Een Middeleeuws Stripverhaal

Illustratie bij Psalm 11


Gelukkig de mens
die niet meegaat met wie kwaad doen,

die de weg van zondaars niet betreedt,
bij spotters niet aan tafel zit,
maar vreugde vindt in de wet van de HEER
en zich verdiept in zijn wet, dag en nacht.

Hij zal zijn als een boom,
geplant aan stromend water.
Op tijd draagt hij vrucht,
zijn bladeren verdorren niet.
Alles wat hij doet komt tot bloei.

Zo niet de wettelozen!
Zij zijn als kaf
dat verwaait in de wind.

Wettelozen houden niet stand waar recht heerst,
zondaars niet in de kring van de rechtvaardigen.
De HEER beschermt de weg van de rechtvaardigen,
de weg van de wettelozen loopt dood.

Psalm 1: Beatus vir


et Utrechts Psalter is voor al diegenen die er ooit de faam van hebben horen verkondigen – onder wie mediëvisten, kunsthistorici, letterkundigen, musicologen, theologen, kloosterlingen, kunstenaars – niet minder dan een wereldwonder. Vermoedelijk zouden velen van hen er een lief ding voor over hebben de 182 pagina’s van dit kostbare boek op hun gemak door te bladeren. Maar het is zo oud en kwetsbaar dat het zelden of nooit aan het daglicht wordt blootgesteld. Sinds 1716 ligt het opgeborgen in de Utrechtse Universiteitsbibliotheek, de laatste jaren in een brand- en kraakvrije kluis.

Wat heb je aan een boek dat je niet kunt openen, niet kunt lezen, niet kunt bekijken – vanwege de uitzonderlijk vaardige illustraties misschien nog wel de grootste verlokking van dit psalter?

Van het looien van het kalfsleer en het bereiden van de inkt – met vitriool, om een mooie zwarting te krijgen – tot en met de schriftuur en het toevoegen van de illustraties eiste de vervaardiging ervan het grootst mogelijke vakmanschap van de gevarieerde groep ambachtslieden die eraan werkte. Soms slaagden zij erin – door met van alles en nog wat te experimenteren – een eindresultaat te verkrijgen dat ook na vele eeuwen nog kan verrassen.

Dit psalter stamt uit de negende eeuw, de tijd waarin de zogenoemde Karolingische Renaissance een brug sloeg tussen de oudheid en de vroeg-middeleeuwse beschaving, die er zonder Karel de Grote (768-814) misschien heel anders zou hebben uitgezien. Vanaf het moment dat hij, Kerstmis 800, in Rome door de paus tot keizer werd gekroond en zich heerser mocht noemen van een rijk dat zich, zoals we in Karel ende Elegast kunnen lezen, uitstrekte tote Colene opten Rijn ende tote Rome alvoert, oest toter wilder Denouwe ende west toter wilder see, om van Galissien ende Spaendienlant waaruit hij de heidenen verdreef nog maar te zwijgen, ontstond met steun van de kerk een bestuurlijke infrastructuur die niet zonder gevolgen bleef voor de welvaart. Veel daarvan kwam ten goede aan onderwijs, kunsten en wetenschappen (zoals de astronomie, om de christelijke feestdagen preciezer te kunnen vaststellen).

 

o wordt het – handzaam samengevat – verteld in geschiedenisboeken en colleges. Men wijst er daarbij op hoezeer juist het boek in die tijd bijdroeg aan de verspreiding van het (christelijke) woord over heel Europa, in kloosterscholen, aan vorstenhoven en in de ommuurde vesten van machtige krijgsheren, die zich – veelal voor hun jonkvrouwen – zoiets kostbaars als een boek konden permitteren. Tot op zekere hoogte moet je dat, net als de bijbelse Thomas, maar geloven, want die boeken krijg je als leek nooit in handen.

Was het geen leuk idee, dacht ik daarom zo’n jaar of twintig geleden, toen ik nog uitgever was, om een boek als het Utrechts Psalter voor al die hongerige geïnteresseerden te ontsluiten door middel van een fotografische herdruk, een facsimile?

O, zalige onschuld.

Toen ik met dit plan bij de Utrechtse Universiteitsbibliotheek aanklopte, kwam dat me te staan op een bevreemdend lachje van de dienstdoende conservator. Pas toen hij mij – dat wél! – het psalter had laten zien, onthulde hij dat er al werd gewerkt aan zo’n facsimile. Een uitgever uit Graz, gespecialiseerd in zulke gecompliceerde en geldverslindende uitgaven, zou binnen afzienbare tijd (voor vierduizend gulden per exemplaar) Het Utrechts Psalter wereldwijd aan grote instellingen, bibliotheken en een enkele puissant rijke particulier gaan slijten.

Ik droop af.

Ach, het was een moment van onbedachtzaamheid, maar daar hield ik behalve een wat pissig gevoel voor die gisse Oostenrijkers wel iets positiefs aan over: het verlangen dit psalter nóg eens te zien, maar dan langer, aandachtiger, en het liefst zo dat ik mezelf een oordeel kon vormen over zijn hooggeprezen hoedanigheden.

elke negende-eeuwse Peter Vos, had ik me destijds afgevraagd, was hier uiterst kuis doende geweest de zangen van koning David zo markant te illustreren? Die dynamiek, die gedreven ‘lijnvoering’, de uitdrukking op de piepkleine gezichtjes van onze middeleeuwse medemens, die soms weliswaar enigszins deden denken aan oude Romeinse koppen, maar niettemin onmiskenbaar eigen, individuele trekken vertoonden. En daarbij de aankleding: steden, burchten, rivieren, landschappen, heksen en demonen – in mijn herinnering was de hele doorlopende versiering van het Utrechts Psalter één knap getekend stripverhaal, dat even goed nú gemaakt had kunnen zijn.

Toen ik hoorde dat het Catharijneconvent in Utrecht voorbereidingen trof voor een tentoonstelling waarop het psalter in de context van zijn tijd te zien zou zijn, spoedde ik mij naar de Utrechtse Nieuwe Gracht en daar, in dat mooie oude museum, tegenwoordig hoeksteen van wat in Utrecht met een weidse benaming het Museum-Kwartier is gedoopt, vertelden conservator Helen Wüstefeld en Koert van der Horst, beheerder van het psalter bij de Utrechtse Universiteitsbibliotheek, mij zoveel over deze manifestatie – én het psalter – dat het mij spoedig duizelde.

Vermoedelijk is dit psalter gemaakt door een achttal kunstenaars – dus niet door dat ene genie dat ik mij erbij voorstelde – die er tussen 820 en 835 in het klooster van Hautvillers bij Reims hun beste krachten aan hebben gegeven. Jarenlange bestudering heeft Van der Horst, die het boek in de catalogus uitputtend beschrijft, geleerd dat er vermoedelijk in verschillende fasen aan is gewerkt. Eerst met loodstift het ‘grondpatroon’, vervolgens de nadere invulling met die onmiskenbaar talentvolle toets die de ware kunstenaar verraadt, en ten slotte de accentuering met nog weer donkerder inkt. Misschien, veronderstelt Van der Horst, is het psalter onvoltooid gebleven en had wat wij nu voor sepiatinten houden, in laatste instantie ingekleurd moeten worden.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Illustraties bij psalm 84.


at maakt het Utrechts Psalter zo bijzonder? Het werd gemaakt in een tijd dat de psalmen, alle 150 uit de Bijbel, gemeengoed waren voor de toenmalige (geloofs)gemeenschap. Ook in het onderwijs, bij het leren lezen, werden de psalmen bij wijze van Ot en Sien gebruikt. Psalmboeken moeten tamelijk ‘gewoon’ zijn geweest. Voor zo ver we dat kunnen nagaan, want er is in de loop van de eeuwen uiteraard veel verloren gegaan.

Maar het Utrechts Psalter, dat vermoedelijk voor een vooraanstaand persoon, keizer Lodewijk de Vrome (814-840) of zijn vrouw Judith, werd vervaardigd, is dat niet. Het schrift is uitzonderlijk. Het psalter is geschreven met de zogenoemde capitalis rustica, een deftige kapitaal, die was ontleend aan de voor monumentale opschriften gebruikte Romeinse letter. In de negende eeuw was die niet erg gangbaar, omdat – een van de gevolgen van het ‘beschavingsbeleid’ van Karel de Grote – de karolingische minuskel in zwang was geraakt, een handzaam onderkast-schrift, dat een zekere uniformering bewerkstelligde in een tijd waarin elk scriptorium (de werkplaatsen waar geschreven werd) er zijn eigen schrift op nahield.

Dat het Utrechts Psalter met de romeinse capitalis rustica is geschreven, zou een indicatie kunnen zijn voor het feit dat men bewust de allure van het grote Romeinse Rijk probeerde na te volgen. Daarvan werd ten tijde van Karel de Grote de cultuur herontdekt, vandaar de benaming Karolingische Renaissance.


 

aar het belangrijkste waardoor het Utrechts Psalter zich onderscheidt van vergelijkbare boeken uit die tijd, zijn de tekeningen, die niet alleen door hun kunstzinnige kwaliteit, maar ook door hun letterlijkheid opvallend mogen heten. De tekenaars probeerden de psalmen zo concreet mogelijk af te beelden, wat bij deze zangen nog niet zo eenvoudig is. Het zijn immers geen verhalen, zoals de evangeliën, maar (poëtische) exclamaties, meditaties, gebeden, aanroepingen van God, klaagzangen en zo verder, die juist vanwege die eigenschappen door de eeuwen heen dichters hebben geprikkeld tot vertalingen, zoals bij ons – om me tot het heden te bepalen – Martinus Nijhoff, Ida Gerhardt en Gabriël Smit.

Wat precies in de oertekst van dit, lang ten onrechte aan koning David toegeschreven bijbelboek werd gezegd, is al in de Oudheid en de vroege Middeleeuwen aanleiding tot veel getob geweest, zoals Koert van der Horst in zijn toelichting op het psalter grondig inventariseert. Je zou kunnen zeggen dat wat tot op de dag van vandaag vertalers voor problemen plaatst, de ‘ongrijpbare’ poëtische kanten van de psalmen, ook de negende-eeuwse illustratoren veel hoofdbrekens moet hebben gekost. Maar zie hoe zij te werk gaan.

In Psalm 1 bijvoorbeeld (zie boven, afbeelding hiernaast), die begint met de woorden Beatus vir (Gelukzalig is de mens) zit de ‘gelukzalige mens’ voor een rond tempeltje, terwijl hij de wet des Heren overdenkt. Hij mediteert dag en nacht, wat in de tekening tot uitdrukking wordt gebracht door personificaties van zon en maan en van de sterren. De goddeloze tegenover hem is gezeten in het gestoelte der pest. Links is de boom getekend, waarvan blad niet verwelkt. De boom is beladen met vruchten en staat naast een beek die uit de urn van een antieke riviergod stroomt.

Rechts ervan blaast een eveneens gepersonifieerde stormwind de goddelozen weg als stof. De goddelozen zullen geen stand houden. Rechts zijn zij reeds gevallen: ze worden door demonen, gewapend met haken en drietanden, naar de hel gedreven, want de weg der goddelozen voert ten verderf. De hel wordt weergegeven als een monsterlijke Hades, die de goddelozen opvangt en verslindt.


o krijgt u het op de tentoonstelling blad voor blad en detail gepresenteerd, en dat verheldert veel over de precisie van de illustraties, die gaandeweg ook verduidelijken hoevéél de kunstenaars hebben ontleend aan klassieke (mythologische) voorstellingen en eventueel aan oudere middeleeuwse voorbeelden. In deze tijd werd een begin gemaakt met een ‘beeldtaal’, die de belangrijkste teksten van het christendom voor de gelovigen toegankelijk maakte.

Wie al die kunsthistorische uitleg even laat voor wat ze is en de afbeeldingen in dit psalter nauwgezet bekijkt, zal niet aan de indruk ontkomen dat in de context van de middeleeuwse handschriftenkunst het Utrechts Psalter vooral door zijn 166 illustraties iets uitzonderlijks is. Het is alsof het plezier waarmee werd getekend, zo’n dikke duizend jaar later alsnog op je wordt overgebracht.

Aan de context van het psalter, dat overigens behalve de psalmen ook nog zestien cantica (andere bijbelse zangen) en de apocriefe psalm Pusillus eram omvat, wordt op deze tentoonstelling recht gedaan door een grote hoeveelheid codices en kunstvoorwerpen uit dezelfde tijd. Er zijn andere psalters, zoals het Vespasiaanse Psalter uit Londen, het Troyes Psalter, het Douce Psalter en er zijn psalters uit Byzantium (onder meer het Klhudov Psalter, dat zo fragiel is dat het volgend jaar voor een grote overzichtstentoonstelling van Byzantijnse kunst in New York niet wordt uitgeleend). Maar men toont ook evangelieboeken, onder meer het prachtige exemplaar van aartsbisschop Ebbo, dat van cruciale betekenis is voor de toeschrijving van het Utrechts Psalter aan de ‘school van Reims’ – die uitgebreid wordt gedocumenteerd – en andersoortige boeken, zoals de Leidse Aratea, bladen uit een Physiologus, en prachtige ivoren, allemaal zeer waardevolle stukken, die de bezoeker in staat stellen het Utrechts Psalter te vergelijken met zijn voorlopers, tijdgenoten en epigonen.

 

en zal zien dat het Utrechts Psalter als primus inter pares niet ten onrechte zijn grote faam heeft verworven en nog lang, vooral in Engeland, waar het langs onbekende wegen in Canterbury was beland, een inspiratiebron is gebleven. Dat het ten slotte – na langdurige omzwervingen – in Utrecht zijn laatste rustplaats vond, danken we aan een redelijk kapitaalkrachtige ingezetene van die stad: de vrijgezel Willem de Ridder (1649-1716) vermaakte het bij zijn dood aan de Utrechtse Universiteisbibliotheek.

Deze tentoonstelling laat zich vergelijken met de succesvolle expositie in 1989 over The Golden Age of Dutch Manuscript Painting in hetzelfde museum, ten dele doordat opnieuw wordt geaccentueerd hoezeer de beeldende kunst in de Middeleeuwen vooral in boeken gestalte kreeg, maar ook doordat licht wordt geworpen op de hoogstaande kwaliteit van de kunst in een tijd die voor ons nog steeds grotendeels in duisternis is gehuld.

Maar er is nóg een aspect, en dat heeft te maken met historische contuïteit. The Golden Age of Dutch Manuscript Painting gaf daarvan al een verrassende indruk, maar deze expositie doet dat evenzeer voor zo ver ze ons duidelijk maakt dat er meer samenhang is geweest tussen het Romeinse rijk en Karolingische tijd dan wij als leken geneigd zijn te denken. De ware continuïteit schuilt evenwel in mijn ogen niet in de adaptatie van oudere uitdrukkingsvormen, maar in de techniek (eeuwenlang ambachtelijk bepaald), door ons eenvoudigweg aan te duiden met het eigentijdse woord technologie. Want zoals de boekdrukkunst – toch een vorm van ‘technologie’ – al die prachtige handschriften overbodig maakte (om ze overigens nog een tijd lang hors concours te laten schitteren), zo zal de computer en alles wat daarmee nog in gang gezet gaat worden in vele opzichten het boek overbodig maken.

Uitgerekend op deze tentoonstelling word je met je neus op dat feit gedrukt, doordat Koert van der Horst voor de bezoekers de mogelijkheid heeft geschapen zelf door het Utrechts Psalter te bladeren. U krijgt geen witte handschoenen aan om dit kostelijke stuk intiem te bevoelen. U krijgt een toetsenbord, een computer en een cd-rom (die ook te koop is), om als een ware freak van de moderne technologie het middeleeuwse monnikenwerk elektronisch gestuurd op te roepen en van nabij (op het beeldscherm) te bestuderen. Heel ingenieus: klik een woord of zinsnede in een psalm aan waarbij een tekening is gemaakt, en de bijbehorende illustratie verschijnt. Of omgekeerd.

 

iet eerder heb ik mogen beleven dat iets wat zo diep in de tijd verborgen ligt, zo eenvoudig binnen je bereik gebracht kan worden. In de jaren dertig schreef Walter Benjamin in zijn vermaarde opstel Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid: ‘Omstreeks 1900 had de technische reproductie een peil bereikt waarop zij niet alleen het geheel van de traditionele kunstwerken tot haar object begon te maken en hun werking aan de meest diepgaande veranderingen begon te onderwerpen, maar ook een eigen plaats onder de artistieke procédés veroverde.’

Hij kon toen, ondanks zijn vooruitziende blik, niet bevroeden dat je nu een heel middeleeuws boek met een machine kunt lezen (en bekijken). Misschien is dat nog het meest verbluffende aan deze tentoonstelling: dat ze onbedoeld de ‘technische reproduceerbaarheid’ demonstreert op een wijze die we ons nog maar betrekkelijk kort geleden niet konden voorstellen. Met deze cd-rom is het Utrechts Psalter definitief overbodig geworden.

Het kan, voor eeuwig, terug in zijn cel.

 

The Utrecht Psalter in Medieval Art – Picturing the Psalms of David.
Museum Catharijneconvent/Utrecht University Library.
H&S Publishers 1996.
Dit stuk werd door Willem Kuipers voor het eerst gepubliceerd in de Volkskrant van 30 augustus 1996.