Op de treeplank van de tijd

KINDEREN KONDEN NA VIJF JAAR WEER DE STRAAT OP

 

 

 

 

 

 Deel 17 – The jolly weekend camping car

 

Alles zoop en naaide,
heel Europa was een groot matras
REMCO CAMPERT

 

e bevrijding werd aan het Luie End uitbundig gevierd. Ik ruik nog het dennengroen waarmee de lantaarnpalen in de straat versierd waren en herinner me de blijdschap van de buren, op één gezin na dat niet mee deed. Dat was ‘fout’ geweest. In weer een ander gezin, het grote gezin van de brave schoenmaker Van der Linden, had een dochter omgang met een Duitse soldaat gehad. Zij werd kaalgeschoren.

Ik was vijf en tot dan toe nooit buiten geweest. Nu ging er een wereld voor me open. Ik had ook meteen een vriendje, Johnny, Johnny Uppelschoten. Elke ochtend kwam hij mij in de brandgang achter ons huis roepen om samen op avontuur te gaan.

Ik herinner me de vreugde van mijn ouders, van mijn vader die toch geen lachebekje was en anderen ook nu zijn sarcasme niet spaarde, en van mijn moeder die na Riekie, Toni en mij, en twee kinderen die in de oorlog geboren werden, Annelie in 1942 en Ben in 1944, opnieuw zwanger was. Van Harm, die zij Harry noemde. Hij werd negen maanden na de bevrijding in 1946 geboren.

Een groot gezin

Een groot gezin. Voor vader betekende het dat er hard gewerkt moest worden. Al die monden moesten gevoed. Moeder dacht aan Duitsland, aan haar vader, haar moeder, haar broers en zussen die ze na 1936 niet meer had gezien. Op één keer na, in de oorlog, toen ze toestemming kreeg om thuis de begrafenis van haar broer Bernard (foto) bij te wonen, een Funker, een radiotelegrafist bij de Luftwaffe die tijdens een oefenvlucht in de buurt van München was neergestort.

Er konden weer plannen worden gemaakt, maar daarmee dienden zich ook lastige vragen aan. Kon vader met zijn carrosseriefabriek verder? Kon moeder naar huis?

Het waren zaken waarover ik me als vijfjarige het hoofd niet hoefde te breken. Ik speelde buiten en ontdekte de schatten die de moffen hadden achtergelaten. Ze waren in een huis naast het onze ingekwartierd geweest. Nu stond de voordeur open en vonden we hun helmen – met die zachte leren binnenvoering – hun koppelriemen, hun uniformen, hun patroontassen, hun pistolen, hun kogels, hun laarzen en hun insignes. Machtig speelgoed voor Johnnie en mij.

We hadden de ooit zo heroïsche moffen als een haveloze troep in de Gansstraat de stad uit zien trekken. Ze boden een meelijwekkende aanblik. Hun smadelijke aftocht, hoe treurig ook, wekte geen enkele compassie bij de tientallen toeschouwers langs de weg. Integendeel, louter spot en hoon waren hun deel.

Op de schouders van mijn vader gezeten voelde ik hoe dit hem ontriefde. Hij ergerde zich, zoals hij zich ook kon ergeren aan de sukkels van de Binnenlandse Strijdkrachten die plotseling overal opdoken om de held uit te hangen. Een verslagen tegenstander trap je niet na.

Niettemin stak ook hij zijn triomf niet onder stoelen en banken. We hadden van de moffen – die ‘heel goede soldaten waren’ – gewonnen – dát was de boodschap.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


GARAGE SPIJKER IN DE GANSSTRAAT WAAR VADER ZIJN AUTO STALDE.

Grappenmaker

Het was voorbij. We begonnen opnieuw. De vader van Johnny – zijn haren glanzend van de pommade – verraste de buurt met een gloednieuwe Buick. Wat een kar! Dat je zoiets kon betalen!

Uppelschoten was aan de handel in oorlogsschroot zo rijk geworden dat hij zich niet alleen deze imposante limousine kon permitteren, maar ook met zijn gezin een riant buiten in Doorn kon betrekken – pal naast het onderkomen van de Duitse keizer.

Johnny vertrok zonder afscheid. Weg. Van de ene dag op de andere. Ik begreep er niets van. Ik kon er met niemand over praten. Zijn verdwijning wierp dagenlang een donkere schaduw over mijn geluk dat zo eindeloos had geleken.

Vader haalde zijn Chevrolet (foto) op bij de boer waar hij in het hooi verborgen was geweest en moeder wilde maar één ding: naar  huis, naar de Heimat, naar Gladbeck, een reis die de autoriteiten haar niet toestonden. Zij was Duitse en zulke Duitsers werden op het stadhuis met minachting aangekeken. Als ze al niet gewantrouwd werden of zelfs gehaat. In winkels kreeg moeder soms onuitgesproken, in gebaar en gedrag, met deze afkeer te maken. Er viel voor haar niets te verbergen. Als ze een paar ons rosbief bestelde of een pond suiker, hoorde je haar Duits.

Er was zelfs een leukerd geweest die haar Sjeveningen had willen laten zeggen. Toen ze het vader ’s avonds vertelde, werd hij zo kwaad dat we ons hart vasthielden voor de onverlaat mocht vader hem te pakken krijgen.

Zo driftig zagen we hem ook toen het buurtcomité besloot om tijdens het bevrijdingsfeest de straat voor ‘vreemden’ af te sluiten. Het prikkeldraad van de Duitsers kwam mooi van pas. Het slingerde toch nog overal rond.

Die benepenheid maakte vader zo boos dat hij de organiserende heren thuis opzocht en ze de huid vol schold.

De oorlog was voorbij, ja, maar de domheid niet. Het maakte hem er niet milder op. Integendeel. Steeds weer moest moeder hem tot kalmte manen. ‘Ruhig, Harm, ruhig…’

Hitlerjugend

In 1947 mocht moeder dan eindelijk naar de Heimat. Met de trein, vader kon of mocht niet mee. De oudste kinderen vergezelden haar. In Gladbeck zagen wij voor het eerst de familieleden van wie moeder al die jaren de mond vol had gehad. Waren wij net zo blij als moeder? De vreugde om het weerzien woog nauwelijks op tegen het verdriet dat wij mét moeder voelden, om de gestorvenen, de vermisten en de zieke familieleden.

Op straat zagen we overal vernieling en armoe, de gebombardeerde huizen, de kapotte straten, maar ook de uitgemergelde kinderen, de zwartgeklede vrouwtjes, de kreupelen en blinden die tastend in het puin rondscharrelden. Vreemd vonden we dat binnen, bij oma thuis (foto), in dat grote haveloze huis, alles schoon was, blonk en glansde en iedereen, ook de kinderen, zo netjes aangekleed waren, dat daar in elk geval geen vreselijke dingen leken te zijn gebeurd.

Maar die waren er wél gebeurd. Mijn moeder had niet alleen haar broer Bernhard verloren, ook haar jongste broer Bubi had als vijftienjarige de oorlog niet overleefd. Hij zou, met de Hitlerjugend op weg naar Berlijn, bij het bombardement van Dresden zijn omgekomen. De man van haar oudste zus Änne kwam doodziek van het Oostfront terug en overleed een jaar later. Haar broer Willi was in een vuurgevecht met een Amerikaanse parachutist bij de slag om Arnhem zwaar gewond geraakt en maar moeizaam hersteld.

Zijn tweelingzus Toni (op de foto met man en kinderen) had haar echtgenoot nooit zien terugkeren. Ze woonden in Berlijn bij de Wannsee. Haar man had aan het Oostfront gestreden. Hij wás vermist en blééf vermist.

Uit angst voor de Russische stoottroepen die in Berlijn elke vrouw die ze te pakken kregen, verkrachtten, was ze met haar twee kleine kinderen, Ursula en Manfred, lopend naar vader en moeder in het Ruhrgebied gevlucht. Daar zou ze nog vele jaren na de oorlog – net als haar zoon en dochter – op bericht over haar man blijven wachten.

Ziekte, dood en narigheid, overal puin, stof en afbraak. Gladbeck beroofde ons kort na aankomst al van de verwachting dat we bij opa en oma vakantie gingen vieren. Niettemin herinner ik me een gevoel van groot geluk. Moeder zal ons ermee geïnfecteerd hebben, blij als ze was dat zij eindelijk, eindelijk, hoezeer beschadigd en gewond ook, haar o, zo dierbare familie weer in de armen kon sluiten.

In het bijzijn van opa en oma (foto), van alle ooms en tantes, neefjes en nichtjes vervluchtigde de treurnis om plaats te maken voor een merkwaardige levenslust, een optimisme waarvan we na een paar jaar al de gevolgen zagen in de werkzaamheden van sommige familieleden: Het Wirtschaftswunder. Het wonderbaarlijke economische herstel van Duitsland greep onbegrijpelijk snel om zich heen, ook in onze familie. De meesten pakten hun zaken al na korte tijd weer grondig aan, er reden er alweer twee trots in een nieuwe Mercedes.

De omslag wekte verbazing, maar wij waren – als betrekkelijke buitenstaanders, afkomstig uit een land dat achterbleef bij de welvaartsgroei in de Bondsrepubliek – niet blind voor de kwetsuren die bijna iedereen in de familie, groot en klein, had opgelopen, terwijl het nog jaren zou duren vooraleer het discours over de schuld van Duitsland zou beginnen. In mijn familie hield men daar ook toen zijn mond over. Het was niet hún schuld.

Paniek

Maar zo ver was het nog lang niet. Grootvader Hildebrandt (foto) torste na een hersenbloeding en een zwaar hartinfarct de last van het verleden onloochenbaar met zich mee, al tuinierde hij er als een oude kompel nog een poosje lustig op los. Ik merkte hoe mijn neefjes en nichtjes getraumatiseerd waren. Als ik bij mijn neefje Horst logeerde en met hem onder zo’n verstikkend dik dekbed sliep, dat wij in Nederland niet kenden, werd ik regelmatig midden in de nacht door zijn geschreeuw uit mijn slaap gerukt. Zijn paniek maakte hem onbenaderbaar. Gelukkig kwam zijn moeder, tante Isy – wier man Willy Offel als militair in Italië was gedrost en daarom gevaar liep door een fanatieke nazi alsnog te worden neergeknald – onmiddellijk aangesneld om hem te troosten. Dan hoorde ik haar fluisteren dat er niet meer gebombardeerd werd. Es ist vorüber, zei ze dan, es ist vorüber.

Maar het wás niet vorüber. Nog steeds niet. Voor mij niet en voor mijn familie niet. Het was alleen voorbij voor de miljoenen mannen, vrouwen en kinderen die de  opkomst en ondergang van het Duizendjarig Rijk met de dood hadden moeten bekopen. Mijn moeder leed onder de naweeën, terwijl mijn vader, hoeveel begrip hij ook voor haar opbracht, het verleden als het even kon liet rusten en zich liever op zijn megalomane toekomstplannen richtte.

 

Hij had ontdekt dat Amerikanen er  ’s zomers massaal in caravans op uit trokken. Wij wisten niet wat dat waren, caravans, maar die kregen we in Nederland ook, vertelde hij, en op een zondag prikte hij in de huiskamer een groot vel papier op een tekenplank en zagen wij hem zo’n caravan tekenen.

We keken onze ogen uit. Wat een prachtige wagen, en wat kon die man tekenen. Al doende werd hij een ander, een andere man, ingetogen, zacht, een indruk die me altijd is bijgebleven.

Ik vond het een prachtig gezicht, dat precieze tekenen met die kolenschoppen van handen, die tekenhaak en die passer. Zó, dacht ik, werd iets gemáákt.

Het was voor mij des te opwindender omdat ik zeker wist dat die papieren schepping werkelijkheid zou worden. Zo wás mijn vader en inderdaad kort daarna, begin jaren vijftig, verraste hij ons met een elegant, blauwwit huis op wielen waarmee hij – tot verwondering van ons en de naaste buren – op een zaterdagmiddag zomaar kwam voorrijden. The Jolly Weekend Camping Car. 

Het was het begin, geloofden wij, van een schitterende toekomst. Vader ging caravans bouwen, héél veel caravans, en wij werden rijk, heel rijk, net zo rijk als de familie van Johnnie die een Buick had en op een kasteel in Doorn woonde. We zouden elk jaar een heerlijke vakantie hebben. Een voorproefje hadden we al gehad toen vader The Jolly Weekend Camping Car op een terrein in Bilthoven onder de dennenbomen parkeerde. De tentbewoners keken hun ogen uit. Wij waanden ons in het paradijs. (Op de foto van linksaf Wim, Toni, Ben, Riekie, Harry en Annelie)

Nog steeds, zoveel jaar later, kan ik ervan genieten: van die tijd, van de vrijheid, van het zonnige vooruitzicht dat we zo vaak als we wilden zulke vakanties in de bossen zouden hebben, tot geluk van moeder die net als wij opleefde in de Biltse duinen  waar we speelden tot we erbij neervielen en aan het eind van weer een lange dag onder de pomp werden schoongespoeld. 

De toekomst lachte ons toe, maar ons luxueuze leventje was nog niet goed en wel op gang gekomen of we voelden, meer dan dat we het konden verwoorden, dat er iets op handen was wat onze verwachtingen danig in de war zou sturen. De Baas, zoals de bouwer van de caravans door zijn knechts werd genoemd, slaagde er maar niet in zijn droom te realiseren. Wat zich zo opwindend en zonnig had aangekondigd, bleek gaandeweg een dagelijkse worsteling te zijn die grote offers vroeg. Van hem, van moeder, en ja, ook van ons kinderen.

Harm had met zijn gezin de oorlog overleefd, hij was de geldontwaarding te boven gekomen, hij had de absurde belastingaanslagen na de oorlog tot op de laatste cent voldaan, maar of hij tegen nieuwe blokkades opgewassen zou zijn, was voor moeder en ons een bange vraag.

Difterie

De blijdschap om vrouw en gezonde kinderen, van wie er twee in de oorlog ternauwernood aan de dood door difteritis waren ontkomen, kreeg een eerste opdoffer toen de Rijksbelastingdienst zich meldde. Dat was al meteen na de Bevrijding. De Belastingdienst legde de carrosseriebouwer H.G. Kuipers (foto) een navordering op over de vijf oorlogsjaren die hij had doorgewerkt. De aanslag was afgestemd op het inkomen dat hij in 1939 het laatst verdiend had. Het ging om duizenden guldens, veel geld in die tijd. Maar Harm hád in de oorlog helemaal niet doorgewerkt en hij had zeker niets verdiend. [1]

De fiscus was in de oorlog door de moffen gründlich hervormd  – om de bevolking en vooral het joodse deel daarvan te kunnen afpersen – maar de werkwijze die hieruit voorvloeide, was na de Bevrijding niet teruggedraaid. De Belastingdienst bleef wat ze onder de nazi’s was geworden. Meedogenloos.

De werkplaats was opengebleven, ja,  en er waren soms klusjes voor deze of gene middenstander verricht, een wagen voor een groenteman, een paardenwagen voor een boer, maar dat was in natura betaald – een vorm van ruilhandel waartoe men in de oorlog noodgedwongen zijn toevlucht nam. Van een winstgevende productie was geen sprake geweest, al kwamen de knechts zo lang ze konden naar de werkplaats, meer om de gezelligheid dan voor werk.

Een tweede klap onder de gordel was voor Harm de bestedingsbeperking waartoe de regering-Drees in 1951 besloot als reactie op de oorlog in Korea die wereldwijd een economische crisis veroorzaakte. [2] Het ging juist wat beter in Nederland, én met de firma H.G.Kuipers, en toen dit. Den Haag dwong het bedrijfsleven te bezuinigen. De hand op de knip. De vertrouwde aanpak van een zuinige calvinist.

Het heeft tot in deze eeuw moeten duren voordat economen die de regering adviseren, inzagen dat je een depressie niet met bezuinigingen moet bestrijden, maar dat je juist moet investeren. Het geld moet rollen. Dan kunnen bedrijven voort. In Duitsland liet men hoe het moest. Maar Duitsland was taboe. De blik was gericht op Amerika dat in Korea een van de vele oorlogen uitvocht die nodig waren om zijn economische wereldheerschappij in stand te kunnen houden.

Mijn vader had geld nodig, veel geld, maar hij hád geen geld. Hij had een fabriek nodig voor de productie van zijn caravans en dat eiste nogal wat, behalve van hemzelf, ook van zijn omgeving.

Zo’n caravan was in die tijd in Nederland nog een vreemd ding. Daar stak niemand geld in. Slechts één ondernemer, de zeilmaker Lammerts en Van Bueren in Utrecht, die als leverancier van tenten en andere kampeerbenodigdheden de vrijetijdsmarkt voor de oorlog al had leren kennen, zag er brood in en bestelde bij voorbaat een aantal kampeerwagens zoals ze toen werden genoemd.

Maar geproduceerd werd er voorlopig niets. Eerst moest de grond aan de Draaiweg worden aangekocht. Dan kon de fabriek worden gebouwd. Vervolgens moest er nieuw personeel worden geworven – wat een minder groot probleem was omdat er meer dan genoeg werkwilligen waren – en tot slot moest er, vond mijn vader, geld, relatief veel geld in marketing en reclame worden gestoken. Hij had al een vertegenwoordiger in dienst genomen die mét een auto en een koffer vol folders de boer op ging. Maar de bank, zijn bank, De Twentsche Bank aan het Janskerkhof in Utrecht (foto), gaf niet thuis. De regering zei nee, dan zij ook.

Bromfiets

Ook de gemeente lag dwars. Geen fabriek aan de Draaiweg was het standpunt. Dat was een woonwijk. Ook de eigenaar van de grond wilde niet meewerken. Het ging om een groot terrein met een verlaten boerderij tegenover de Sint-Josephkerk waar tot kort voor de oorlog woonwagens hadden gestaan. Mijn vader verzekerde iedereen die het maar horen wilde dat zijn fabriek een welkome verbetering van de buurt zou zijn, maar de gemeente wilde er niet aan en de eigenaar evenmin.

Eigenaar va de grond was het puissant rijke rooms-katholieke bisdom Utrecht. Mijn vader is er altijd van overtuigd geweest dat de aankoop van de grond hem werd geweigerd omdat hij niet katholiek was, hoezeer hij ook ten overstaan van de pastoor van de Sint-Josephkerk met wie hij onderhandelde benadrukte dat zijn vrouw en ál zijn kinderen katholiek waren en op katholieke scholen gingen.

Daar was geen speld tussen te krijgen. We waren allemaal katholiek gedoopt, we hadden allemaal onze eerste heilige communie gedaan, we waren ‘gevormd’ en we hadden, voor zover we er qua leeftijd aan toe waren, onze doopbeloften plechtig hernieuwd. We gingen inderdaad allemaal naar katholieke scholen en wandelden elke zondag allemaal met moeder op ons paasbest naar de Sint-Martinuskerk, onze parochiekerk aan de Oude Gracht. Alleen vader bleef thuis, paste op de kleintjes, wachtte met de koffie en overdacht zijn zonden.

Hij moest bezuinigen, hij wist het, er zat niets anders op. Aanvankelijk merkten we niets.  Er werd goed verdiend. De riante Studebaker die de vooroorlogse Chevrolet had vervangen, was ingeruild voor een stoere Ford V8 waarmee vader The Jolly Weekend Camping Car naar de Biltse duinen versleepte. We waren de koning te rijk.

Maar de vreugde bleek van korte duur. De Ford verdween, The Jolly Weekend Camping Car werd verkocht en voortaan moest moeder – ‘het geld groeit me niet op de rug’ – elke cent driemaal omdraaien. We moesten allemaal bijdragen aan de realisering van vaders droom.

In plaats van de Ford schafte hij zich bij de rijwielhersteller Kees Trapman in de Schimmelpenninckstraat bij Tuindorp een bromfiets aan, een HMW, weliswaar haast een motorfiets, maar toch, voor mij, voor mijn broers en zussen en vooral voor onze trotse Duitse moeder was dit een afgang.

Een bromfiets! Hoeveel erger kon het worden?

 

 

 

TERUG NAAR DE VOORPAGINA

WORDT VERVOLGD
WKtS
13 OKTOBER 2020
VOOR ALLE DELEN ZIE DIT OVERZICHT

 

 

 

[1] Zie het boek Belast verleden
[2] P.G.T.W. van Griensven: Over de besluitvorming rond de Bestedingsbeperking 1951.