Een nieuw alfabet

… of De opdracht van de lettersnijder.
Een feuilleton.

1. Galeniet
2. Långbanshyttan
3. Doktor Faustus
4. God dobbelt niet
5. Uit het lood
6. In de grot

 

 


HIJ WAS TOCH EEN GOED VERSLAGGEVER…

 

1. GALENIET

 

1

 

Gejaagd daalde Werner de trap af. Het velletje kopijpapier fladderde in zijn hand. Halverwege hield hij in. Zát hij er nog, Helmut, tussen de zetters? Hij zát er nog, zwaar, uitbuikend, zijn kop verborgen achter een literfles melk. Een hand stak zwart af tegen het wit.

‘Helmut,’ riep Werner, ‘kan het nog, een laatste bericht?’

Helmut hief de fles alsof hij proostte. In drie, vier stappen was Werner bij hem en reikte hem het papier aan. Geroutineerd klemde de zetter het aan de standaard van zijn linotype en begon te tikken. Zijn worstachtige vingers wriemelden over de toetsen. Werner zag de regels in de galei vallen. Hij wachtte tot Helmut klaar was. Toen pakte hij het gloeiendhete blokje zetsel op en liep er mee naar het steen waar Ad en Arend op het punt stonden de voorpagina dicht te maken.

‘Jongens,’ riep hij, ‘een laatste bericht. Kan het nog?’

‘Jezus,’ mompelde Ad, zijn hoofd rond als een leren knikker, ‘daar heb je hem weer. Zeker wereldnieuws.’

‘Nee,’ zei Werner. ‘Alleen maar dat de burgemeester is afgetreden.’

‘Afgetreden?’ riep Ad, ‘godskolere, kom maar op. Kopje?’

Werner knikte, gebaarde naar Koppenkeessie die klein en gestofjast achter zijn ludlow stond en riep: ‘Burgemeester afgetreden, smal vet, 24 punts, één kolom.’

Tegen Ad zei hij: ‘Lukt het?’

Ad gaf geen sjoege, boog zich over de pagina, wipte een paar regels uit de eerste kolom en duwde het nieuwe zetsel in het gat. Koppenkeessie kwam met het kopje aan en legde het met een klap naast de vorm. Ad wurmde het in de overgebleven ruimte en gaf er een tik op met zijn hamer.

‘Zo goed?’ vroeg hij.

‘Heel goed,’ lachte Werner en las nog snel het zetsel dat Ad uit de pagina had gehaald. De laatste alinea van een tweekolommer over Eritrea. Dat kon wel lijden.

‘Mijn onuitsprekelijke dank moge jullie deel zijn, mannen,’ zei hij en wendde zich, heel wat rustiger nu, van de vettige opmaaktafel af. Toch weer inkt aan zijn mouwen. Ad, zag hij, gaf hem het kruisteken na. Losjes kuierde hij terug naar de redactie. Onaangedaan, heerser over zijn diep van binnen nasmeulende opwinding.

Bovenaan de trap, al in de marmeren hal waar de administratie en de abonnementenafdeling gehuisvest waren, nam hij op zijn gemak de tijd om naar de meisjes te kijken die daar achter glas met neergeslagen ogen zaten te tikken, zo kuis. Eén van hen zag hem, giechelde, hand voor haar mond.

Op de redactie was alleen de oude Vogelpoel nog over. Gedwee zat hij zijn kranten te knippen. Psalmgezang begeleidde het geluid van zijn schaar. Verlaten zag het eruit, doods, een sterfhuis met al die op hun rug gelegde schrijfmachines, wc-rollen, uitpuilende asbakken, verscheurde kranten, omgevallen koffiebekers, halflege glazen en patatbakjes waarin peuken waren uitgedrukt. Een spoor van vlekken op de vloer herinnerde aan de neusbloeding die een van de verslaggevers – druk te hoog? – afgelopen maandag had getroffen.

Huiselijk drama in kortschrift.

Hij stopte zijn agenda, pennen, kladblocs, kranten en knipsels in zijn oude schooltas, zei de oude Vogelpoel gedag – die bij wijze van afscheid zijn schaar in de lucht stak, maar zijn hymnen niet staakte – en spoedde zich naar hun stamcafé waar een kluitje collega’s al zat te wachten op de eerste kranten die ook vandaag weer stipt op tijd door Dot Poetskatoen zouden worden bezorgd.

De burgemeester afgetreden.

Hij was blij dat ze het nieuws op de valreep nog hadden kunnen meenemen. Morgen zou er ongetwijfeld meer volgen, maar het feit zelf, in twaalf tienpuntsregels vet gezet, hadden ze hun lezers vandaag toch maar mooi niet hoeven te onthouden.

Het was op het laatste moment nog razendsnel gegaan. Iemand, hij wist niet meer wie – er dromden plotseling drie, vier collega’s tegelijk om zijn bureau – had hem uitgelegd dat Roothaen van de Utrechtsche Courant onderzoek had gedaan naar het oorlogsverleden van de burgervader en had ontdekt dat de man ‘heel erg fout’ was geweest. ‘Onderzoek gedaan’ was er door hem heengegaan, ‘onderzoek gedaan’, rot toch op, aansteller, de man was domweg door de een of andere NSB’er verraden. Die corpsbal van de Utrechtsche Courant met zijn relaties in de hoogste kringen had er dankbaar gebruik van gemaakt en bijna de hele voorpagina vol mogen schrijven. Het ANP had een samenvatting op de telex gezet. Daardoor hadden ook zij het sensationele nieuws nog net – in hun laatste editie – wereldkundig kunnen maken.

Waarom? vroeg hij zich af. Waarom nu? Ze leefden zeventien jaar na de oorlog. Zeventien jaar! Waarom moesten er nog steeds slachtoffers vallen? Wat had die Roothaen voor ogen gestaan? Een primeur, ja, dat snapte hij ook wel, een primeur van jewelste zelfs. Wie wou zulk nieuws niet? Hij zou ook de kriebels hebben gekregen als het hem ter ore was gekomen. Het mooiste wat een verslaggever kan overkomen. Zo word je starreporter! Was dat niet zijn droom geweest?

Starreporter.

Had hij er in de Bakkerstraat niet speciaal een hoed met slappe rand voor aangeschaft, en even verderop, in de Viestraat, een lange regenjas, want zo zagen ze eruit, die starreporters, stropdas los, trenchcoat open, hoed nonchalant naar achteren geschoven. In hoeveel films had hij ze niet langs zien komen, twee weken geleden nog, in een film over de drooglegging, Cary Grant die als een held in een western de newsroom van The New York Times binnengeslenterd komt en de bewondering oogst van die zware kerels aan de newsdesk, door het leven getekende mannen met bretels, in hemdsmouwen en vest, vaderfiguren die met een klinkende one-liner hun tovenaarsleerling complimenteren met het oprollen van de maffia die de rechterlijke macht corrumpeerde. Helaas had je in Utrecht geen maffia, ook geen New York Times trouwens. Was hij blij dat hij er van af was?

Hij wist het nog steeds niet, of liever gezegd: de dagelijkse werkelijkheid had zijn droom nog steeds niet ten volle kunnen vervangen.

Was het een jaar, of alweer langer geleden dat ’t Sas hem had benaderd met het verzoek om eens te overwegen of hij zich niet liever aan de vormgeving wilde gaan wijden in plaats van elke dag weer de razende reporter uit te hangen. Aanvankelijk was Werner verbaasd geweest en zelfs een tikkeltje beledigd door de nauw verholen spot van zijn baas, hij wás toch een goed verslaggever, ’t Sas had het hem zelf een paar keer gezegd, maar nadat hij de tijd had genomen om eens goed na te denken, kwam de aantrekkelijkste kant van het voorstel bovendrijven. Het had wel iets chics, dat ‘vormgeving’.

Vormgeving, vond hij, daar kon je mee voor de dag komen, meer in elk geval dan met het sjofele imago van de persmuskiet dat vooral oudere verslaggevers zoiets pauperigs gaf.

Waarom hij? Wat had ’t Sas in hem gezien? Had hij gemerkt dat zijn ‘starreporter’ in toenemende mate de smoor in kreeg als de agenda werd verdeeld en hem gevraagd werd weer zo’n persconferentie te doen waar de een of andere onbenullige hotemetoot je brutaalweg dicteerde wat je in de krant moest zetten?

Hij had gehoopt op avontúúr toen hij zich als verslaggever bij deze krant meldde, maar de praktijk was doorgaans weinig opwindend geweest, meer een nogal bureaucratische routine, met veel vaste afspraken en kilo’s paperassen, werk dat zijn dagen soms wekenlang vergrauwde.

Uitgerekend op de dag dat ’t Sas hem over die vormgeving aansprak, was hij al uren doende zich door een vuistdikke nota van het gemeentebestuur heen te vreten, een ronkend beleidsstuk over een, zoals werd gezegd, ‘uiterst futuristische ingreep in het stadshart’. Hét nieuws van de dag, een zevenkolomsopening van de voorpagina – dat stond al vast. Een glamourachtige brochure begeleidde de bestuurlijke kletspraat. Met een ongebreidelde overdaad aan artist’s impressions werd aanschouwelijk gemaakt hoe over hooguit vijf jaar skyscrapers, fly-overs, shops, lofts en wat dies meer zij de city in een metropool van de toekomst zouden hebben getransformeerd.

Die megalomanie.

De nota van het stadsbestuur was zo criant vervelend geschreven en tegelijkertijd met zoveel valse argumenten doorschoten – in elke zin hoorde je de inblazingen van het bouwbedrijf dat aan deze openhartoperatie miljoenen ging verdienen – dat hij, net als indertijd bij saaie lessen op school, maar in de marge was gaan krabbelen.

Poppetjes van de macht.

Karikaturen.

‘Teken jij?’ had ’t Sas gevraagd toen hij aan zijn bureau was verschenen. Het viel niet te ontkennen. Een week later was mede door zijn onwillige ja-woord zijn dagindeling volledig ondersteboven gegooid. Voortaan fietste hij niet meer van de ene vergadering naar de andere, van de ene persconferentie naar de andere, van het ene politierapport naar het andere, of bezocht hij een paar keer per maand de uitzichtloze zittingen van de volksvertegenwoordiging ten stadhuize, nee, vanaf die dag bleef hij binnen en bracht hij een substantieel deel van zijn tijd in het ‘technisch bedrijf’ door waar men hem leerde wat er – verborgen voor lezers én journalisten – niet allemaal moest gebeuren voordat je een krant onder je neus had die vers van de pers zo hartgrondig naar inkt en papier stonk en je met zijn 72- of 84-punts zware koppen het schokkendste nieuws van die dag in je gezicht slingerde.

Schreeuwende koppen, daar hield hij van.

LEES VERDER