Belcampo

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bedenker van krankjorume dingen

 

‘Wij zoeken Belcampo, wij hadden
speciale opdracht!’

DE WONDERE WERELD VAN BELCAMPO, p.174

 

A EEN PAAR uur lezen wist ik al niet meer waarom ik Belcampo aan het lezen was. Ik had zijn pil uit de kast gehaald en was binnen de kortste keren zó ver heen dat ik de aanleiding tot mijn keus vergeten was. Het was niet omdat ik iets te lezen zocht. Er lag een flinke stapel op me te wachten. Misschien, realiseerde ik me later, was ik – op zoek naar iets heel anders op het internet – op Belcampo gestuit en had ik me – zoals vaker met oudere Nederlandse schrijvers – afgevraagd of iemand hem nog kende. De vraag of er mensen waren die hem gelezen hadden, liet ik maar rusten.  Toen herinnerde ik me dat ik over hem geschreven had. In de Volkskrant. In 1996.

Het leek mij een goede gedachte dit stukje opnieuw in het licht te geven nadat ik in mijn (geletterde) omgeving  niemand, maar dan ook niemand gevonden had die me iets over het wonderbaarlijke proza van Belcampo kon vertellen. En Piet Grijs is ook alweer een tijdje dood.

Was Belcampo even een studentikoze mode? Nee, zijn werk is – kan ik na herlezing zeggen – goeddeels bestand gebleken tegen onze neiging om veel van belang te deleten (dat is vernietigen in het computertijdperk). Zijn proza boeide mij aanzienlijk meer dan het geschrijf van sommige hedendaagse veelverkopers.

Er is in de literatuur geen vooruit, of terug. Alleen maar stilstand.

Dit stukje bewijst het.

 

Het Grote Gebeuren

 

ERMAN Pieter Schönfeld Wichers werd vierennegentig jaar geleden in Naarden geboren. Hij groeide op als notariszoon in Rijssen, studeerde rechten en medicijnen in Amsterdam, was huisarts in Bathmen en behandelde vanaf 1953 tot zijn pensionering reeksen Groningse studenten medicijnen voor hun ‘kandidaatsziekten’ en andere kwalen….

Een nuttig en welbesteed leven, maar als Herman Pieter Schönfeld Wichers zich geen Belcampo was gaan noemen, zou nauwelijks nog iemand een gedachte aan hem wijden. Men zou zelfs niet weten dat hij pas zes jaar geleden (in 1990) overleed

Belcampo debuteerde in 1923 met het verhaal ‘Koningin Vozenkone’ in het Amsterdamse studentenblad Propria Cures en alhoewel de uitgevers zich niet meteen op zijn stoep verdrongen blééf hij schrijven. In 1936 gaf hij zijn vreemde, grillige, studentikoze verhalen in eigen beheer uit – zelden een middel om een grote lezersschare te bereiken.

Met De zwerftocht van Belcampo, de neerslag van een voettocht naar Rome, die in 1939 verscheen, wist de schrijvende arts meer aandacht te trekken, maar pas in de naoorlogse jaren werd het fantastische in zijn werk – gekruid met steeds meer eigenzinnige filosofie en kennis van de moderne geneeskunst – als bijzonder in de Nederlandse literatuur opgemerkt en mochten zijn bundels op een redelijke belangstelling aanspraak maken.

In 1975 maakte Jaap Drupsteen voor de VPRO een prachtige tv-bewerking van het verhaal ‘Het grote gebeuren’ uit 1958, dat over de dag des oordeels gaat.

In 1979 verscheen, bij wijze van een soort ‘verzameld werk’, Al zijn fantasieën, en die bundel is uitgangspunt geworden voor het boekwerk van 866 bladzijden waarnaar door de inmiddels vele, vele liefhebbers van Belcampo’s werk werd uitgezien.

In deze bundel is de eerste afdeling van Al zijn fantasieën integraal overgenomen, terwijl ‘Koningin Vozenkone’ er als ‘extra’ werd bijgedaan.

Belcampo keurde dit verhaal voor zijn eerste bundel, De verhalen, af, maar toen de Bosbespers er in 1985 een herdruk van wilde maken, was hij minder hardvochtig.

Uit de andere delen van Al zijn fantasieën is een selectie gemaakt.

FANTAST

Toegevoegd is een ‘kleine representatieve keuze’ uit de verhalen die na Al zijn fantasieën zijn verschenen, zoals een aantal heiligenlevens die Belcampo beschreef in De toverlantaarn van het christendom uit 1975, Rozen op de rails uit 1979 en Pandora’s album uit 1989. En verder werden De zwerftocht van Belcampo en het eerste deel van zijn wat merkwaardige wijsgerige beschouwing, die in 1972 onder de titel De filosofie van het belcampisme bij Kosmos uitkwam, opgenomen.

Men heeft met De wondere wereld van Belcampo dus niet het héle oeuvre van Schönfeld Wichers in handen, maar wel véél. Stof genoeg in elk geval om net als Piet Grijs in zijn bundel ...honderd. Ik kom! uit 1982 te constateren: ‘Zo nu en dan ontmoet ik iemand die het ook vindt: Belcampo is één van onze bijzonderste schrijvers. Het is een wonder, dat hij zomaar schrijft, en dank zij hem mag het Nederlands nog wat voortbestaan. Belcampo is een fantast. Al zijn verhalen zijn fantastische fantasieën. Onder de levende Nederlandse schrijvers is hij, met Raoul Chapkis en Sybren Polet, de enige die krankjoreme dingen bedenkt en opschrijft.’

Belcampo deed dat niet alleen als verteller, maar ook als wijsgeer, zoals blijkt uit De filosofie van het belcampisme. Hoed je voor kunstenaars die gaan filosoferen. Je kunt je afvragen of De wondere wereld van Belcampo er niet bij had gewonnen als men Belcampo’s wijsgerige verklaring van de wereld had weggelaten.

‘Ik raad u niet aan dit boek te kopen’, schreef Piet Grijs na De filosofie van het belcampisme gelezen te hebben.

‘Maar’, liet hij daar terstond op volgen, ‘als u net zo van Belcampo houdt als ik, doet u het toch. En dan beleeft u dezelfde teleurstelling.’

Inderdaad, maar om dàt te kunnen constateren moet je zowel de wijsgeer als de fantastische verteller die Belcampo was weer even een kans geven. Dan zie je hoe rijk een verhaal kan zijn en hoe arm de filosofie die eraan ten grondslag ligt.

 

WKtS
27 MAART 1996
Gepubliceerd in de Volkskrant
De foto is van Willem Kuipers te Smilde: regenboog bij Terschelling.