oftewel ‘piw’ers’.

Ik heb elders op deze site al laten zien hoe de ambtenarij ook de kunst naast.
Het verhaal is nog lang niet af.
11 april 2014