Aan De Wieg Van De Zachte Sector

Over Herman Pijfers (1923-2012), uitgever Amboboeken

 

Ik geef geen boeken uit maar schrijvers.
H.PIJFERS

ERMAN PIJFERS werd op 8 mei 1923 in Rotterdam geboren. Hij overleed, 89 jaar oud, op 30 december 2012 in Houten. Wie dit relatief lange leven in een paar woorden zou willen samenvatten, vindt er  onmiddellijk twee: rooms en boeken.

Herman Pijfers was een groot deel van zijn arbeidzame leven een rooms-katholieke uitgever, maar dat wil niet zeggen dat hij uitsluitend roomse boeken publiceerde en in hoeverre hij zelf katholiek was – daarover liet hij zich niet uit.

Hij groeide op in een gezin met zeven kinderen. Men had het niet breed thuis. Zijn vader was bewaker bij de Nederlandse Spoorwegen. Als katholieke jongens in die tijd konden leren mochten ze naar het kleinseminarie, een voorbereidende priesteropleiding die geacht werd het niveau van een gewoon gymnasium te hebben. Ook Herman Pijfers ging die weg. Na een jaar op de mulo vond men hem oud genoeg om van Rotterdam naar Heemstede te verhuizen, naar het kleinseminarie Hageveld.

Hageveld was een bekend en groot internaat, met een goede reputatie. Aanvankelijk had Herman Pijfers het daar erg naar zijn zin – hij kon lezen wat hij wou – maar allengs begonnen de al te roomse zeden en gewoonten en het gebrek aan privacy hem te benauwen.

Hij wilde weg maar stelde zijn vertrek telkens weer uit omdat hij vreesde dat zijn ouders een gewoon gymnasium niet konden betalen. Nadat er met veel kunst- en vliegwerk een klein budget voor de jonge Pijfers bij onder meer ooms en tantes bijeen was gesprokkeld, stapte hij over naar het rooms-katholieke gymnasium in Rotterdam, waar hij in 1941 met hoge cijfers eindexamen gymnasium alfa deed.

Het liefst zou hij daarna zijn gaan studeren. Hij had zich in Leiden al op de hoogte gesteld. Het kwam er niet van. Er was geen geld. Er zat niets anders op dan te gaan werken, wat in de oorlog nog niet zo gemakkelijk was. Toch vond Pijfers steeds iets te doen. Hij was graag in de Rotterdamse boekhandel Hanou, waar hij met de zoon van de eigenaar, Jan Hanou, plannen smeedde voor een eigen uitgeverij. Tegen het eind van de oorlog werd hem een baan op de administratie van een scheepswerf in de schoot geworpen, waardoor hij veilig was voor de beruchte Arbeitseinsatz die Nederlanders dwong in Duitsland te gaan werken.

Na de Bevrijding kwam hij in contact met Cor Hesseling, de directeur van de uitgeverij De Toorts in Heemstede. Hesseling had volgens Herman Pijfers in de oorlog op een of andere manier veel geld verdiend. Daardoor was de uitgeverij niet langer zijn eerste zorg. Hij liet het  bedrijf dan ook met een gerust hart aan Herman Pijfers over, die – 26 jaar oud – zelfs het verzoek kreeg er directeur te worden. Pijfers ging er niet op in omdat Hesseling (‘meneer Cor’) zijns inziens meer met geld dan met boeken bezig was.

Bisschop Bekkers

In 1950 kreeg hij een aanstelling als redacteur bij het weekblad Katholieke Illustratie, het vlaggenschip van de uitgeverij De Spaarnestad in Haarlem. 

De Katholieke Illustratie was in de jaren vijftig een braaf blad voor het hele gezin. De richtlijnen van de clerus bepaalden de koers. Maar toen de gedweeë hoofdredacteur C. Lautenslager halverwege de jaren vijftig ziek werd – mede als gevolg van heftige redactionele twisten – namen Herman Pijfers, de jongste van de zeven redacteuren, en zijn collega mr. C. van Emmerik het roer over. Enthousiast grepen de twee redacteuren de kans aan om het blad grondig te vernieuwen, wat men in behoudende katholieke kring met argwaan bezag.

Maar vernieuwing hing in de lucht. De rooms-katholieke zuil had voor de oorlog al forse kritiek van binnenuit te verduren gehad, in het geruchtmakende tijdschrift De Gemeenschap bijvoorbeeld, maar eind jaren vijftig, begin jaren zestig liet de roomse veranderingsgezindheid zich niet meer onder de muffe roomse mantel der liefde smoren, zoals zou blijken uit de hausse aan publiciteit over zowel het Concilie van Rome als het Pastoraal Concilie van Noordwijkerhout, toen Pijfers een band kreeg met de progressieve bisschop Bekkers. 

Na de terugkeer van Lautenslager was het uit met de vooruitstrevende plannen van Pijfers en Van Emmerik. Beiden kozen eieren voor hun geld en vertrokken. Herman Pijfers vertelde me later hoeveel pijn hem dat had gedaan. Hij had de droom van een Nederlandse Paris Match – met fotografie van het hoogste niveau en verhalen van de allerbeste verslaggevers, die graag van bijvoorbeeld het dagblad De Tijd naar dit weekblad waren overgestapt – niet kunnen waarmaken.

De Fontein

In 1959 haalde Jos (‘Sjef’) Ditters Herman Pijfers over om naar Utrecht te komen, naar de uitgeverij De Fontein, waar hij de zakelijke leiding had en Guus Bloemsma over de boeken ging. Pijfers voelde er veel voor, al was hij liever naar Het Spectrum gegaan, maar daar had men op dat moment niemand nodig. Pas later werd hem duidelijk dat Ditters en Bloemsma achter hem aan zaten omdat ze hadden gehoord dat drs. R.E.M. van de Brink, de baas van het machtige Elsevier, hem wilde strikken. Maar Herman Pijfers hield niet van concerns. Hij koos voor De Fontein.

De Fontein was in die jaren een bloeiende, rooms-katholieke onderneming. Er werd met tal van populaire streekromanachtige romans – en Don Camillo! – veel geld verdiend, maar daarmee wil geenszins gezegd zijn dat er niets ánders kon. Daarvoor was Guus Bloemsma volgens Herman Pijfers – die met hem bevriend was geraakt – een te goede uitgever.

Guus Bloemsma was de zoon van een vermaarde Utrechtse banketbakker (met de lekkerste taarten van Nederland). Hij had als boekhandelaar – 22 jaar oud – in 1935 samen met Piet Bogaard, óók een boekhandelaar, Het Spectrum opgericht, een uitgeverij die in de oorlogsjaren met medewerkers als Gabriël Smit en Albert Kuyle (Louis Kuitenbrouwer) zou doorwerken en met een auteur als Godfried Bomans toen de basis legde voor een grote bloei na de oorlog. Veelgelezen pocketreeksen als Aula en Prisma maakten het bedrijf in de jaren vijftig van de vorige eeuw tot een van de grootste uitgeverijen in Nederland. Guus Bloemsma was er in 1946 vertrokken. Hij was in dat jaar met De Fontein begonnen.

In de persoonlijke sfeer konden Herman Pijfers en Guus Bloemsma (en Sjef Ditters) het goed met elkaar vinden, maar zakelijk waren er verschillen van inzicht. Dat bleek nadat van Heinrich Böll het boek Billard um halb zehn was uitgekomen. Pijfers was meteen enthousiast. Hij zag een auteur van zijn generatie, een schrijver die het levensgevoel van zijn tijd onder woorden bracht. Met Böll – en later anderen, Günter Grass bijvoorbeeld – dienden zich auteurs aan die zich in zijn ogen afkeerden van de traditionele, vooroorlogse en verouderde (roomse) opvattingen en een realistischer kijk op mens en samenleving na de oorlog aan de dag legden.

Smulpaap

Guus Bloemsma zag de kwaliteiten van Böll ook wel, maar dacht anders over diens visie en streven dan Pijfers. Dit verschil in waardering zette hun nog prille samenwerking onder druk. Al na vier jaar, in 1963, leidde deze incompatibilité d’humeur – van enerzijds een levensgenieter en smulpaap als Guus Bloemsma en anderzijds een zeer gedisciplineerde en bijna sobere Herman PIjfers – tot een scheiding van taken. Herman Pijfers zou voortaan zijn eigen fonds bestieren, een reeks die hij Ambo noemde, naar het Latijnse woord ambo, waarvan hij pas later toevallig de oorspronkelijke betekenis ontdekte (een bijzonder soort preekstoel met twee opgangen). 

De beide uitgevers bleven samenwerken. De Amboboeken van Herman Pijfers bleven door De Fontein uitgegeven worden en werden zelfs door Guus Bloemsma bij de boekhandel aangeboden, maar het zal insiders toentertijd niet zijn ontgaan dat ze in alle opzichten van de boeken van De Fontein verschilden. Amboboeken waren er niet alleen ter verstrooiing, maar wilden een onderstroom in de actualiteit laten zien.

Nog in datzelfde jaar had Herman Pijfers zijn eerste bestseller, Uit Het Rijke Roomsche Leven, een documentatie van de Elsevier-journalist – en dichter – Michel van der Plas die Herman Pijfers toevallig in Amsterdam tegen het lijf was gelopen. Ze hadden wat gekletst, Herman Pijfers, zoals gebruikelijk, over van alles en nog wat – hij roddelde graag en met plezier – maar vooral over boeken, of eigenlijk over ideeën voor boeken waarvan hij overliep. Ze waren het er vrij snel over eens geworden dat het nu de tijd was om het verdwijnende roomse leven vast te leggen. Het zou de succesformule van Pijfers blijven. Hij had het boek bij wijze van spreken al in zijn hoofd en hoefde er nog slechts een auteur bij te zoeken…

Plannenmaker

Met Uit Het Rijkse Roomsche Leven – herdruk op herdruk – werd een stevig fundament gelegd voor wat een jaar later de uitgeverij Ambo zou worden. Bloemsma en Ditters vonden zo’n verzelfstandiging voor hen alle drie de beste oplossing. Ze kwam op 28 december 1964 tot stand toen Pijfers, Bloemsma en Ditters zich welgemoed bij een Utrechtse notaris vervoegden om met een beginkapitaal van zestigduizend gulden de bv Ambo van de grond te tillen. Twaalfduizend gulden was geplaatst. De drie mannen namen daarvan elk vierduizend gulden voor hun rekening, de bijdrage van Pijfers werd door De Fontein voorgeschoten. Hij had geen cent.

In de jaren die volgden, de jaren zestig en zeventig, werd Ambo met een gestage aanwas van titels een van de meest spraakmakende uitgeverijen in Nederland. Vanzelfsprekend ging het niet alleen maar ononderbroken opwaarts, daarvoor is uitgeven een te conjunctuurgevoelige  business, maar het bleef de jonge onderneming voor de wind gaan, niet alleen omdat Pijfers een intuïtie had voor goede en goed verkoopbare boeken, maar ook omdat hij als nuchtere Rotterdammer steeds de blik vooruit gericht hield en mede daardoor, denk ik, de concurrentie ver achter zich liet.

Die instelling was me vertrouwd. Ik hield ervan. Mijn eigen vader was, hoewel nagenoeg ongeschoold, zo’n soort ondernemer geweest en toen ik in 1975 wegging bij de Rijksuniversiteit Utrecht – waar ik een weekblad voor studenten en medewerkers had opgezet – en naar nieuw werk uitkeek, voelde ik me vrijwel onmiddellijk op mijn gemak bij de geestdriftige plannenmaker die Herman Pijfers was. Hij had een extra man nodig, zei hij, en wilde mij omdat hij in mij – door alle publiciteit waarmee mijn afscheid van Academia vergezeld was gegaan – de ‘rebel’ had gezien die hijzelf ook was geweest.

Rebel

Ik herinner me dat ik van die bekentenis even moest bijkomen, want los van het feit dat ik mezelf onmogelijk als een ‘rebel’ kon zien, associeerde ik de keurige Bilthovense meneer tegenover mij niet met flamboyante figuren als Che Guevarra of Fidel Castro. Ik zag een bedeesde, bijna saaie man voor me. Pas vele jaren later, toen ik Herman Pijfers beter had leren kennen – wat nog niet zo eenvoudig was – begreep ik wat hij met het woord ‘rebel’ had willen zeggen. Hij zag in mij (en in zichzelf) geen onruststoker – die er in de jaren zestig vele waren – maar een gedreven vakman die zich door niets en niemand van de wijs liet brengen, een perfectionist, voor wie alleen het werk telde en niets dan het werk, bijna alsof het doel de middelen heiligde.

Ik begreep ook toen pas – nadat ik nog tijdens ons eerste gesprek was aangenomen – dat Herman mij óók wilde hebben omdat hij mij kende, of liever gezegd niet mij persoonlijk maar mijn schoonfamilie waarvan de pater familias Henk Kuitenbrouwer samen met zijn broer Louis (Albert Kuyle) en de dichter Jan Engelman in de jaren twintig van de vorige eeuw het tijdschrift De Gemeenschap had opgericht.

Hij kende, zo bleek alras, heel die literaire of journalistieke wijwaterwereld van haver tot gort, alle figuren en figuranten die met dit roomse netwerk vervlochten waren en bleven – zelfs toen in de jaren zestig het rooms-katholicisme begon te kwijnen, priesters – vooral Jezuïeten – uittraden en een vrouw huwden, en een katholieke arbeiderskrant als de Volkskrant almaar verder naar politiek-links opschoof, dat wil zeggen naar de PvdA en weg van de KVP.  Al die grote katholieke gezinnen brachten nog wel kinderen voort, hoewel niet zoveel meer, maar die waren niet langer katholiek.

Pijfers zag het, als uitgever, klinisch onder ogen. Het was gedaan met de roomse zuil – evenals met de andere zuilen, wist hij. Maar juist daarom rekende hij het zich tot zijn taak de geschiedenis en de cultuur van die zuil te  bewaren. Hij wilde dé katholieke uitgever van Nederland zijn. Dat was zijn streven. In de praktijk zocht hij vooral naar de veranderingen die zich, niet alleen in de roomse wereld, maar in de maatschappij als geheel, afspeelden. Hij wilde het verleden bewaren, maar nóg liever wilde hij weten wat er stond te gebeuren.

Daarom had hij al vroeg door dat de kerk een groot deel van haar omvangrijke takenpakket zou moeten afstaan. Anderen, beter geschoold, wereldser en meer van deze tijd, zouden het overnemen. In plaats van de priesters zouden psychologen, filosofen, pedagogen, agogen en wat ook maar samen en in vereniging de zachte sector lag te verwekken, het volk van zijn kwellingen verlossen. Een nieuwe, aardse religie. Herman Pijfers had er, gepokt en gemazeld in het roomse pastorale denken als hij was, een neus voor.

Jan Foudraine

Met dat inzicht gewapend plukte hij – saevis tranquillus in undis – de ene bestseller na de andere uit de lucht. Men snakte, zo bleek, naar Ambo’s hulpverleningsboeken. Het hoogtepunt was, menigeen zal het zich herinneren, Wie is van hout… van Jan Foudraine, waardoor Ambo definitief op vaste bodem kwam te staan.

Oktober 1970 was Herman Pijfers door Loek van Vollenhoven, de directeur van de VNU, gebeld dat een buurman van hem een boek had geschreven waar hij niets mee kon aanvangen maar Pijfers misschien wel? Pijfers onderdrukte zelden zijn nieuwsgierigheid. Overal, in de gekste hoeken, konden manuscripten te vinden zijn die later goud waard bleken. Zelfs ‘een buurman’ kon er de schepper van zijn.

Hij maakte een afspraak met de betrokkene en zag pas op de deur van diens huis aan de Wilemsparkweg in Amsterdam dat het om een psychiater ging, J. Foudraine (foto). Van hem kreeg de uitgever een pak papier overhandigd dat hij mij later omschreef als ‘een pak van Sjaalman’, een ratjetoe van geschriften, dat hem onmiddellijk – Multatuli indachtig – intrigeerde.

De hele gang van zaken leek Herman Pijfers op het lijf geschreven, want een beetje een Droogstoppel, de man die dit ‘pak’ in de Max Havelaar openmaakt, was hij wel, al was dat de schijn die bedriegt. Achter zijn correcte boekhoudersuiterlijk ging een levendige geest schuil die het avontuur niet schuwde. Niet voor niets had hij, nog bij De Fontein – onder het pseudoniem A. van Aardenburg – een tiental succesvolle jeugdboeken afgescheiden – over Bas Banning – die menige oudere katholiek zich uit zijn roomse jeugd zal herinneren.

Pijfers zag al nadat hij pas een deel van het typoscript had doorgenomen dat Foudraine iets opzienbarends te vertellen had. Een andere psychiatrie. Het bleek niet meteen een schot in de roos, toen na weken, of misschien maanden, van hard werken, herschrijven en overleg, correcties en aanvullingen Wie is van hout… (zonder het oorspronkelijke vraagteken van de auteur) naar de boekwinkel ging. Er gebeurde aanvankelijk niets. Geen wonder, want geen krant of weekblad, zelfs de Volkskrant niet, had aandacht aan het boek besteed. Maar ineens schoot er een prop uit de verstopte leiding. De boeken waren niet meer aan te slepen. De verkoop was gigantisch. Wie is van hout… werd een fenomeen – en als zodanig weer wel aantrekkelijk voor de media.

Wie is van hout… werd, precies zoals Foudraine zelf al had voorspeld, een onverbiddelijke bestseller, een van de meest spectaculaire publicaties in die jaren. Gekken, gekte en psychiatrie waren plotseling ook in Nederland hoogst actueel. In en rond de Willem Arntszstichting in Den Dolder, op Nieuw Dennendal, brak een oorlog uit tussen het establishment en de langharige hulpverleners die opkwamen voor hun patiënten. Het hing in de lucht. De gekken moesten bevrijd. Niet langer mochten ze dol, dwaas of gestoord heten. Ons land, dat zo lang ‘normaal’ was geweest – doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg – schudde op zijn grondvesten. Het zaad van de anti-psychiatrie viel op vruchtbare bodem.

De Volkskrant

Ontstaan en groei van de zachte sector resulteerden voor Herman Pijfers in een hechte samenwerking met de Volkskrant, waar de redacteur ‘geestelijk leven’ drs. Ferd Rondagh de leidsman van cohorten academisch gevormde ‘gogen’ zou worden. Die samenwerking, waaraan tal van boeken zijn ontsproten, zoals De medicijnenstrip van Ivan Wolffers of de gebundelde columns van Piet Vroon, heeft Ambo geen windeieren gelegd. Herman Pijfers was met de toenmalige hoofdredacteur, Jan van der Pluijm, een door en door katholieke Brabander, bevriend. Ook met De Tijd (Kees Fens, Herman van Run, Ben Kroon, Arie Kuiper) en de KRO (Richard Schoonhoven) had hij goede contacten. Voor hem stond vast dat zonder deze publicitaire steun – waarbij volgens hem het mes aan twee kanten sneed – je de boekhandel, en dus je kopers maar moeilijk bereikte.

Pijfers overzag als geen ander het hele arsenaal aan vaardigheden waarover een uitgever dient te beschikken. Hij had uitgesproken denkbeelden over de manier waarop het boek als medium in onze uitdijende informatiestromen kon en moest functioneren. Wij hebben, nadat ik tot het bedrijf was toegetreden en we naar het doodsaaie Baarn waren verhuisd, veel gesproken over niet één, maar drie boekvormen die allemaal met de omloopsnelheid van het boek, de professionalisering van het vak en de verandering van het lezerspubliek te maken hadden. 

Naast het gebonden boek en de pocket, vond Pijfers, was er ruimte voor een soort maandelijks te verschijnen cahiers waarin bekende, vakkundige journalisten belangrijke actuele ontwikkelingen uitplozen en helder opschreven. Er waren, zo bleek, onderwerpen genoeg. Ook genoeg kundige auteurs. Het enige wat – toen – ontbrak, waren een boekhandel en een distributeur die niet prat gingen op hun achterlijkheid, maar durfden mee te denken. De bedoelde cahiers konden niet als ‘gewone’ boeken worden verspreid, maar evenmin als tijdschriften omdat de monopolist die in Nederland over het verspreiden van tijdschriften ging zo’n hybride vorm niet zag zitten maar wel een schaamteloos hoge korting bedong.

Wie, zoals ik, een aantal jaren in de uitgeverij heeft gewerkt en het reilen en zeilen van die bedrijfstak ook vandaag de dag nog zo goed mogelijk volgt, stuit zo vaak op zulke staaltjes van verkrampte behoudzucht dat hij het internet vanzelf als een godsgeschenk aanvaardt.

Huub Oosterhuis

Iemand die alle boeken zou kunnen lezen die tot 1985 onder de vleugels van Herman Pijfers als boden van een nieuwe tijd over Nederland zijn uitgevlogen, zou een goed beeld hebben van de turbulente geschiedenis die we vanaf de jaren zestig hebben doorgemaakt. Dat was ook wat hij wou, Herman Pijfers, onderdeel van de geschiedenis worden, meer dan van de literatuur. Hij was een man van wat in onze tijd ‘non-fictie’ is gaan heten, niet per se een man van de literatuur. In  die zin was de afspraak indertijd met Guus Bloemsma, dat de een zich tot fictie en de ander zich tot non-fictie zou bepalen, een goede geweest.

De poëzie was een uitzondering. Het werk van Huub Oosterhuis, dat ongelooflijk veel aftrek vond, én de bundels van Gabriël Smit tonen het aan. Ik wou méér, en schroom niet te bekennen dat ik het liefst uitsluitend literatuur had uitgegeven, al heb ik met Ambo-auteurs als Piet Vroon, Hans Achterhuis en Ton Lemaire constructief samengewerkt.

Hoewel ik de belangstelling van Pijfers voor poëzie kende – hij had in zijn jeugd vast zelf gedichten geschreven – verbaasde het me toch dat hij zonder omhaal ‘ja’ zei toen ik hem aarzelend het plan van een bijzondere poëzie-uitgave voorlegde. Sterker: hij zei niet alleen ‘ja’, maar opperde ook meteen de mogelijkheid om in die richting door te gaan. 

Het plan was om de Duineser Elegien van Rainer Maria Rilke in een tweetalige editie uit te geven. Nog voordat we tot de uitvoering waren overgegaan – met alle moeilijkheden van dien, ik herinner me de tijdrovende nauwkeurigheid die de excellente vormgever Fons van der Linden afdwong – was Pijfers mij al weer een paar stappen vooruit en kwam hij met het idee van een reeks tweetalige poëziebundels, die er óók is gekomen.

Hoezeer deze bijzondere uitgever zelfs voor zulke esoterische poëzie als die van Rilke een ruime plaats op de boekenmarkt in het verschiet zag, bleek tot mijn verrassing toen de prachtige uitgave van de Duineser Elegien na korte tijd al moest worden herdrukt.

Pijfers had, anders dan ik, onmiddellijk begrepen dat er in Nederland een publiek was voor zulk werk.

Schrijver

Pijfers reed geen auto. Hij was een man van de klok en verplaatste zich bij voorkeur per trein, dan kon hij lezen. Lezen was zijn lust en zijn leven. Hoe zakelijk hij ook mocht overkomen, wie hem van meer nabij en beter had leren kennen, zag een man die vertrouwd was met de raadselen van het gemoed, van het dichterlijke gemoed, het kinderlijke gemoed zelfs, het geloof en de geest. Hij aarzelde geen moment als hij uitingen van dit, in de praktijk van alledag diep verborgen gevoelsleven in een goed geschreven boek een plaats kon geven. Dan merkte je hoezeer in hem, de uitgever, de geslaagde zakenman én de pater familias een schrijver stak.

Die hield zich niet langer gedeisd toen het in 1985 gedaan was met alle uitgeversverplichtingen. Vanaf dat moment schreef Herman Pijfers het ene boek na het andere en ik denk dat hij zou zijn blijven schrijven als Parkinson geen roet in het eten had gegooid. Niet alleen het schrijven, ook het lezen werd hem door de ziekte onmogelijk gemaakt. Hij werd blind. Hij kon niets meer. Het was het einde van zijn rijk gezegende roomse leven.

Geschreven op 31 december 2012 door Willem Kuipers
Zie ook De Jaren Van De Uitgeverij.
En
In De Geest Van Erasmus.
En Arie Kuiper

Herman Pijfers: Alles heeft zijn tijd – Herinneringen van een uitgever. Lannoo.
Tijn Hottinga: De Katholieke Illustratie: De verkochte bruid – Honderd jaar tijdschriftgeschiedenis. Tirion.
Over bisschop Bekkers.
Over
Hageveld.
Over De Gemeenschap.

30 december 2012
herzien op 11 januari 2013.