Baard

 

 

 

 

 

 

 

 

UTRECHTS NIEUWSBLAD 1973

Dagstukjes – 63

Al die de dood en de duivel niet duchten
Moeten mannen met baarden zijn
AL DIE WILLEN TE KAAP’REN GAAN, VOLKSLIEDJE, 1903

 

ERST VIEL HET me niet op. Mijn jongste zoon had nu eens een baardje, dan weer niet. Dat was een jaar of wat geleden. Kijk ik nu om me heen, dan zie ik alleen maar mannen met baarden. Niet alleen jongere, ook oudere.

Bij jongeren valt zulk gedrag nog te billijken. Onzeker, bezig hun eigen stijl te vinden, enfin, je kunt er van alles bij bedenken als je ooit zelf nogal wankelmoedig jong bent geweest. Maar ouderen… We hebben tegenwoordig zelfs een staatssecretaris met een baard. Die van de vluchtelingen. Hij denkt vast op die manier minder op te vallen tussen de mensen die hij voor zijn partij het land uit moet zetten.

Opvallend is de baardgroei bij onze voetballende miljonairs, nee, ik bedoel niet de modieuze ongeschoren kinnebak van bejaarden als Danny Blind of Wesley Sneijder, maar de volle baard, het liefst gecombineerd met een kaal hoofd? Te gek, man.

Raar is dat deze voetballers niet schijnen te beseffen dat de baard zijn wederopstanding aan de homoseksuele medemens te danken heeft. Want laten we wel wezen ook bij deze mode hebben homoseksuelen – althans degenen die daar buiten de voetbalstadions voor durven uit te komen – de toon gezet. Ik neem niet aan dat bebaarde islamieten de voetballers ten voorbeeld strekken. Of wel? Jinek, mánnen, eropaf!

Jeuk

Modes, zeg ik op mijn leeftijd, zijn helaas van alle tijden. Ze zijn er áltijd en herhalen zich nogal. In de jaren zestig van de vorige eeuw liet ik ook een baard groeien. Dra bleken vele leeftijdgenoten van dezelfde gedachte bezield, zelfs de lui die nauwelijks op enige haargroei ter plaatse konden bogen en nogal pluizig voort tobden.

Ik heb er zelf nog heel lang meegedaan, met mijn baard, ik was er niet trots op, maar dat haar was als het ware deel van mezelf geworden en al jeukte het soms verschrikkelijk, ik kon er niet van scheiden.

Ook leeftijdgenoten van mij hadden daar moeite mee. Sommigen bleven de baard daarom de rest van hun leven trouw. Anderen kozen er op hoge leeftijd alsnóg voor, zoals prins Bernhard. Tegenwoordig siert het grijs of wit geworden haar vele ouwe, en ja, inderdaad somwijlen, heel lelijke, kale koppen.

Vínden ouderen en jongeren elkaar op dit punt? Of steken ze elkaar de ogen uit? Mijn baard is voller en zwarter dan de jouwe, impotente, witte man?

De vraag die blijft, is – wat mij betreft – van groot maatschappelijk belang: hoe verhoudt de baard zich tot het tijdsgewricht? Vragen onzekere of revolutionaire tijden – wat in mijn ogen hetzelfde is – om deze prehistorische aanpassing van het mannelijke uiterlijk?

Ik denk dat we de pruik niet aandurven.

Aan elke baard ligt de mannelijke angst voor kaalhoofdigheid ten grondslag.

LEES VERDER
WKtS

31 JANUARI 2016