Door Mannen Bevlekt

 

Deel 1 van een reeks over taal in de hoogste kringen

 

Vrouwen list es menichfout,
Sijn si jonc, oft sijn si out
KAREL ENDE ELEGAST

 

ILLEM ALEXANDER is volgens minister-president Mark Rutte een ‘hard en efficiënt’ werkende vorst. Daarom heeft hij recht op een door de Nederlandse staat betaald nieuw – tijdelijk – kantoor in de achtertuin van zijn villa Eikenhorst. Kosten minimaal € 400.000,-  (vierhonderdduizend euro).

Huis Ten Bosch is door een ingrijpende renovatie voorlopig niet bewoonbaar en Paleis Noordeinde is ongeschikt, of zoals de minister-president aan de Tweede Kamer schrijft:

‘Omdat het Paleis buiten kantooruren doorgaans niet is bemenst, en de koning ’s avonds toch moet werken, is dit ’s avonds geen werkbare en efficiënte optie.’

Het is een redenering die nogal wat vragen oproept, maar die zal ik hier niet proberen te beantwoorden.  Waar het mij omgaat, is dat rare woord ‘bemenst’.

Bemenst.

Wat bedoelt de minister-president als hij ‘bemenst’ schrijft? Bedoelt hij misschien ‘bemand?’ Maar áls hij ‘bemand’ bedoelt, waarom schrijft hij dat dan niet?

Die vraag hangt voor mij samen met mijn overtuiging dat langzamerhand alle leidinggevenden in Nederland de weg kwijt zijn als het erom gaat hun taal goed te schrijven.

Het is natuurlijk mogelijk dat de minister-president het geïncrimineerde woord niet zelf geschreven heeft. Misschien heeft een vrouwelijk lid van zijn kabinet dit op haar geweten, maar dat is geen verontschuldiging. De minister-president leest zo’n brief toch nog na? Hij is immers verantwoordelijk voor wat er staat.

LACHEN

Het woord ‘bemenst’ hangt samen met het zogeheten feminisme, een geloof dat in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw veel vrouwelijke én mannelijke aanhangers trok.

Is Mark Rutte een feminist?

Het feminisme, zoals wij het in de jaren zeventig van de twintigste eeuw in Nederland hebben leren kennen, woei in die tijd over uit Amerika, waar Bettye Naomi Goldstein, beter bekend als Nancy Friedan, de naam van haar man, in 1963 met het boek The Feminine Mystique de kat de bel had aangebonden.

Het boek inspireerde de Nederlandse feministe Joke Kool-Smit tot haar bekende opstel ‘Het onbehagen bij de vrouw’ dat veel stof deed opwaaien.

Overigens had Simone de Beauvoir – een vrouw die haar leven lang onverbrekelijk met de schrijver Jean-Paul Sartre verbonden zou blijven – in 1949 al La deuxième sexe gepubliceerd.

Het revolutionaire elan dat de Amerikaanse feministen onder aanvoering van hun voorman (voorvrouw) Nancy Friedan aan de dag legden, ontlaadde zich zo heftig op alles wat maar naar man róók, dat zelfs de taal, die uiteraard de taal van mánnen was, op masculiene smetten moest worden gescreend en – desnoods met geweld – moest worden schoongeboend. Ik herinner me hoe vrouwelijke studenten en vrouwelijke geleerden – die zich nadien ‘wetenschapster’ zijn gaan noemen – een woord als history in herstory veranderden.

Daar kon ik nog wel om lachen.

Herstory heeft geen stand gehouden, maar ik vond het wel een goeie grap.

Is Mark Rutte een humorist?

Ik kan er alleen naar gissen, maar ik vrees dat er in dit geval geen sprake is van humor, eerder van het tegenovergestelde. Iemand in zijn positie die bemenst schrijft – waar zijn vader en moeder nog gewoon bemand zeiden –  lijkt het slachtoffer te zijn geworden van een vijfde colonne in de hoogste regionen van de vaderlandse politiek, een feministische cel van vrouwvriendelijke, linkse en politiek-correcte gehersenspoelden die ondanks de controle van de AIVD – én de premier – dagelijks het Nederlands (óns Nederlands) in dienst van hún ideologie herschrijven.

Je bent geneigd er de hand van Hanneke Groenteman in te zien, onze opperfeministe van weleer – die merkwaardigerwijs haar naam én die van haar zoon nooit in groentevrouw heeft veranderd – maar tegenwoordig, denk ik, met rechtse heren – en vrouwen – makkelijker door één deur kan dan in de tijd dat ze nog geloofde.

RETORICA

Politiek is taal, je kunt ook zeggen ‘gepraat’ of, iets deftiger, ‘retorica’, de kunst van het redeneren en argumenteren, maar welke naam je het beestje ook geeft, geen politicus kan het zich veroorloven naïef met zijn taal om te springen. Hij moet per slot van rekening juist door zijn praatjes – en minder door zijn daden – effect sorteren.

Dat zou je wel denken, niet, maar de praktijk is anders. Steeds vaker, laten we zeggen zo’n drie keer per week, betrap ik me er tegenwoordig op dat ik – voor de tv gezeten met de blik op zo’n vlot van de tongriem gesneden parlementariër – veeleer  het woord ‘gelul’ in me voel opkomen dan het woord ‘gepraat’, laat staan dat ik onder de indruk ben.

Politici lijken niet te beseffen hoe kostbaar hun belangrijkste werktuig is, hun taal. Ze weten er ook niks van. Ze weten niet dat het Nederlands een van de oudste talen in Europa is. Alreeds eeuwen geleden – ver voor de dag waarop Columbus Amerika ontdekte – spraken mannen, vrouwen en kinderen in deze contreien Nederlands. Ja, niet te geloven, hè? Nee, het was geen brabbeltaaltje van een stel dolende Kaninefaten. Het was een volwaardige, prachtige taal, die ik met alle plezier eens zou willen laten horen, maar helaas is dat onmogelijk. De Kaninefaten kenden, evenmin als Loesje, de vrouw van Han Voskuil, het bandopname-apparaat. Je kunt de klank van het oudst bekende Nederlands, het middelnederlands, dan ook niet laten horen, maar je kunt het wel laten zien.

Als je eens een uurtje of wat niet in die smartphone van je gaat zitten koekeloeren en eens een (heel mooi) boekje als Karel ende Elegast ter hand neemt, zal het je opvallen hoezeer het Nederlands van toen, in de Middeleeuwen, op het Nederlands van nu lijkt.

Uiteraard zijn er verschillen, zeker als het om bepaalde  woorden of zinsvormingen gaat, maar de overeenkomsten zijn zo evident dat we zo’n oude tekst ontegenzeggelijk als Nederlands ervaren. Neem eens de proef op de som en lees een paar van die schitterende poëtische zinnen hardop. Dan hóór je hoe de versregels je als Nederlandse muziek in de oren klinken.

Je moet je niet laten misleiden door het woordbeeld, door de spelling. Die wijkt af van de onze, ja. In die tijd bestond er nog geen gelijkvormige spelling, maar oudere neerlandici weten nog dat de toen gebruikte spelling over het algemeen heel doeltreffend en consequent werd toegepast: zoals er gespeld werd, werd er gesproken – een ideaal dat onderwijshervormers in de jaren zestig van de vorige eeuw vergeefs – en met rampzalige gevolgen – hebben nagestreefd.

Taal is in de eerste plaats klank. Ook wie leest, hóórt de taal. Goede schrijvers hechten aan die klank, en wijken soms zelfs van de voorgeschreven spelling af om de klank geen geweld aan te doen. Jan Blokker bijvoorbeeld, in zijn tijd de beste columnist van Amsterdam, schreef altijd zn, in plaats van zijn – en geen eindredacteur haalde het in zijn hoofd dat te veranderen.

De monniken die in de Middeleeuwen de versregels van de dichters overschreven, hóórden hoe ze klonken en spelden de klanken dienovereenkomstig. Daardoor kennen we de markante verschillen per streek of regio die in het Nederlands lang bestaan hebben. Je kunt ze aflezen aan de punctuele wijze waarop er – fonetisch – gespeld werd.

LEES VERDER

 

WKtS
25 OKTOBER 2014