Een Nobelprijs Waard…


ALICE MUNRO

Dagstukjes – 19

N MIJN kast met Engelse literatuur vond ik onder de M geen Alice Munro. Wel Les Murray en diens Collected Poems. Zegt het iemand nog iets? Was nog niet zo lang geleden ook heel erg in het nieuws.

Alle kranten schreven over Alice Munro en voor zover me daar vooral door toedoen van Manon Uphoff en Marjoleine de Vos iets van is bijgebleven, begreep ik dat de verhalen van deze Canadese schrijfster – ze schrijft alleen verhalen – heel erg de moeite waard zijn.

Waarom las ik dat dan niet eerder in de NRC, de Volkskrant en Het Parool? Omdat Alice Munro nog geen Nobelprijs had gekregen. Die heeft ze nu wel. Gelukkig maar, anders zou haar imposante oeuvre voor ons een gesloten boek zijn gebleven.

Gaan we nu en masse Alice Munro lezen? Ik ben bang van niet. Prijzen hadden in de tijd dat er nog literatuur bestond [1] weleens een effect op de langere termijn – iets wat ook de literatuur zelf beoogt: duur. Maar tegenwoordig gaat het allemaal het ene oor in en het andere uit. Wie kreeg vorig jaar ook alweer de prijs?

Ook zo’n Nobelprijs is een spelletje van de media geworden. Fake. Gebakken lucht. Wie kent die prijs eigenlijk toe? Een genie in de geest van de Zweedse heer Nobel, die tot geluk van zijn nazaten het buskruit uitvond en steenrijk werd – iemand die als enige weet wie De Allerbeste Schrijver (m/v) ter wereld is?

Nee, de prijs wordt toegekend door een gezelschapje mannen en vrouwen die wij niet kennen, maar van wie we weten dat ze zeggen dat ze een jaar lang heel veel boeken hebben gelezen om gezamenlijk die ene schrijver of schrijfster als de allerbeste ter wereld te kunnen bekronen.

Wie gelooft dat?

Niemand, maar de media doen weer eens alsof….

Het voordeel van dit archaïsche gedoe is, zou je kunnen zeggen, dat zelfs het meest vulgaire televisieprogramma het eventjes doet voorkomen dat de literatuur belangrijk is, belangrijk genoeg in elk geval om die prijs en haar winnaar te vermelden, want een schrijfster die zomaar een miljoen of daaromtrent in haar schoot geworpen krijgt, dat moet toch wel wat wezen…

Het nadeel is, weten we, dat die opportuun door de media gewekte gelegenheidsgeïnteresseerden aan alle oppervlakkige inlichtingen voldoende hebben om met een gerust geweten Munro en haar werk verder links te laten liggen…

Ik ben benieuwd wat ik over pakweg een jaar nog over Alice Munro in de media hoor…

LEES VERDER

WKtS
12 OKTOBER 2013

 

[1] Deze uitspraak deed bij een scherpzinnige lezer de vraag rijzen wannéér de literatuur dan opgehouden had te bestaan. Daarop is moeilijk een exact antwoord te geven. Een jaartal? Een datum?

Om te beginnen moeten we ervan uitgaan dat ‘de’ literatuur helemaal niet bestaat en dus ook niet kan ophouden te bestaan.

Wat ik ‘literatuur’ pleeg te noemen is een verzameling boeken met een kwaliteit die niet zozeer voortvloeit uit de beschrijving van de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid als wel gevormd wordt door een uitzonderlijke verbeeldingskracht waarmee het kennelijk mogelijk is ook niet zintuiglijk waarneembare zaken in het universum indringend onder woorden te brengen.

Als dát literatuur is, dan is haar reikwijdte onder invloed van de technologie in de loop van de twintigste eeuw sterk gekrompen, net als bijvoorbeeld het terrein van de schilderkunst, waar de schilder met fotograaf, filmer, video-maker et cetera te maken kreeg.

Maar de invloed van die technologie gaat verder.

Zij vormt óók onze perceptie. Wij zijn daardoor, in zekere zin, in de loop van de tijd almaar realistischer geworden (en tegelijkertijd almaar emotioneler en zelfs sentimenteler).

Dat valt je op als  je de literatuur in deze tijd probeert te begrijpen.

Wij zijn de ‘realiteit’ van de literatuur voorop gaan stellen en als voornaamste criterium in de waardering gaan gebruiken (‘het is echt gebeurd’), ten detrimente van de poëzie, de woordkunst, de stijl, en de verbeeldingskracht die atrofieert in de concurrentie met almaar meer audiovisuele middelen.

Daarom denk ik te kunnen zeggen dat het gedaan is met een literatuur die in de negentiende en een groot deel van de twintigste eeuw een dominante rol in het geestelijk leven speelde en door grote groepen mensen werd ondergaan als een belangrijk middel om te genieten, maar vooral ook om Dichtung und Wahrheit van elkaar te onderscheiden – de belangrijkste ‘functie’ van literatuur.

Wat onverlet laat dat ook in deze tijd nog tal van schrijvers op de ooit ingeslagen weg proberen voort te gaan.

Over onderwerpen als deze zou je een dikke roman kunnen schrijven.

Ik heb dat gedaan met Een Nieuw Alfabet.

WKtS
13 OKTOBER 2013