Deltaplan Voor Een Slimmere Overheid

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


ARABISCH MANUSCRIPT VAN ‘DE VERTELLINGEN VAN DUIZEND-EN-EEN-NACHT’

 

Deel 6 van een reeks over taal in de hoogste kringen

 

De koning vroeg: ‘Hoe luidt dat verhaal?’
DE VERTELLINGEN VAN DUIZEND-EN-EEN-NACHT, deel 3/4

 

oor veel mensen – ook voor mij – brengt de niet aflatende maatschappelijke dynamiek als gevolg van steeds nieuwe wetenschappelijke inzichten, uitvindingen en apparatuur grote onzekerheid met zich mee. Onze westerse, christelijke traditie is op losse schroeven komen te staan. Elke verandering – hoe voordelig ook voor sommigen – is een verlies aan houvast voor anderen. Voor mannen en vrouwen die de huidige gang van zaken kunnen bijbenen of denken te kunnen bijbenen – door hun kennis, vooral ook  van de wiskunde en de natuurwetenschappen – is dat minder een probleem dan voor hun medeburgers die geen toegang tot die wereld hebben. Voor hen is het een tijd van grote verwarring.

Het zou goed zijn als we en plein public meer aandacht zouden besteden aan de almaar groter wordende kloof tussen degenen die de geschetste ontwikkelingen redelijk kunnen volgen en degenen die dat niet kunnen – een kloof die dwars door alle klassen, bevolkingslagen, culturen, families, gezinnen, huwelijken, buurten en juist ook door de verzameling zogeheten hoogopgeleiden loopt.

Het is belangrijk dat thuis, op school, op de universiteit én op het werk het besef rijst dat zeer velen de voortschrijdende technologie niet kunnen volgen, maar dat niemand het zich kan veroorloven de boot te missen. Het ontkennen van de vergaande  invloed op ons persoonlijke leven is in mijn ogen een bron, zo niet dé bron van de huidige onzekerheid en de daaruit voortvloeiende onveiligheidsgevoelens. De reacties zijn bekend, maar ze worden zelden in het licht van dit fenomeen verklaard, hoewel wij weten dat degenen die zich buitengesloten of genegeerd voelen op elk moment alleen of groepsgewijs de samenleving met hun woede, wrok en wraak kunnen ontwrichten.

We hebben het in Europa eerder gezien.

Het ogenschijnlijke irrationele verzet is een vast bestanddeel van de moderniteit die in zoverre geaccepteerd is dat iedereen gebruik maakt van de auto, het vliegtuig, de computer, het internet, de smartphone, medische apparatuur, scans  en medicijnen. Het zijn middelen die het zelfbewustzijn van individuen versterken. Ze mondig maken, zegt men ook wel, maar laten we ons niet vergissen. Mondig ben je niet als je heel veel van wat je beheerst en doet handelen niet begrijpt. Veeleer is er sprake van onzekerheid, machteloosheid, onverschilligheid en angst.

Angst, ja.

Niet de angst van de media, de angst voor de ander – de allochtoon of de asielzoeker -, niet de angst voor aanslagen of de jihad, niet de angst voor joden of homoseksuelen, maar de angst van de radeloze mens die zich zonder God – en gebod – geen raad meer weet in het licht van het almaar uitdijende, wetenschappelijke universum dat hem beheerst.

Het is niet overdreven om te zeggen dat wij aan het begin van de eenentwintigste eeuw te vergelijken zijn met ‘primitieven’ ver weg – of lang geleden – die op geen enkele manier hun zekerheid aan een abstracte rationaliteit of  empirie konden ontlenen. Daar hadden ze hun goden voor.

Angst was hún God en angst is nog steeds de onze – en Veiligheid is zijn profeet. Maar anders dan de bedoelde onderontwikkelden die  hun priesters, medicijnmannen, magiërs en offerdieren hadden, hebben wij geen geloof en geloofwaardige rituelen meer om de dictatuur van deze God te beteugelen. Wat we nog wel hebben is de zondebok.

 

ANDROGYN KEURKORPS

Het lijkt erop dat politici en mutatis mutandis degenen die de overheid leiding geven, geen idee hebben van dit diep ingrijpende en omvangrijke probleem dat onmiddellijk bij de wortel zou moeten worden aangepakt.

Maar hoe? Een fundamenteler opleiding voor politici en ambtenaren op het hoogste niveau? Meer ontwikkelde en praktischer ingestelde overheidsdienaren? Moet er een Deltaplan komen voor de verspreiding van veel meer algemene ontwikkeling onder de ambtenaren die het beleid bepalen, waardoor ze hun armslag kunnen vergroten?

Het zou – om te beginnen – goed zijn als de overheid het bemensen staakt en haar burelen bemant met een degelijk en kritisch gevormd androgyn keurkorps dat zowel in de praktijk als in de theorie zijn mannetje staat.

Het zou ook goed zijn als onze volksvertegenwoordigers zouden benadrukken dat ze het belang hiervan inzien, daarop hun programma afstemmen en iets gaan doen. Vooral de grootste partijen zouden moeten uitspreken dat ze het gevaar van een continue negatieve selectie in overheidsorganen een halt willen toeroepen. Ze moeten de voorwaarden scheppen voor het werven van meer uitzonderlijke slimmeriken die bewezen hebben een bedrijf, een universiteit of een ziekenhuis inhoudelijk te kunnen besturen en met ‘inhoudelijk’ bedoel ik niet managen met alleen oog voor je eigen salaris of bonus, voor de aandeelhouders of de beurs; met inhoudelijk besturen bedoel ik het nemen van maatregelen die dit bedrijf, deze universiteit of dit ziekenhuis en alle werkers daar ten goede komen.

Slimmeriken zijn in mijn opvatting niet per se degenen die op school of later op de universiteit goed konden leren. Goed kunnen leren is bij alles wat het óók is vaak een beperking – vanuit de praktijk bezien. Met hoge cijfers verbonden is ook een karaktertrek die je met gedweeheid, aanpassing en volgzaamheid zou kunnen associëren. Dat zijn mooie eigenschappen, maar niet altijd. Net als het bedrijfsleven en bedrijfsmatig geleide instellingen heeft de overheid óók of juist onaangepasten nodig, eigenwijze slimmeriken die méér kunnen dan goed leren, die durven dwars te liggen, die creatief zijn, die zélf denken, die het geheel waarvan ze deel uitmaken overzien en in staat zijn oplossingen aan te dragen waar anderen – soms met een cum laude op zak – het antwoord schuldig blijven.

 

ONDERVINDING

Iedereen die met zulke mensen heeft gewerkt, weet wat ik bedoel. Een profiel op een a- viertje schiet in deze gevallen hopeloos tekort. Het gaat om ervaring, ondervinding, het doen – niet om papieren bedenksels.

Het is een zegen als een leraar, docent, baas, vader of moeder zulk talent mag begeleiden, maar het is voor geen van de betrokkenen – als ze eerlijk zijn – eenvoudig de vinger te leggen op de hoedanigheden die de een voor een gegeven taak zoveel geschikter maakt dan een ander. Toch is het van het grootste belang zo kritisch, zorgvuldig en objectief mogelijk te selecteren. Het zou voor leidinggevenden vanzelfsprekend moeten zijn zich op dit punt steeds  verder te bekwamen door kennis te nemen van elke observatie dienaangaande, van elk getuigenis uit de praktijk en van elk boek dat nieuw licht werpt op dit lastige vraagstuk.

Wie zó te werk gaat en daarom ook zelf op onderzoek uitgaat – waarbij hij zich soms ver buiten de enge academische paden begeeft – krijgt op den duur een neus voor dit talent dat theoretisch en wetenschappelijk hooguit gebrekkig te omschrijven valt. Daarvoor zijn degenen die het betreft te grillig. Maar wie in de praktijk zelf zijn sporen heeft verdiend, zal het talent herkennen als het zich voordoet. Johann Cruyff zag het. Louis van Gaal niet – veel te laat had hij door dat niet Van Persie maar Robben de man was die hém en het Nederlands elftal zou redden. Interessant is daarom de vraag: wie koos Louis van Gaal? En diens opvolger?

Kennis, vaardigheden, techniek en empathie – dat begrijpt iedereen – zijn van het allergrootste gewicht bij het verrichten van welke taak dan ook, maar resultaat boek je pas als je de hand legt op de jongens en meisjes die dat ongrijpbare ‘meer’ hebben, dat met fantasie, met nieuwsgierigheid, en ja, ik kan er ook niks aan doen, met ontwikkeling te maken heeft.

Zulke mensen gaat het niet in de eerste plaats om het eigenbelang. Zij zetten – vaak onbewust – hoger in. Zij dienen het algemeen belang – omdat dit een grotere creatieve uitdaging is. Hun leren is fpelen, zeker, maar hun leren is ook een éducation permanente. Zulke gemotiveerden blijven leren. Ze blijven zoeken naar meer kennis, naar nieuwe kennis, naar kennis die bijdraagt aan de verbetering van hun werk dat ze – hoe je het ook wendt of keert – met anderen delen.

Aan zulk volk hebben we heel wat meer behoefte dan aan nóg meer professoren en in schertsstudies of anderszins onvolkomen afgestudeerde masters. Misschien is het zelfs mogelijk dat zulke leergierigen – als ze tenminste niet collectief in ons onderwijsmoeras verzuipen – uitgroeien tot functionarissen of employés met gezág.

 

ALFA’S EN BETA’S

De slimmeriken die ik bedoel zijn niet per se bèta’s; het zijn ook geen alfa’s – als die überhaupt nog worden aangemaakt. Het zijn mannen en vrouwen die makkelijk toegang hebben tot de denkwereld van de exacte wetenschappen, maar ook de humaniora met smaak hebben geproefd. In studies, essays, romans, verhalen en gedichten hebben ze gelezen wat de dagelijkse informatiestroom hun onmogelijk kan bieden. Een diep, relativerend inzicht in de veranderingen van mens en maatschappij die de revoluties in het westerse denken teweeg hebben gebracht.

Zulke lezers hoef je – als ze eenmaal door hebben dat je zomaar mag lezen wat je voor de voeten komt – geen canon op te dringen. Zij vinden zélf hun weg, al zal een wenk van een andere, even geestdriftige lezer welkom zijn.

Als we onze hoogopgeleiden op die manier zouden kunnen inspireren, dan zouden we het doorgeven van de fakkel rustig aan hen kunnen overlaten.

Hoogopgeleiden daarentegen die zulk vuur niet eens voelen als ze er hun vingers aan branden – de voorbeelden bij universiteiten, toezichthouders, woningcorporaties en op departementen liggen voor het oprapen – zouden we zo snel mogelijk moeten laten afvloeien.

Een illusie?

Zeker, maar wie, met het oog op een samenleving als de Nederlandse – die voorlopig nog door de taal de onze is – niet de gemelijke vervlakking van vandaag de dag aan de kaak durft te stellen en bij wijlen eens een gedachte wijdt aan de beschaving in het algemeen en de westerse in het bijzonder loopt grote kans ten prooi te vallen aan het dodelijke nihilisme dat hoogopgeleide politici, ambtenaren en mediaknechten dag in dag uit onder de bevolking verspreiden…

 

OOM TOM

Onderzoek (ja, ja) heeft aangetoond dat het lezen van de Bijbel, het Corpus Hermeticum, het Gilgamesj-epos, de Koran, sprookjes, Duizend-en-een-nacht, Mein Kampf, Arabische poëzie en boeken van Multatuli, Couperus, W.F.Hermans, Frans Kellendonk, Plato, Celine, Modiano, Spinoza, Nietzsche, Goethe, Heidegger en Sloterdijk buitengewoon bevorderlijk is voor het inlevingsvermogen van het individu, zijn empathie. Empathie, niet in de vorm van een slordig geconsumeerde syllabus psychologie, maar gezien als een opwindende rapsodie van emotionele schokken die je opdeed in je luie stoel, bij de open haard, in je sponde of met een vriend in een tent op de camping.

Ik herinner me hoe ondersteboven ik was van De negerhut van Oom Tom. Ik was tien jaar, een Nederlandse jongen met een Duitse moeder.  Ik had wel al eens gevoeld – het was kort na de oorlog – dat buurtbewoners ‘naar’ tegen mij deden, maar ik snapte niet waarom. Mijn moeder was de liefste vrouw van de wereld. Ook dertig jaar na haar dood hou ik nog steeds zielsveel van haar. Dat ze een zwaar Duits accent had – maar beter Nederlands sprak dan prins Bernhard – was ik me niet bewust. Na het lezen van De negerhut van Oom Tom – zoals het toen nog heette, later werd het De hut van Oom Tom, wat uiteraard een betere vertaling is van Uncle Tom’s Cabin – wist ik wat me zo had geraakt: ik werd gediscrimineerd, een vorm van onrechtvaardigheid die me ook vandaag de dag nog naar de keel grijpt. Ik besefte dat ik geen slaaf in het zuiden van de Verenigde Staten was, maar het werd me steeds duidelijker dat wat ik al een paar keer op straat had ondervonden, te maken had met wat me in dat boek zo diep had getroffen. Voor het eerst daagde voor mij een idee van het volslagen onbekende begrip racisme waarvan ik in de bejegening van oom Tom de weerzinwekkende trekken had gezien – om ze nooit meer te vergeten.

Zouden we er geen baat bij hebben als meer mensen al vroeg door te lezen zulke ervaringen zouden opdoen? Misschien zou je dat kunnen bevorderen als hoogopgeleide dames, boekbesprekers, uitgevers en kinderboekzeloten eindelijk eens ophielden met het zogenoemde plezier van het lezen te benadrukken. ‘Veel leesplezier!’ Het is de domste wens die ik ooit heb gehoord. Lezen is niet plezierig. Voor veel mensen is het zelfs een straf. Plezier kun je bovendien – als het om lezen gaat – niet afdwingen en je kunt het al helemaal niet los zien van wát je leest. Dat kan tamelijk erg zijn. Plezier is dan ook een desastreuze aanbeveling. Of je plezier hebt, maak je zelf wel uit. Daar heeft niemand iets mee te maken. Laat ik het zo zeggen: degenen die telkens weer de mond vol hebben van dat leesplezier, weten niet wat het is, lezen – voor mij is dat ‘plezier’ een symptoom, opnieuw, van het gemelijke nihilisme dat ons geestelijk leven vergiftigt.

Lezen begint als je gaat begrijpen dat je door iets anders wordt geboeid dan door dat vervelende, kortstondige plezier. Het ware lezen begint als je oog en oor krijgt voor de taal en je merkt dat je nieuwsgierigheid langs die weg – de weg van de taal – wordt bevredigd op een manier die jezelf niet had kunnen voorspellen. Elk boek blijkt een verrassing te kunnen zijn. Misschien zelfs een schok. Een schok, ja. Daar blijk je zo goed en zo kwaad als het gaat tegen bestand omdat je aanvoelt dat je er tot op zekere hoogte buiten staat. Jouw wereld is een andere. Die ambivalentie ervaar je alsof je op een tweesprong staat. Het ene pad leidt je naar de bibliotheek voor nog meer boeken, het andere voert je terug naar het leven dat plotseling zoveel meer te bieden lijkt te hebben dan je daarvoor in je eigen kleine wereld aantrof. Je krijgt zin om er met nog meer plezier (ha, ha) aan mee te doen, aan dit leven. Als ervaren lezers zulk lezen eerlijk op nieuwe lezers zouden kunnen overdragen – bijvoorbeeld door te zeggen dat je veel van die verplichte rotzooi op school of in de boekhandel helemaal niet moet willen lezen – dan zou het onderwijs en onze hoogopgeleide bovenlaag er anders uitzien.

 

EDUCATION PERMANENTE

Lezen doe je niet om op het vliegveld of in je strandstoel de tijd te doden, lezen doe je om te ontdekken en om te weten. Dat is het genot waarover lezers het hebben als ze met elkaar praten – zonder dat woord ooit te gebruiken. Het is meer dan genot, het kan een adembenemende ervaring zijn. Wie daarmee op jonge leeftijd al in  aanraking komt, blijft lezen. Zelfs als hij na zijn vijfenzestigste nergens meer goed voor is. Wat dan misschien nog meer gaat boeien, is dat het willen weten van een lezer niet uit is op feiten, laat staan gegoogelde feiten, maar – om het eens filosofisch te zeggen – op kennen. Lezen is een epistemologische methode. Dát is de ware drijfveer om te blijven lezen. Het wordt daardoor als vanzelf een vorm van éducation permanente die geen mens zich in een hoogontwikkelde samenleving als de onze kan ontzeggen.

Hoogopgeleiden die niet weten wat zulk lezen is, zou afgeraden moeten worden zich ‘hoogopgeleid’ te noemen.. Ze zouden zichzelf ook niet zo moeten willen noemen alleen maar om bij een nieuwe kaste te horen die je status verhoogt. Zulke hoogopgeleiden kunnen we missen als kiespijn.

Wat we nodig hebben zijn mannen en vrouwen met evenveel hersens en sociaal gevoel, kritisch geschoolde vakmensen voor wie de natuurwetenschappen en de technologie evenzeer als de mensenkennis, eruditie en levenswijsheid van de humaniora het speelterrein zijn.

De vraag is:  hoe krijg je zulke mensen op de sleutelposten bij de overheid?

Ik denk dat het goed is om de beantwoording van die vraag niet aan onze kneuterige politieke partijtjes over te laten, noch aan Pauw, Tan of Jinek op de tv.

Ik denk dat we allemaal op zoek moeten gaan naar een moderne magiër met een iPad, wandelschoenen en liefde voor de natuur, die met zijn toverspreuken de ban op ontwikkeling, eruditie, smaak en besluitvaardig leiderschap bij de overheid kan verbreken.

Laat het een man of een vrouw zijn die over de kennis, de moed en de verbeeldingskracht beschikt om de massaal gekweekte middelmaat niet met de slappe peptalk van de hedendaagse manager naar de mond te praten, maar de waarheid spreekt.

Een man of  een vrouw die bewezen heeft een bedrijf of een instelling te kunnen leiden. Iemand die door middel van film, fotografie, video, theater, muziek, beeldende kunst, verhalen, mythen, sagen, gedichten alsmede de studie van ettelijke meeslepende wetenschappelijke geschriften zoveel gezag heeft verworven dat hij – of zij – onze hoogste overheidsdienaren tot stoutmoediger denkbeelden – en zeker ook tot méér eloquentie en taalbewustzijn – kan inspireren dan de botte bijl van de politieke correctheid.

Sprookjes – blijf erin geloven.

LEES VERDER

WKtS / 8 JANUARI 2015

 

BIJ DE AFBEELDINGEN:
1. Pagina’s uit een Arabisch manuscript van De vertellingen van duizend-en-een-nacht, een prachtige reeks boeken die in een vertaling van Richard van Leeuwen in Nederland bij Bulaaq verscheen.
2. Een beeld uit de film Lord Of The Flies naar het gelijknamige boek van William Golding waarin hij vertelt over een groepje welopgevoede Engelse jongens die onder oorlogsomstandigheden worden geëvacueerd naar een verlaten eiland en elkaar daar op den duur aan de meest primitieve wreedheden onderwerpen.
3. Brokken van een kleitablet met fragmenten van het Gilgamesj-epos.