Een Boek Of Toch Liever Een E-book?

DE ALPI APUANE IN ITALIE

 

ELFS IN populaire televisie-programma’s, zoals Radar van de Tros, kun je tegenwoordig te horen krijgen dat ‘het papieren boek’ zijn langste tijd gehad heeft. Het moet wijken voor het e-book.

Niemand in mijn omgeving gebruikt het e-book.

E-books zijn kunststof-kastjes, met een batterij, een scherm, knopjes en ruimte voor een heleboel tekst die je kunt downloaden. Gaan die dingen na meer dan vijfhonderd jaar het boek vervangen?

Het lijkt er wel op.

Wie tot vandaag de dag het e-book heeft weten te omzeilen, zoals ik, en nu door de televisie nieuwsgierig gemaakt op onderzoek uitgaat, vindt dergelijke leesapparaten niet meteen in stapels op de toonbank van de elektronicawinkel, maar op het internet wordt er flink reclame voor gemaakt. Daar kun je ze ook kopen. In allerlei maten en soorten. Gebruikers recenseren ze en signaleren de voor- en nadelen (meestal in vergelijking met ‘het papieren boek’).

Het is moeilijk kiezen want aan elk machientje kleeft, voor een lezer, wel een aantal bezwaren. Soms worden die – zoals onlangs door Nicholson Baker in The New Yorker – geestig maar genadeloos blootgelegd. Soms worden ze nuchter en positief beoordeeld, zonder de echo’s van de leugenachtige praatjes waarin verkopers hun waar plegen te verpakken. Niettemin lijkt de ideale remplaçant van het gedrukte boek nog altijd niet te zijn gevonden.

Voor mij is de vraag: wanneer ga ik tot de aanschaf van zo’n e-book over (waarbij ook de prijs een rol speelt, want je kunt er weliswaar een paar honderd boeken in opslaan, maar die dingen zijn ook duur, de goedkoopste die ik tot nu toe vond is een apparaat van Sony van rond de 200 euro). In zulke gevallen kan ervaring van doorslaggevende betekenis zijn.

ALPI APUANE

In het begin van dit jaar, de lente al in de lucht, liep ik met een groepje vrienden te wandelen in de Alpi Apuane, dat vreemd hoog uit zee oprijzende gebergte bij Lucca en Pisa in Toscane.

De weg was lang, en soms vooral rotsig en steil, en na een uur of vier begonnen mijn voeten, en ditmaal ook mijn rug – die ik lang recht heb weten te houden – te protesteren.

Al die schoonheid, riepen ze me van achteren en van onderen toe, daar kun je ook heel goed van genieten, als je eens even met je kont op een steen gaat zitten.

Ik stelde het mijn gezelschap voor, en verdomd: iedereen wilde wel. Iemand haalde z’n mobiel te voorschijn. Ik dacht om een ambulance, dragers of roomservice te bellen, maar nee: hij had iets te lezen voor me in de aanbieding. Wilde ik misschien een stukje Shakespeare of Dante om wat te bekomen? Het apparaatje dat hij mij aanreikte was een zogeheten iPhone, ik hoef niemand meer, alleen mezelf nog maar, uit te leggen wat het is. Maar in elk geval: er stonden dertig klassieken uit de wereldliteratuur op, en ik las, in De Hel uit de Divina Commedia:

O, wat een hard ding is het te zeggen hoe het was,
Dat woeste en ruwe en ondoordringbare woud,
Dat in gedachte mij de vrees hernieuwt!

Zó bitter is ‘t, dat de dood dat nauwelijks meer is:
Maar om te verhalen van het Goed, dat ik er vond,
Zal ik spreken van andere dingen, die ik er gewaar werd.

Na het lezen van deze regels (en meer, we zijn zeker een half uur blijven zitten) ben ik ‘om’ en nieuwsgierig naar de leesapparaten die het papieren boek moeten gaan vervangen. Het mag van mij alles zijn, iPhone of e-book, áls het maar leest (en er, hoop ik, een keer een Nederlands woord voor gevonden wordt, een simpel, bruikbaar woord, zoiets als ‘boek’).

Want wat was de kern van mijn ervaring, terwijl ik daar bezweet en dorstig in dat danteske woud zat te bedaren?

De kern van mijn ervaring was dat ik daar zat te lezen en dat het er niet toe deed waarin ik las.

AAP, NOOT, MIES

We hebben ons heel lang niet kunnen voorstellen dat je op een andere manier kon lezen dan in een boek (of drukwerk in het algemeen). Nu weten we dat zo’n kunststof kastje je de woorden, en de beelden die daarbij horen even goed schenkt als dat heerlijk ruikende papier bezaaid met die prachtige Bembo-letters.

Voor mij voltrok zich dit lezen op dezelfde manier als meer dan zestig jaar geleden toen ik in de eerste klas van de Sint Gregorius-school in Utrecht bij frater Roland het ‘aap, noot, mies, zus, wim, jet’ leerde. Ik kon het heel gauw, niet omdat ik zoveel slimmer was dan mijn klasgenootjes, maar omdat ik werd voortgedreven door iets waarvoor ik pas veel later de verklaring vond.

Ik werd toen en daar een lezer, omdat ik al snel in de ban raakte van het wonderlijke verschijnsel dat de metamorfose is, het wezen van alle kunst: de betovering die over je komt als je met lichaam en ziel ondergaat hoe het een (die zwarte figuurtjes op papier) onder je ogen verandert in iets anders: beelden, personages, rovers in het struikgewas, piraten, muiters, messentrekkers en … Sneeuwwitje met haar zeven dwergen.

Het e-book, of hoe we het in de toekomst ook zullen noemen, hebben we te danken aan de almaar uitdijende technologie die ons, niet alleen in het Westen, maar juist ook in de rest van de wereld, meer en meer inspint.
Als in een web, ja, raken we verkleefd met de veelal onzichtbare elektronica die het leven van alledag reguleert.
De technologische versnelling waarvan we vandaag de dag tegelijkertijd getuige, deelnemer en slachtoffer zijn is een nieuwe fase in dit proces, een gevolg van de zogeheten digitalisering – die vruchtbare lat-relatie tussen natuurwetenschap en wiskunde.

Informatici zouden het ons tot nut van het algemeen bij bijvoorbeeld Pauw en Witteman kunnen uitleggen maar de beperking van wat tegenwoordig tv-journalistiek heet (‘kijkcijfers’!) staat dat niet toe.

De wereld verandert razendsnel, maar op de televisie ouwehoert men zinneloos voort alsof men er blind en doof voor is.

In Nederland (en de rest van Europa) wreekt zich op dit punt het meer dan erbarmelijke onderwijs dat we onze spes patriae al weer zo’n jaar of dertig aanbieden.

Intussen is niets in ons leven meer zoals het was in de tijd van onze ouders. Overal heeft de technologie met haar amorele, want objectief wetenschappelijke inslag het voor het zeggen gekregen, op straat, op het werk, in de keuken, in de slaap- en kraamkamer (denk aan de viagra en de in vitro fertilisatie die het vrouwen mogelijk maakt op hun tachtigste nog moeder te worden), in de auto en het transport in het algemeen, in het onderwijs, in ons voedsel en in de natuur (met de gen-therapieën) en in ons lijf met zijn stents, pacemakers, kunstharten, borstvergroting en andere implantaten – om maar een paar voorbeelden te noemen.

TEGENNATUURLIJK

De rationele – of liever gezegd de ‘tegennatuurlijke’ mens – die we daardoor gedwongen zijn te worden ondergaat deze digitalisering op zijn zachtst gezegd met gemengde gevoelens.

Enerzijds genieten we van de voordelen die de computer, het internet, de mri-scan, het dna-onderzoek en de viagra ons te bieden hebben, aan de andere kant hebben we moeite met de geestesgesteldheid die ermee gepaard gaat: de onzekerheid, het verlies aan autarkie, de machteloosheid  en de reactie daarop: dat je aan anderen helemaal geen boodschap meer hebt zolang jij je oppermachtig waant te midden van je rijkdom aan apparatuur en middelen. Zelfs de grootste sukkel voelt zich in zijn tien jaar oude Suzuki een ontembare held als hij op een buitenweg bij Apeldoorn het gaspedaal tot op de plank trapt.

We worden even amoreel als de macht die ons beheerst.

Maar of we nu zo vreselijk gelukkig of zo vreselijk ongelukkig zijn met die totale verandering van ons vertrouwde leven door de technologie is helemaal de vraag niet.

De vraag is of we erin slagen het proces naar onze hand te zetten.

Zo lang we dat niet kunnen – en het lijkt erop dat we dat door ons schrijnend gebrek aan (mathematische) kennis steeds minder zullen kunnen – doemt in het algemeen gesproken de digitalisering voor ons op als een kanker, een wildgroei, een metastase, die wat beschouwelijker en relativerender ingestelde tijdgenoten het gevoel kan geven het liefst maar helemaal niet mee te doen.

GEVOLGEN

Dus geen e-books voor degenen die het lezen, en vooral het lezen van literatuur (van romans, verhalen, essays en gedichten) niet kunnen missen?

Het lijkt me een houding van ‘hakken in het zand’ die niet strookt met de nieuwsgierigheid die zulk lezen juist begeleidt.

Het gaat ook niet om de ‘dingen’ waarmee en waaruit we lezen, daar is het nooit om gegaan, het gaat om wát we lezen.

Ik geef toe dat ik nu nog niet zo ver ben dat ik mijn vierduizend boeken ga downloaden op een stel e-books  – hoe doe je dat trouwens? – maar daarom hoef ik die nieuwe leesapparaten niet buiten de deur te houden. De voordelen zijn te groot. Zodra het e-book een voor mij esthetisch verantwoorde vorm heeft, makkelijk is in het gebruik en een letter biedt die kan wedijveren met de fraaiste uit onze vijfhonderd-jarige boekgeschiedenis, ben ik van de partij. Uiteraard moeten er boeken op staan die niet voor de massa zijn geproduceerd, maar voor mij!

Dat moment nadert.

Intussen ben ik niet blind, noch doof, voor de gevolgen van deze verandering in het boekenbedrijf.

Ik denk dat de gevolgen groot zullen zijn, en het lezen zal veranderen.

De vergelijking dringt zich op aan de tijd toen, in de Renaissance, de boekdrukkunst vanuit Mainz en de werkplaats van Johannes Gutenberg aan zijn zegetocht door Europa begon. (Hierboven een pagina uit de bijbel die Gutenberg drukte).

De verandering die toen – met als schutspatroon het genie Erasmus – plaatsgreep, is hier niet in een paar woorden weer te geven. Maar een feit is dat voor het eerst in de geschiedenis alles wat een mens maar kon bedenken (en had bedacht) in een voor iedereen toegankelijke vorm kon worden doorgegeven.

Het liet onverlet dat de oude techniek, het overschrijven van handschriften door monniken, nog lang verder ging en zelfs bloeide. De mooiste handschriften stammen uit de begintijd van de boekdrukkunst, toen de schatrijke adel het zich kon permitteren om met een bibliotheek van schitterend verluchte manuscripten de nederige boekenlezer de ogen uit te steken.

WESTERSE BESCHAVING

De westerse beschaving heeft meer dan vijfhonderd jaar op de boekdrukkunst gerust. Dat zal de komende eeuwen niet meer het geval zijn. Ook andere delen van de wereld gaan in de nieuwe technologie participeren, en het zou mij niet verwonderen als (ja, ja, met steun van het digitale boek) oude beschavingen als de Chinese of de Perzische onze civilisatie volledig zullen gaan overschaduwen.

We werken daar zelf  aan mee.

In de eerste plaats omdat we onze beschaving en de wijze waarop die de moderne technologie heeft voortgebracht, onvoldoende kennen en (dus) niet koesteren, en ten tweede omdat uitgeversconcerns in het Westen – die het monopolie op het boek hebben zoals de grote banken het monopolie hebben op het geld – in hoofdzaak alleen de massacultuur bedienen en daardoor in toenemende mate uitzonderlijke publicaties – te slim, te dwars, te grof, te vies, u noemt maar een afwijking van de middenklasse-moraal – zullen boycotten, en zelfs verbieden.

Geen wonder, zou ik zeggen, dat het internet bloeit.

Maar niet alleen het internet.

Ook in de boekenwereld zelf gebeurt veel. Het is eigen aan een samenleving als de onze – die voor de dienstknechten van de macht al geen ‘samenleving’ meer heet maar ‘economie’ – dat het particulier initiatief nooit helemaal de kop in te drukken valt. Er zijn altijd individuen die erin slagen de druk te weerstaan. Ze weigeren water in de wijn te doen omdat ze ergens voor staan. Ze geloven in iets. In iets moois.

Beautiful Evidence is zoiets moois.

Het is een boek van Edward Tufte – die hoogleraar was aan Yale – over de werking van het visuele, de manier waarop een beeld als overtuigend bewijs wordt gezien.

Hij rafelt razendknap uiteen hoe dat functioneert en waarom het ‘mooi’ moet zijn (of is, door zijn overtuigingskracht).

GRAPHICS PRESS

Ik zag het boek – waarover geen enkel door mij geraadpleegd medium ook maar met één woord had gerept – bij een door mij zeer geliefde informaticus thuis en was meteen verkocht. Niet alleen omdat het zo zorgvuldig was gemaakt, met een uitgekiende, overzichtelijke lay-out, gezet uit een letter die het oog behaagde en voorzien van werkelijk de meest inventieve illustraties – soms zo verrassend dat je ze zou willen inlijsten om thuis aan de muur te hangen – maar vooral ook vanwege de inhoud die me niet alleen voor informatici en wiskundigen, maar ook voor kunsthistorici, filmkenners en grage kijkers in het algemeen van belang leek.

Wat mij aansprak, was dat Tufte dit prachtige boek zelf had uitgegeven. Het was zijn vijfde.

Hij ging ertoe over zijn eigen uitgeverij op te richten, Graphics Press, nadat hij met zijn eerste boek, The Visual Display of Quantitative Information (1983), bot had gevangen bij de uitgevers tot wie hij zich wendde (ze vonden het te moeilijk, te weinig toegankelijk, zagen er geen kopers voor, en vreesden dat de uitvoering met al die plaatjes veel te lastig en te duur zou worden).

Toen ik Tufte (foto rechts) mailde voor meer inlichtingen, kreeg ik te horen dat de belangrijkste reden om zijn boeken zelf uit te geven, was geweest dat de uitgevers vooral op de vorm wilden beknibbelen, terwijl die nu juist essentieel was voor de boodschap. Ik bedoel: je hebt het over beautiful evidence of niet. Of zoals hij het zelf zegt: ‘My books are self-exemplifying: the objects themselves embody the ideas written about.’

Ook vertelde men mij desgevraagd dat Tufte nauwelijks van het internet gebruik had gemaakt (waar je zijn boeken wel kunt bestellen: www.edwardtufte.com).

In een interview met New York Magazine vertelde hij dat er van zijn vijf boeken inmiddels 1,4 miljoen exemplaren zijn gedrukt. Ze kosten 35 tot 40 dollar per boek, ‘dus ga maar na,’ voegde hij er nonchalant aan toe.

Een mooi succes.

Het illustreert hoe luisterrijk de komende jaren het boek nog zal bloeien voordat we – met e-books en al – in het digitale verschiet zullen verdwijnen.

 

WKtS
10 OKTOBER 2009

Zie ook de website van Tufte en Graphics Press