Het dienstpistool van oom Willy

 

Geheiligt durch viel edles, deutsches Blut

 

Er zijn veel te veel jonge doden
om rustig rond te kunnen lopen

HALBO C. KOOL: ANNO 1946

 

éér ruim ik boeken op. Een crime. Jan Blokker vertelde me ooit dat zijn omvangrijke bibliotheek uit de boekenliefde van zijn vader én zijn grootvader was voortgekomen. Dat geluk is mijn generatie niet beschoren. Wie heeft er nu nog een bibliotheek?

Weg ermee dus. Ik wik en ik weeg. Ik klap stof uit de pagina’s en ontdek dat ik boeken heb waarvan ik al minstens een halve eeuw niet meer weet dat ik ze heb.

Ik noem – om degenen onder u die nooit een boek lezen, maar míj wel niet al te zeer te vermoeien – één titel: Der Krieg im Argonnerwald. Het werd door Bernhard Kellermann geschreven en in 1916 door Julius Bard in Berlijn uitgegeven met een voorwoord van de kroonprins.

O, die Kronprinz, Wilhelm geheten, net als ik. Wat een type. Legeraanvoerder in Verdun, maar liever zat hij achter de Franse meisjes aan. Welsprekend prijst hij het boek van Kellermann aan. Het getuigt, schrijft hij, van de onvolprezen heldendaden die de Duitsers in de Ardennen hebben verricht. Of in zijn woorden: ‘Wie Offiziere, Unteroffiziere und Mannschaften furchtlos und treu in stiller, schwerer Pflichterfüllung, bluteten und starben. Gleich Flandern und Arras, der Champagne, der Côte Lorraine und den Vogesen ist der Argonnerwald heiliger Boden. Geheiligt durch viel edles, deutsches Blut.

‘Geheiligt durch viel edles, deutsches Blut.’

Ik herinner me dat ik het boek kort na de oorlog in de boekenkast van mijn oom Willy vond, Onkel Willy, Willy Offel. Hij woonde in Gladbeck, het mijnbouwstadje in het Ruhrgebied waar mijn (Duitse) moeder geboren en mijn (Nederlandse) vader opgegroeid was.

Onkel Willy was mijn held. Hij had niet in de Eerste Wereldoorlog gestreden – te jong – maar wél in de Tweede. Soms vertelde hij er iets over aan mijn vader en ik luisterde mee. Kort voor het einde had hij er in Italië de brui aan gegeven. Hij was het zat. Hij wou naar huis en hij gíng naar huis, ofschoon hij wist hoe gevaarlijk het was om te deserteren. Jongens in zijn compagnie hadden hun pogingen met de dood moeten bekomen, standrechtelijk geëxecuteerd door hun maten. Tot ver na de oorlog liep onkel Willy, thuis in Gladbeck, met zijn oude dienstpistool op zak. Je wist maar nooit.

Winnetou

Neem maar mee, sprak hij genereus, toen hij mij met Der Krieg im Argonnerwald zag. Ik nam het boek mee naar Utrecht en las het in één ruk – met rooie oortjes – uit. Dit was andere koek dan Winnetou en Old Shatterhand. Dit was écht.

Gedetailleerd beschrijft Bernhard Kellermann de strijd in het eerste oorlogsjaar. Fransen en Duitsers naderden elkaar soms tot op nog geen tien meter. Men streed, zoals dat heet, van man tot man. Als de vijand zo dicht bij was dat je je karabijn niet meer kon gebruiken, dan doodde je de man met je mes of je bajonet. Of je brak hem z’n nek.

Het struikgewas in de Ardennen was zo ondoordringbaar – wegen waren er niet, Kellermann spreekt van een oerwoud – dat de manschappen soms gedwongen waren honderden meters te tijgeren. Boven hun hoofden floten de artilleriegranaten. Soms werden ze door ‘eigen vuur’ vernietigd. Maar als me iets van Der Krieg im Argonnerwald was bijgebleven, dan was het de regen. Het regent aan één stuk door. Je wordt er klam van. De soldaten stonden soppend in de loopgraven, nat en koud en als ze eruit gecommandeerd werden, glibberden ze soms maar een meter of tien voorwaarts, om vervolgens weer hard te worden teruggeslagen. Vier jaar lang mochten de Duitse en Franse generaals dit spel met deze jongens spelen, pionnen in een soldatesk partijtje schaak ter meerdere eer en glorie van de natie – en de Keizer (en die slappe zak van een zoon).

Legerfanfare

In Kellermanns woorden wordt de strijd een heroïsche veldslag die zich in een andere, fictieve werkelijkheid lijkt af te spelen en zo las ik het boek ook als jongen van een jaar of twaalf, dertien. Bloedstollend, vooral omdat ik me makkelijk met de dappere soldaten vereenzelvigde. Maar de waarheid liet zich niet loochenen. Het  bloed, de slachting, het sneuvelen, het gifgas, de doden. Tientallen, honderden, duizenden jongens vaak nog geen twintig jaar oud stierven in het eerste jaar van de oorlog of raakten zwaar gewond. De aantallen was ik kwijt, maar ik vind ze nu bij Kellermann terug. Hij geeft ze per dag. Let wel: alleen de Duitsers. Om één voorbeeld te noemen: Toen de Duitsers in juni 1914 met twee aanvallen een hooggelegen Franse stelling wisten te veroveren, stierven er in twee dagen tijd 37 officieren en 2519 manschappen. ‘Ja,’ schrijft Kellermann, ‘sie wollten stehen, wie sie bisher standen, und nicht wanken und weichen.’

Er stonden ook plaatjes in het boek. In de jaren vijftig zeldzame beelden. Ze gaven mij een indruk van de dagelijkse gang van zaken op het slagveld, maar wat ik me toen niet realiseerde, besef ik nu: het waren steeds momenten waarop er gefotografeerd kón worden. Rústige momenten. Soms ziet het er zo gemütlich uit dat er van oorlog geen sprake lijkt. Dan zie je een soldaat in de loopgraaf een brief lezen. Of een legerfanfare concerteert op een open plek in het bos. Die taferelen, vastgelegd door embedded fotografen van bekende Duitse persbureaus, kregen ook de thuisblijvers te zien. Tot het bittere einde konden zij daardoor in de Duitse Endsieg blijven geloven.

 

 

 

 

 

 


LUDWIG OFFEL (BOVEN MIDDEN) KORT VOOR ZIJN DOOD IN 1918

Nu ik Der Krieg im Argonnerwald heb teruggevonden en weer aan het lezen ben, weet ik dat een van die duizenden Duitse soldaten daar familie van me was, een broer van onkel Willy. Niemand heeft het me ooit verteld. Ik kwam er onlangs bij toeval achter toen ik op de website van de Westfälische Allgemeine Zeitung (de WAZ) iets over Gladbeck zocht.

Bange moeders

De WAZ is de grootste plaatselijke krant in Duitsland, dé krant van het Ruhrgebied. Ik was er al jong mee vertrouwd. Ik had er misschien wel kunnen werken als ik na mijn eindexamen in 1958 oom Willy zijn gang had laten gaan. Hij wist dat ik journalist wilde worden. Hij zei dat hij mij – met zijn connecties – aan een baan bij de WAZ zou kunnen helpen. Als ik wilde, maar ik wou niet. Ik had inmiddels te veel over de Duitsers en de Tweede Wereldoorlog gelezen om Duitser te kunnen zijn, zoals mijn moeder, ik wilde Néderlander zijn , zoals mijn vader – die overigens als zoon van Drentse immigranten in het Ruhrgebied was opgegroeid.

Ik logeerde tijdens bezoek aan mijn Duitse familie graag bij de Offels. Ik trok veel op met Willy’s zoon Horst, óók een gymnasiast én voetballiefhebber (Schalke ’04). Horst is een van mijn neven en nichten die hun leven lang onder de oorlog hebben geleden. Dat wist ik al vroeg, maar de last van hun traumatische jeugd drong pas veel later tot me door toen ik – in therapie voor mijn angst – geconfronteerd werd met de herkomst van die angst. Het was de angst van mijn moeder die ze mij met de paplepel had ingegoten. En mijn Duitse neefjes en nichtjes dan? Hoe onvergelijkbaar veel zwaarder was hún lot geweest.

Vanaf 1940 – toen sommigen van hen nog in de wieg lagen – bombardeerden de Engelsen onafgebroken het Ruhrgebied om de Duitse oorlogsindustrie te vernietigen. Kinderen zoals Horst hebben als baby en peuter dag in dag uit het huilen van de sirenes, het brullen van de bommenwerpers, het gieren van het luchtafweergeschut en de donderende inslagen van de granaten moeten horen. Gladbeck lag al vroeg in puin. De doodsbange moeders konden hun kinderen ook in de schuilkelder niet voor dát geweld behoeden. De vaders vochten ver weg op leven en dood aan een van Hitlers fronten.

Ik herinner me hoe de oorlog steeds meer tussen mij en mijn familie kwam te staan. De ouderen zwegen en de kinderen ook. Die gingen liever buitenspelen. Ik verloor menig familielid uit het oog. Ook Horst, die ik al dertig jaar niet meer heb gesproken. Van zijn lotgevallen wist ik weinig tot niets. Ik kende zijn zoon Michael niet, zijn kleinzoon Fabian niet en zijn vrouw Annelie kende ik slechts vaag omdat ze kort voor haar dood aan borstkanker op Facebook contact met familieleden in binnen- en buitenland had gezocht.

Lieber Papa

Nu was ik plotseling op de website van de WAZ getuige van een bijzondere gebeurtenis. Horsts zoon Michael droeg het archief van de familie Offel over aan de gemeente, een gebeurtenis in het kader van de herdenking die in 1914 rond de Eerste Wereldoorlog werd georganiseerd. De familie Offel bleek een bekende Gladbecker familie te zijn waarvan de stamvader, de vader van oom Willy, een vooraanstaand man was geweest. Hij had leiding gegeven aan een grote steenbakkerij ter plaatse. Zijn zoon Willy werd hoofd Burgerzaken van de gemeente. Hij kende iedereen – en iedereen kende hem. Hij was getrouwd met een zus van mijn moeder, tante Isy (Anna-Louise) Hildebrandt.

Maar de grootste verrassing die het bezoek aan de website van de WAZ mij bereidde was de onthulling van een oorlogsdrama dat in het familie-archief gedocumenteerd bleek te zijn. Oom Willy had een broer gehad, die in 1918, kort voor het einde van de Eerste Wereldoorlog in de Ardennen was gesneuveld, 21 jaar oud. Een paar maanden voor zijn dood schreef hij aan zijn vader: ‘Lieber Papa, viele herzliche Grüsse schickt Dir Dein treuer Sohn Ludwig.’

Het was voor het eerst dat ik van deze tragische gebeurtenis hoorde. Niemand wist er van. Vader Willy had het verhaal nooit aan zijn zoon verteld. Je vraagt je af wat daarvan de reden was. Hij hoefde zich er toch niet voor te schamen? Duitse vaders – het is bekend – vertelden niet over de oorlog. Niet over de Tweede Wereldoorlog, maar kennelijk ook niet, zoals in dit geval, over de Eerste. Wilde oom Willy zijn zoon sparen? Ik weet het niet. Misschien schieten alle verklaringen tekort. Het kan zijn dat het sneuvelen van zijn broer nooit goed tot oom Willy is doorgedrongen, omdat hij pas vijf jaar oud was toen zijn broer soldaat werd – een nogal groot leeftijdverschil. Cynisch zou je ook kunnen opmerken dat zo’n dood in die tijd geen uitzondering was. In duizenden gezinnen werd een gesneuvelde zoon betreurd. In heel Europa vielen miljoenen slachtoffers. Hoe inventariseer je het verdriet in miljoenen gezinnen? Zo bezien is dit offer aan de waanzin van de keizerlijke macht onbegrijpelijk. Voor oom Willy moeten in zijn jeugd invalide mannen op straat, kreupelen, blinden en mismaakten gewoner zijn geweest dan sterke, gezonde mannen, recht van lijf en leden, nog in het bezit van al hun geestelijke vermogens.

Chloorgas

Op de website van de WAZ zie ik een foto van Ludwig. Ludwig alleen. Ludwig met zijn maten in kamp Beverlo(o) in de Belgische Kempen – vlak bij Leopoldsburg. Dat was een bijzondere legerplaats, dat Beverlo – nu museum. Het garnizoen werd in 1835 door de Belgen ingericht om zich te verdedigen tegen Nederland, waarvan men tijdens de Belgische Opstand (1830-1839) vreesde dat het België zou binnenvallen. In 1914 waren het geen Nederlanders, maar Duitsers die het kamp bezetten. Beverlo werd een belangrijke basis. Van hier trokken de Duitsers op naar het front aan de IJzer. Er werd in Beverlo ook met chloorgas geëxperimenteerd.

Ik ben nogal ondersteboven van alles wat door dit boek weer bij me wordt losgewoeld. Ik ben niet zozeer terug in de tijd als wel in een fictieve werkelijkheid aanbeland die tot en met verweven is met mijn leven en mijn herinneringen. Ik mocht oom Willy zeer. In zijn vrije tijd was deze anständige ambtenaar jager. Zijn bange zoon Horst kreeg hij niet mee, maar ik beleefde de uitstapjes met hem – en de hond – als één groot avontuur. Totdat ik op een heiïge dag de hond de afgeschoten eenden zag apporteren. De dood, een dood dier, was voor mij toen – hoe oud was ik, tien, elf, twaalf? – geen feest. Wat zou een dood méns mij op die leeftijd gedaan hebben? Tientallen dode mensen, honderden? Op zeker moment maakt het ook niet meer uit of het jouw doden zijn of andere. Bij Kellermann lees ik dat de vijand soldaten die het bevel om uit de loopgraven voorwaarts te stormen negeerden, door hun officieren werden afgeknald. Maar… eh… deden de Duitsers dat dan niet ook?

Iemand heeft eens gezegd: in de oorlog sneuvelt de waarheid als eerste. Die waarheid, blijkt me weer eens, is niet eenduidig, niet zwart-wit, niet ‘zij’ en ‘wij’, die waarheid is een troebele potpourri van feiten, mythen, fantasieën, oordelen en vooroordelen, fouten, smerigheden en lafheid, die pas zuivere waarheid kan worden als ze door jóu is geconsumeerd, verteerd en uitgescheten. Het is stront. Die waarheid stinkt. Díe waarheid onthield oom Willy zijn zoon Horst. Móest hij hem misschien ook wel onthouden, maar daardoor bleef de jongen zijn leven lang onder zijn vader – en diens oorlog – lijden.

Een dienstpistool had hém niet gebaat.

Ik besluit Der Krieg im Argonnerwald nog even te houden.

Boeken – juist als je ze wegdoet, willen ze je nog zoveel vertellen.

WKtS
10 APRIL 2017