De Bezieling Van Het Nut

Deel 3 van een reeks over taal in de hoogste kringen

 

‘The question is,’ said Humpty Dumpty,
‘which is to be master – that’s all.’

LEWIS CARROLL, Through the Looking-Glass.

emannen’ is een woord, en een woord kent zelden een logische samenhang tussen de beide elementen waaruit het bestaat: klank en betekenis. Niemand weet waarom een boom een boom heet, of een appel een appel, of een kurk een kurk.

Soms geeft de etymologie uitsluitsel, maar helemaal zeker is zo’n verklaring bijna nooit. Daarvoor is de geschiedenis van een woord te ingewikkeld. Vaak is de oorsprong in de mist van het verleden opgelost.

Sommige Nederlandse woorden lijken rechtstreeks af te stammen van woorden die we kennen uit oudere Germaanse talen, zoals het Gotisch, een taal die ons in een bijbelvertaling van de bisschop Wulfila is overgeleverd. Oudere Neerlandici hebben zich die taal nog moeten eigenmaken.

De heidense Goten of beter gezegd: de Visigoten die onder leiding van Alarik I in 410 Rome veroverden, bekeerden zich in de tijd van Wulfila tot het christendom, wat heel verstandig van ze was. Voor hen, maar ook voor ons. Wij hebben er de kennis van hun taal aan te danken.

 

 

 

Hoe die taal eruit ziet – en vooral hoe ze klinkt – laat zich mooi illustreren met het Onze Vader dat sommigen misschien nog kennen.

In het Gotisch begint het zo:

Atta unsar thu in himinam, weihnai namo thein.
Qimai thiudinassus theins. Wairthai wilja theins, swe in himina jah ana airthai.

Prachtig, hè?
Lees het eens hardop – en bedenk daarbij dat de ‘th’ soms een zachte, soms een harde Engelse ‘th’ kan zijn en ook zo wordt uitgesproken. De ‘h’ is een zachte ‘g’.

De vertaling luidt als volgt:

Onze vader, die in de hemel zijt: Uw naam worde geheiligd
Uw rijk kome. Uw wil geschiede op aarde, zoals in de hemel.

Het zal geen lezer moeite kosten om door de Gotische woorden heen het Nederlands – of het Duits – te zien schemeren. Let maar eens op unsar (onze), himinam (hemel), namo (naam), wilja (wil) en airthai (aarde).

BRUTE INGREEP

Deze oudst bekende schriftelijk bewaarde Germaanse taal – die ons de verwantschap van het Nederlands met andere Germaanse talen duidelijk maakt, zoals het Duits, het Engels (en het Amerikaans), het Zweeds, het Deens, het Noors, het IJslands en het Zuid-Afrikaans – leert ons hoe oud het Nederlands mogelijkerwijs is en van hoe ver de woorden tot ons zijn gekomen. Ze hebben, zoals dat heet, de tand des tijds (genitief oftewel tweede naamval) manhaftig doorstaan.

Onze woorden bleken tegen een stootje bestand, maar dat wil niet zeggen dat ze eeuwenlang hetzelfde zijn gebleven. Ze zijn geëvolueerd – zoals onze honden en katten zijn geëvolueerd van wilde dieren tot huisgenoten, trouw, levendig, speels, maar ook kwetsbaar.

Wij koesteren ze, om die reden.

Nog niet zo lang geleden werden huisdieren afgetuigd, afgebeuld – onder de hondenkar – of aan de ketting gelegd. Geen mens zal dit vandaag de dag nog in zijn hoofd halen. Hij kijkt wel uit. We hebben nu een Partij voor de Dieren én de dierenpolitie.

Met onze gedomesticeerde woorden springen we aanmerkelijk minder zachtzinnig om. Elke gek mag ze maltraiteren. Alle speelsheid wordt ze ontnomen en nog steeds heeft zich geen Partij voor de Woorden gemeld.

“Bemenst’ is een voorbeeld van zo’n mishandeling.

‘Bemand’ in ‘bemenst’ veranderen is een ingreep die van een volkomen gebrek aan taalgevoel getuigt. Hij is het gevolg van een politieke, feministische ideologie die haar langste tijd gehad heeft en al lang niet meer het belang van alle vrouwen van de wereld op het oog heeft. Ze dient nog slechts de concurrentie met mannen om de meest lucratieve baan onder hoogopgeleiden. Heleen Mees, geboren als Heleen Nijkamp in Hengelo, is het laatste treurige voorbeeld van dit streven.

Taal is van een andere orde dan het politiek-correcte opportunisme dat erin slaagt te blijven voortleven door met steun van de media steeds nieuwe conflictstof te doen opwaaien. Het is a tale told by an idiot, full of sound and fury, signifying nothing.

In onze samenleving is onder de hoogopgeleiden die hun taal, hun geschiedenis én hun literatuur kennen elk serieus geschil in rede bespreekbaar. Maar onder ongeletterde gediplomeerden – of niet-gediplomeerden – blijft de romantiek van het verzet onverminderd virulent. Misschien omdat zij geen toegang hebben tot onze nogal complexe civilisatie. Niettegenstaande hun diploma’s zijn ze even afhankelijk gebleven van hun instincten als hun niet-hoogopgeleide ouders – die tenminste nog konden bogen op een portie gezond verstand en de ervaring die ze in het harde leven van alledag hadden opgedaan.

Deze hoogopgeleiden zijn horende doof en ziende blind voor de kracht van het argument dat put uit de rijkdom die wij ‘taal’ noemen – die cello, die ons de zuiverste gedachten en de heftigste emoties kan schenken als we maar niet zelf aan de snaren gaan zitten pielen.

Ik vrees dat men in de hoogste kringen van bestuur, bedrijf en onderwijs geen idee heeft van wat met zijn gemelijke onverschilligheid ten opzichte van de moedertaal heeft aangericht. Dit gezag dicht ik een voorkeur voor de jankende kettingzaag en de brullende bladblazer toe – om telkens weer zo snel en vooral zo ‘efficiënt’ mogelijk je buurt van het luisterrijke herfstblad en de oude iepen te ontdoen omdat er nu eenmaal altijd nóg meer parkeerplaatsen en ‘verkeersdoorbraken’ moeten komen.

In het belang van de ‘leefbaarheid’ wordt schoonheid opgeofferd aan nut.

Nut – de trouwe metgezel van de letterlijkheid.

Als een minister-president nog slechts deze bezieling kent, is er alle reden om je hart vast te houden.

KWAKZALVER

Dat ‘bemenst’ van Mark Rutte doet denken aan de kwakzalver die je een bananendieet voorschrijft om je van je kanker te genezen. Een slechte heelmeester… Wie meent zijn taal zo te moeten cureren, maakt vanzelf, het woord zegt het al…., stinkende wonden…

Zo iemand weet niet dat ‘man’ in bemanning – en in veel andere woorden – helemaal geen verband houdt met het sprekende zoogdier mens dat prat gaat op een penis (pik, paal, piemel, lul, leuter, lat, fluit, ding, piet, ding, roe, kobus…) maar waarschijnlijk teruggaat op  ‘men’, dat met ‘mens’ verwant is, zoals ook in andere Germaanse talen,, man in het Duits bijvoorbeeld of man in het Engels. ‘Bemand’ betekent dus al ‘bemenst’.

Een minister-president zou zich zulke domheden niet moeten willen permitteren. Maar wanneer hij dat wél doet, ben ik zo vrij daarin toch een onaangenaam vleugje 1984 te zien, de briljante roman van George Orwell over de totalitaire staat.

Wie dat boek heeft gelezen – en het anders als de wiedeweerga zou moeten gaan doen, zeker als hij de politiek in wil – zal onder de indruk geraakt zijn van het verhaal dat laat zien hoe gemakkelijk een overheid erin slaagt om haar burgers al hun menselijke vrijheden te ontnemen. Zelfs de liefde. En ook hun taal.

 

 

 

 

 

 

Indrukwekkend aan 1984 is nog steeds de manier waarop Orwell vertelt hoe het gezag (Big Brother) de taal naar zijn hand zet. Het knoeit een ándere taal bij elkaar, newspeak, een taal die is afgestemd op het machtsstreven van de partij. Ik zeg ‘knoeit bij elkaar’ omdat deze taal niet een nieuwe schepping is, een nieuwe taal, een soort Esperanto of  Volapük, maar een domme versie van de bestaande. In die taal veranderen de woorden van betekenis. Ze gaan het tegenovergestelde betekenen van wat ze betekenden.

Het gaat wat ver om ons als slachtoffer van een dergelijke taalverkrachting te zien, maar wie hoort en leest hoe politici en ambtenaren mét reclamemakers en voorlichters – die vaak afvallige journalisten zijn – dezelfde verhullende politiek geladen herschrijvingen op het Nederlands toepassen, ziet er wel de sporen van.

Misschien kan het geen kwaad behalve de roman van Orwell ook diens taalkundig aanhangsel bij het boek eens te lezen. Daarin inventariseert de auteur met een grote kennis van zaken de totalitaire taal die in 1984 wordt gebezigd. Dan zie je ook hoeveel Orwell aan zijn geniale voorganger Jonathan Swift te danken had, de schrijver van de magistrale satire Gulliver’s Travels.

Hoe gewone mensentaal in een totalitaire taal kan veranderen, was voor Orwell niet helemaal een verrassing. Hij had gezien wat men in de Sovjet-Unie en in nazi-Duitsland met de taal had uitgevreten. De romanist Victor Klemperer, schrijver van een reeks indrukwekkende dagboeken over zijn leven als jood in nazi-Duitsland en later in de DDR, was een van degenen in Duitsland die na de oorlog de nazi-taal nauwgezet beschreven.

Lang daarvoor al had Humpty Dumpty ons – in Through The Looking-Glass van Lewis Carroll – vertrouwd gemaakt met het idee dat wie de baas is de woorden kan laten betekenen wat hij wil.

Daar lachten we toen om.

STEMHOKJE

Nederlanders leven niet in een totalitaire staat. Gelukkig maar, ben ik geneigd te zeggen. Maar in wat voor staat ze dan wel leven, zou ik niet een twee drie kunnen zeggen.

Politici hanteren allerlei fraaie woorden ter omschrijving van ons bestuur. Een ervan is ‘democratie’ – maar steeds meer burgers beginnen door te krijgen dat dit woord drastisch aan betekenis heeft ingeboet. We leven niet in een ‘democratie’. Het zou voor onze politici reden kunnen zijn om niet zo hoog van de toren te blazen als zij menen andere – ‘niet-westerse’ – beschavingen te moeten kapittelen.

Wij weten dat je als burger in Nederland om de zoveel tijd naar het stemhokje mag, en dat is een groot goed, maar wat er met je stem gebeurt, onttrekt zich volledig aan je invloed. Dat is de slagschaduw die over onze ‘democratie’ is komen te liggen. Wie bijna elke dag te horen krijgt dat de BV Nederland een ‘economie’ is, weet dat niet kiezers en gekozenen hier en elders de dienst uitmaken, maar multinationals, ketens, banken, oliebaronnen, gangsters en geld. Voor het volmaakt ondemocratische Europa ziet het er somber uit.

Als de economie – het nut pur sang – in alle sectoren van het maatschappelijk leven, zelfs in de gezondheidszorg, in het onderwijs én de kunst, met goedvinden ván en gestimuleerd dóór de democratisch gekozenen het enige is wat nog telt, dan zijn we weliswaar nog geen totalitaire samenleving, maar begint het er wel griezelig op te lijken. Dan zou de roman 1984 best eens 2014 kunnen heten – het boek waarvan u hier het synopsis leest.

ZWARTE PIET

Wie eens een paar dagen achter elkaar niet ‘de actualiteit’ probeert te volgen – zo’n mediagek die zich tegenwoordig met trots een ‘nieuwsjunk’ noemt – en let op de taal die hij de hele dag door hoort en leest, zal schrikken van de manier waarop onze burgerlijke vrijheden stap voor stap met goedvinden van het stemvee én onze politici worden beknot. Als in een totalitaire staat.

De vloek der letterlijkheid is in dit opzicht een teken aan de wand. Ouderen herinneren zich vermoedelijk nog lachend hoe lang geleden opgewonden schouwburgbezoekers de schurk in het stuk na afloop van de voorstelling bij de dienstingang stonden op te wachten om hem een pak op z’n lazer te geven, maar wij lachen niet meer. Ook de stakker die vandaag de dag kinderen denkt te plezieren door Zwarte Piet voor ze te spelen, is het lachen vergaan. Ook hij zou weleens in elkaar geslagen kunnen worden. Of hij komt aan spelen helemaal niet meer toe.

Deze tijdgeest laat zich in een wetenschappelijk verantwoorde formule vatten: de vloek der letterlijkheid is politieke correctheid en politieke correctheid is radicalisering en radicalisering is terrorisme en terrorisme is oorlog.

Simpel, niet? Dat zou je wel denken, ja. Maar wat gebeurt er? Politici en media verleggen hun aandacht niet naar de oorzaak van de kwaal, maar zien alleen de symptomen. De huiduitslag. Er wordt flink gezalfd, maar het helpt niets, integendeel de ontstoken plekken worden almaar vuriger, lelijker en groter.

Wat er onder de oppervlakte broeit en gist, komen we niet te weten. We zitten in het wereldbeeld van de massamedia opgesloten – als zieken in de werkwijze van een medisch centrum (dat eens een ‘ziekenhuis’ was en nu een ‘bedrijf’).

OBAMA

Wie mee wil doen, is wel gedwongen met dit wereldbeeld akkoord te gaan. Maar hoe kun je akkoord gaan als je ziet en leest hoe er gelogen en bedrogen wordt. Je hoeft alleen de taal maar tot je te laten doordringen. Wie, zoals in Het Parool onlangs, de verkiezingen in Amerika omschrijft als ‘een bloedbad’ of ze samenvat in de zinsnede ‘Obama kreeg een pak slaag van de kiezers’ is geen groot licht en je hoeft hem dus niet te geloven, sterker: zo iemand kún je niet geloven omdat woorden als ‘bloedbad’ en ‘pak slag’ als volkomen misplaatste metaforen ons de inborst van de scribent doen kennen als nogal primitief. Dat een wereldoorlog door de Verenigde Staten werkelijkheid kan worden zodra Obama, moe gestreden, er de brui aan geeft en de Tea Party haar weerzinwekkend gedachtegoed in praktijk kan brengen, zou een aanzienlijk overtuigender evaluatie van de genoemde verkiezingen hebben betekend, maar van zoveel inzicht geven onze mediadienaren zelden blijk.

Significant was ook de berichtgeving over het rapport van TNO (in de NRC van 7 november 2014) over de politie die door minister Ivo Opstelten geleid wordt. De ‘herijkingen’, ‘actualisaties’, ‘aanvals- en realisatieplannen’, ‘de verandertrajecten’ en ‘speerpunten’ konden niet verhullen dat de Nederlandse politie één grote puinhoop is die door ‘externe specialisten’ opgeruimd zal moeten worden, of zoals Opstelten het formuleert: ‘ter verdere borging van de strategische sturing op integraliteit’.

Is zo iemand niet goed snik, is hij de weg kwijt, of lult-ie maar wat omdat hij geen idee heeft van wat er aan de hand is, noch van wat er moet gebeuren?

In Nederland moeten wij het doen met politici die voortgekomen zijn uit ideologisch volkomen vermolmde clubjes – eens partijen van aanzien.

In hun kleine provinciaalse kring – een soort geitenfokverenigingen ten plattelande – hebben ze geleerd hun eigenbelang veilig te stellen, hun baan, en dat hóór je als je op hun manier van spreken let. Hoe meer hun taal de kracht van een verwijzing naar de werkelijkheid buiten hun Haagse kring ontbeert en vooral afgestemd lijkt op de lege prietpraat die de massamedia nog juist aankunnen, des te ongeschikter zijn ze om ons leven een gunstiger wending te geven. Het is altijd weer pijnlijk ze en plein public  te horen oreren over zaken waarvan na verloop van tijd blijkt dat ze er de ballen verstand van hadden. De ICT, de woningbouwcorporaties, het spoor, vluchtelingen, en allochtone Nederlanders die allemaal naar Syrië willen om dood en verderf onder de ongelovigen daar te zaaien. Terroristen.

In het laatste geval zou een enkele gedachte aan niet-islamitische radikalinski’s als de Rote Armee Fraktion in Duitsland, de Molukkers in Nederland, de Rode Brigades in Italië, de IRA in Noord-Ierland en de ETA in Baskenland – om maar een paar voorbeelden te noemen – hun oordeel ten goede kunnen komen. Maar iets verder kijken dan je neus lang is, is in Nederland niet meer gebruikelijk. Ook dat verschijnsel is een uitvloeisel van de groeiende onverschilligheid ten opzichte van onze taal  en de alomvattende kennis die zij voor ons bewaart. De dichter Slauerhoff kon nog romantisch weemoedig zeggen dat hij alleen in zijn gedichten kon wonen, maar wij?

Slauerhoff?

Gedichten?

Wij weten nergens meer van en zo doen ook wij allemaal gezellig mee aan het uitwonen van onze taal, het Nederlands, het laatste waarachtig democratische instituut dat ons rest.

LEES VERDER

WKtS
8 NOVEMBER 2014

De foto bovenaan is gemaakt door Willem Kuipers te Smilde in de haven van Boston (USA).
Het plaatje lager toont Alice in gesprek me Humpty Dumpty over de betekenis van woorden (uit: Through the Looking-Glass, Bloomsbury).
De foto van het wakend  oog, ook gemaakt door Willem Kuipers te Smilde,  vindt u in het dorp West-Terschelling.
De rode ster met Kalasjnikov is het logo van de Rote Armee Fraktion.