De Jaren Van De Werkplaats

HET LEVENSVERHAAL VAN WILLEM KUIPERS – DEEL 2
DOOR WYTZE BENNER



Een machtig maaier is de Dood,
zijn scherpe zeis kent vreugd noch nood.
Hij wet het staal,
hij komt al aan en niemand die hem kan weerstaan.

Alfred Döblin: Berlin Alexanderplatz.


l tijdens zijn militaire ‘Ausbildung’ moet Harm (foto) hebben nagedacht over de vraag wat hij na zijn diensttijd met zijn nieuw verworven vaardigheden aan moest, want hij was nog niet afgezwaaid of hij opende – aan de rand van het deftige Wilhelmina-park in Utrecht – een eigen bedrijf. Hij was 24 jaar oud.

Het ging meteen goed met zijn wagenmakerij en na korte tijd moest hij al op zoek naar een grotere werkplaats. Hij vond die in de niet veraf gelegen Piet Heinstraat, een zijstraat van de Abstederdijk, waar hij op nummer 1a een optrekje had.

Tegenover hem woonde een kapper, Johannes Broodkoorn, bij wie hij ongetwijfeld elke week zijn ravenzwarte lokken liet knippen. Zo leerde hij Broodkoorns dochter kennen, Gijsberta Neeltje, in de wandeling Gijsje geheten.

Harm en Gijsje trouwden op 28 augustus 1924. In de familie werd gefluisterd dat Gijsje al zwanger was of een zwangerschap had voorgewend, maar de geschiedschrijver moet zulke roddel als onzin van de hand wijzen. De jongelieden verloofden zich – op 12 augustus 1923 – keurig netjes bij vader en moeder Broodkoorn thuis en namen een jaar de tijd om zich op de huwelijkse staat voor te bereiden. Ze zouden geen tien jaar plezier van elkaar hebben. Gijsje werd ziek, ernstig ziek en overleed in 1934 naar alle waarschijnlijkheid – net als haar broer Wim die ‘klerk’ was en in zijn vrije tijd heel aardig tekende en etste – aan tbc.

Harm bleef alleen achter, maar hij was er de man niet naar om bij de pakken neer te zitten. Hij vond een jaar later al een nieuwe vrouw, een Duitse, Maria Wilhelmina Hildebrandt oftewel ‘Mieze’, zoals ze werd genoemd – een naam die voor K. nog aan betekenis won toen hij in de door Rainer Maria Fassbinder zo indrukwekkend verfilmde roman Berlin Alexanderplatz de vriendin van Franz Biberkopf leerde kennen, die ook Mieze heette.

Harm vond zijn Mieze – niet toevallig – in het Duitse stadje Gladbeck waar hij was opgegroeid en nog regelmatig kwam omdat zijn vader, broers en zussen er woonden, voor zo ver ze hem niet naar Nederland waren nagereisd om op zijn zak te teren.

Als het even kon scheurde Harm op zaterdagmiddag op zijn Harley Davidson naar de Heimat.

Bij een van die bezoekjes ontmoette hij Mieze. Ze was een dochter van de mijnbeambte Wilhelm Hildebrandt (links op de foto met vrouw en kinderen), die zich van ‘Kumpel’, ‘Bergarbeiter’ of ‘mijnwerker’, had opgewerkt tot een bovengrondse functionaris. Mieze was z’n enige dochter die nog  niet getrouwd was.

Ze was bang geweest om ‘over te schieten’ – zoals ze het haar kinderen vertelde – hoewel ze een mooie, vrolijke meid was, pas 27 jaar oud, toen ze haar Hollandse motor-duivel ontmoette.

Harm liet er geen gras over groeien en begon Mieze het hof te maken. Hij ruilde zijn Harley Davidson  in voor een splinternieuwe Chevrolet (zwart met een rode bies) en kon een jaar later al tevreden vaststellen dat zijn liefdes-schijnbewegingen vrucht begonnen af te werpen: Mieze, vermoedelijk al zwanger, was bereid hem naar Utrecht te volgen.

Het paar trouwde in 1936 en vestigde zich in de schaduw van de Sint Martinus-kerk aan de Oude Gracht. Daar was een nieuw bedrijfspand opgetrokken, met daarboven een tweetal ruime woningen, nadat in 1935 een suikerraffinaderij ter plaatse tot de grond toe was afgebrand – een fik die de landelijke kranten haalde.

Het werd voor hen allebei, met een eerste kind op komst, ondanks de crisis en het wennen van Mieze aan de Nederlandse krenterigheid, een plezierige tijd. De nieuwe werkplaats en de mooie bovenwoning bevielen zeer, en de buurt, met de Oude Gracht, de Twijnstraat,  het Ledig Erf en de Tolsteegbrug, was een levendig en karakteristiek deel van het oude Utrecht met al die bedrijven, bedrijfjes, winkels en cafés waarvan de eigenaren toen nog ‘boven de zaak’ woonden en elkaar kenden. Als het zo uitkwam, waren ze ook niet te beroerd om elkaar te ‘matsen’.


Linker foto Mieze (l.) met een vriendin in de jaren ’30 in Duitsland.
Rechts met man, twee dochters en één zoon in 1941 in Nederland.

NERINGDOENDEN

Een van die ‘neringdoenden’ – kun je met enige overdrijving, of ironie misschien zeggen – was een geestelijke van de Sint Martinus-kerk, kapelaan Thijssen. Hij bezocht zeer regelmatig de belendende werkplaats om een praatje met de carrosserie-bouwer te maken. Of hij ging boven – onder het genot van een kop koffie en een bovenmaats stuk Streuselkuchen – gezellig met de goedlachse Mieze keuvelen, die de man Gods overigens niet geheel vrij van verlegenheid ontving. Ze wist nooit zo goed wat zo’n geleerd, en bovendien godsdienstig man van haar wilde.

Voor Harm Gerrit was dat geen vraag: Die komt om zieltjes te winnen moet hij, snel van begrip als hij was, hebben gedacht, want als hij iets wist van ‘die roomsen’ dan was het dat ze zoveel mogelijk kinderen voor de moederkerk wilden veilig stellen.
Ook die van hem.

Maar dat laatste kon hem misschien minder schelen dan dat Thijssen (foto op latere leeftijd) een maar al te willig oor vond bij zijn vrouw die haar man immers pas haar jawoord had gegeven nadat hij haar met de hand op zijn hart had beloofd dat ‘al haar kinderen’ katholiek gedoopt zouden worden.

Harm haatte de papen, maar kapelaan Thijssen haatte hij niet.

Integendeel.

Die twee kletsten elkaar de oren van het hoofd. Ze waren er zeker van dat vroeg of laat de één – boven het snerpende geluid van de cirkelzaag en het gedreun van de voorhamer op het aambeeld uit – de ander van zijn waarheid zou kunnen overtuigen. En dat dat ook moest. Dat de liefde niet van één kant kon komen.

Wat er werkelijk aan de hand was, ontdekte K. pas later.

Mgr. dr. Frans Thijssen (1904-1990) was een rooms-katholieke priester met een grote belangstelling voor ‘andersdenkenden’. Dat was geen gevolg van zijn ervaringen in de oorlog. Al voor 1939 zette hij zich in voor de toenadering tussen katholieken en protestanten. In een aflevering van het blad, dat hiervoor speciaal was opgericht, Apologetisch Leven, schreef hij in 1941: ‘Wij zullen als gelijkwaardigen tegenover elkaar moeten gaan staan en de niet-katholieken beschouwen als menschen, die ervan overtuigd zijn, dat ook zij de waarheid bezitten, ofschoon ieder misschien van zijn kant overtuigd is, dat de ander haar niet bezit.’

Frans Thijssen werd een drijvende kracht achter het verlangen naar ‘oecumene’ dat onder invloed van de ervaringen in de oorlog na de bevrijding zowel onder verlichte protestanten als katholieken begon te leven.

Thijssen werd zelfs dé man voor de oecumene in het bisdom Utrecht en hij liet zich niet onbetuigd.

Het zal degenen die hem gekend hebben, niet verbazen, want als Thijssen iets deed – ’s zondags tijdens de hoogmis preken bijvoorbeeld – dan deed hij dat met een charme, zwier en geestdrift die maar weinig clericale muizen gegeven was. Een uitzonderlijk man. Te groot misschien, net als de wagenmaker met zijn grimmige kop, voor dit knusse buurtje – waar Mieze zich overigens nooit helemaal geaccepteerd heeft kunnen voelen.

Ook vandaag de dag herinneren oudere Utrechters zich nog hoe de zeer geleerde doctor met zijn lange manen en wapperende toog brevierend door hun straat stapte of ontspannen plaats nam op een bank in het paradijselijke singelplantsoen.

DE GIL

De kapelaan was een broer van Louis Thijssen, een journalist, die filmredacteur van De Residentiebode in Den Haag was geweest. In 1941 kreeg hij de positie van hoofdredacteur aangeboden, die hij aanvaardde ondanks de controle door de Duitsers. Hij bedacht het plan om naast De Residentiebode een satirisch periodiek uit te geven, De Gil. Hij had bij wijze van grap al eens een proefnummer gemaakt waarin hij de Duitsers zo komisch afbeeldde dat ze zich beledigd voelden. Thijssen werd gearresteerd, maar het hoofd van de Duitse contraspionage had algauw door wat voor vlees hij in de kuip had en vroeg Thijssen om – voor ƒ 120.000,- per jaar – ‘foute’ collega’s te verlinken.

Net als zo’n 40.000 NSB’ers vluchtte Thijssen na  Dolle Dinsdag – bang voor Bijltjesdag – naar Duitsland, in gezelschap van de ooit zeer linkse, maar zeer rechts geworden Bep Spanjer (foto rechts boven) die zwanger van hem was (terwijl Thijssen al een heel stel kinderen bij zijn geëxalteerd rooms-katholieke vrouw had verwekt).

De Gil
was op het eerste gezicht een door onafhankelijke, Nederlandse journalisten gemaakte krant, maar het was in werkelijkheid een propaganda-blad van de nazi’s.

Het werd tot 15 september 1944 (‘Dolle Dinsdag’) in een oplage van 150.000 exemplaren verspreid en door een bepaald soort humoristen graag gelezen.

Een belangrijk aandeel in de populariteit van de krant had Willem van den Hout, alias Willem Waterman, alias Willy van der Heijde, een doortrapt en lenig auteur, die na de oorlog duizenden opgroeiende jongens met zijn Bob Evers-serie wist in te pakken.

Van deze boeken, met die zo ‘eigentijdse’, spannende avonturen, werden alles bij elkaar ruim vijf miljoen exemplaren verkocht.

Van den Hout, zou je kunnen zeggen, werd wel erg rijk beloond voor de misselijke grappen over joden en het verzet die hij zich in de oorlog mét zijn hoofdredacteur durfde te permitteren.

Een zoon van Louis Thijssen, Felix – later een bekend scenario- en thrillerschrijver – kwam in de jaren zestig op de redactie van Het Centrum werken, nadat hij in Amersfoort bij het Dagblad voor Amersfoort (een kopblad van Het Parool) de rechterhand van de gestaalde anarchist Cajo Brendel was geweest en daarvoor secretaris van de na de oorlog door de ereraad veroordeelde schrijver Albert Kuyle (Louis Kuitenbrouwer). Felix was met de oudste dochter van Kuyle’s broer Henk Kuitenbrouwer getrouwd (op de foto links Louis, rechts Henk Kuitenbrouwer).

JOLLY WEEKEND CAMPING CAR

Aan het eind van de jaren dertig verhuisde het gezin Kuipers – nu met twee kinderen – naar Het Luie Eind. In de Eendstraat en langs de Kromme Rijn werden nieuwe, redelijke ruime burgermanswoningen aangeboden – voor een belachelijk lage huur (en als lokkertje een maand of wat gratis wonen).

Ook de werkplaats verhuisde weer. Ditmaal naar een plek op een stuk grond aan de Draaiweg, tegenover de Sint Joseph-kerk.

Het terrein, eigendom van de rooms-katholieke kerk, lag al een tijdje braak, nadat het een poos in gebruik was geweest als woonwagenkamp.
Kuipers is jaren bezig geweest de grond te kopen. Maar de kerk wou niet, vermoedelijk omdat hij niet katholiek was.


Het Luie End – hoek Gansstraat en Eendstraat in Utrecht.

Pas in 1957 kon hij eigenaar worden. Toen leek het moment aangebroken om een lang gekoesterde droom te verwezenlijken: een fabriek voor de productie van caravans. Met een prototype, de Jolly Weekend Camping Car, werd al reclame gemaakt. Maar een week voordat de bouw van de fabriek kon beginnen, stierf Harm plotseling aan een hartinfarct, 58 jaar oud. Hij was kort tevoren goedgekeurd voor een levensverzekering, maar een polis was er nog niet.

Zijn  broer Wietse, die als smid bij hem in het bedrijf werkte, nam de zaak (en alle lopende schulden) over, met de belofte de weduwe maandelijks een toelage voor haar en haar gezin te verstrekken.

De fabriek werd gebouwd, maar er werd nooit één cent betaald en caravans kwamen er ook niet. Wietse beëindigde het bedrijf, verhuurde het pand en ging, 56 jaar oud, stil leven.
Gebouw en grond in de Utrechtse binnenstad zijn nu vermoedelijk miljoenen waard.

DIFTERIE

Met zijn ouders, broers en zussen (inmiddels zes in getal) kwam K. de oorlog ongehavend door, al ontsnapte hij mét een zus aan de dood door difteritis – waaraan hij slechte ogen overhield (maar zijn zus niet).

Het zwaarst waren de oorlogsjaren voor Mieze Kuipers die vanaf 1939 tot na de bevrijding in grote onzekerheid verkeerde over het lot van haar familieleden in Duitsland. Ze voelde zich bovendien als (Duitse) vreemdelinge in Nederland, de taal nog niet machtig, slecht op haar gemak.


Drie broers Hildebrandt: van links af Bernhard, Willi en Bubi.

Slechts een keer was ze nog thuis geweest, nadat haar broer Bernd (Bernhard) in de oorlog met een vliegtuig, vermoedelijk tijdens een oefening, was neergestort. Hij was Funker, dat wil zeggen radiotelegrafist of marconist. Een tweede broer, Franz Joseph (Bubi), verloor ze toen hij, pas vijftien jaar oud, als Hitlerjungen bij het bombardement van Dresden omkwam. Een derde broer, Willi, raakte zwaar gewond bij de slag om Arnhem. Een zwager verdween in Rusland, een andere kwam ondermijnd van het slagveld bij Leningrad terug en stierf thuis na een slopend ziekbed. Een zus was, bedreigd en misschien verkracht door de Russen – ze zou er nooit over praten – met haar twee kinderen uit Berlijn te voet naar het Ruhrgebied op de vlucht gegaan, innerlijk beschadigd, voor altijd zonder man, en met een zoon die al jong aan de drank ten onder ging. In De werkplaats (2004) heeft K. deze en andere oorlogsherinneringen door mijn levensverhaal gevlochten.

SCHOOL

De vroegere Sint Gregoriusschool, nu Vrije School, in Utrecht

Een jaar na de bevrijding ging K. naar school. Hij trof het – niet alleen met zijn eerste leermeester, de nog jonge frater Roland, Roland Disch (1925) uit Utrecht, maar ook met de plaats van zijn school: het Hiëronymusplantsoen.

Het Hiëronymusplantsoen was een sprookjesachtige enclave in het historische Utrecht, gelegen op een hoogte (of ‘hol’ zoals de volksmond zei) in de romantische singelgordel van Zocher, vlakbij de Dom en de Domkerk, vlakbij Pausdam en de oude ridderveste van de eerste en enige Nederlandse paus – paus Adriaan –  en vlakbij, niet te vergeten, de verblindend witte schouwburg van Dudok, hét symbool van de nieuwe tijd die op het punt stond aan te breken. (Hiernaast K. op zes-jarige leeftijd met zijn zus Toni (8))

De Sint Gregoriusschool was een katholieke school voor jongens, die door de fraters van Utrecht, of beter gezegd: de fraters van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart werd bestierd.

Vader K. – die in tegenstelling tot zijn echtgenote niet katholiek was, en zich zelfs met enige trots een ‘papenhater’ liet noemen – verkoos dit roomse onderwijs boven het openbare omdat, zoals hij het op zijn geheel eigen wijze verwoordde, die zwartrokken niet de zorg voor een gezin hadden en al hun tijd aan de kinderen konden geven…


‘WAARTOE ZIJN
WIJ OP AARDE?’


K., aan de linkerzij van frater Roland Disch. Zittend naast hem de latere topkok Ton Fagel.

Zes jaar lang fietste of wandelde K. met veel plezier naar school. Hij leerde niet alleen rekenen, taal én de catechismus – ‘Waartoe zijn wij op aarde? Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en hiernamaals gelukkig te zijn’ – maar ontdekte ook de sloppen en stegen van het middeleeuwse Utrecht waar menige dronkenlap (of straatslijper) hem de stuipen op het lijf joeg.

In zijn vrije tijd was hij bij zijn vader en diens ‘knechts’ in de werkplaats – waar inmiddels voorbereidingen werden getroffen voor de vervaardiging van de Jolly Weekend Camping Car.

Hij voetbalde bij KDS (de ‘katholieke doodschuppers’), ging ’s zondags in stadion Galgewaard naar DOS kijken en speelde op de gras- en gruisvelden langs de Koningsweg ‘metsies’ met kinderen uit nabijgelegen volksbuurten, zoals de Vogelenbuurt en de Sterrenwijk, waar Wim van Hanegem toen zijn eerste wankele stappen zette.

Na de Sint Gregoriusschool doorliep K. netjes in zes jaar tijd het Sint Bonifaciuslyceum, eerst de onderbouw op de Abstederdijk – toen nog een oord van hoveniers en tuinen –, later de bovenbouw aan de Kromme Nieuwe Gracht.


Vier gym: Op de achterste rij, van links af: Ton Meijer, Ton Pouw, Wim Kuipers, mevr. Van Herten (echtgenote van de leraar Grieks), George Joosten, (?) Willems, Jolly Derks, Wim van der Pol en Fried Leeuwenberg. Daaronder van links af: Gerrie Merkus, Ferdi Lieberwerth, Will Rijnders, Jan van Veen, Kees Verheul, Johnnie Oostveen, Kees van Berkel, Theo Peek, Ton Thier, Ton Simonis, Kees(je) Harderwijk en Paul Smit.

Hier ging de wereld van de geest pas goed voor hem open. En hoewel het Bonifacius een door en door roomse school was, met nog wekelijks een Heilige Mis in de huiskapel, waren vele leraren, misschien mede door de oorlog, alleszins in staat hun kritische en soms zelfs ‘wetenschappelijk verantwoorde’ kijk op de werkelijkheid onder woorden te brengen.

Een van de meest markante gebeurtenissen in de naoorlogse politiek met haar ‘ontzuiling’ was ‘de doorbraak’, de mogelijkheid om als katholiek voor het socialisme te kiezen.

Het idee kwam in de jaren vijftig rechtstreeks het roomse Bonifaciuslyceum binnen door Jef (Joseph Anne Guillaume) Tans, die leraar Frans was, lid van Provinciale Staten en later hoogleraar in Groningen werd.

Door hem viel het licht op zijn broer Jean die in 1954 als katholieke Maastrichtenaar lid van de Tweede Kamer voor de Partij van de Arbeid was geworden en als politicus van de ‘doorbraak’ van zich deed spreken.

De ‘Tansen’ en hun keuze voor de sociaaldemocratie waren op het gymnasium een gespreksonderwerp van belang.

Maar misschien nog meer op de HBS, waar praktisch ingestelde typen als Marcel van Dam wellicht hun kansen op een politieke carrière al berekenden.

Het Bonifacius, in 1922 begonnen met 85 leerlingen, was de eerste gemengde katholieke school in Nederland. In 1970 was het de grootste school van Nederland, met 1725 leerlingen.

‘STRENG DOCH RECHTVAARDIG’

Als het gaat om voor K. invloedrijke leraren, kunnen een paar namen niet ongenoemd blijven. Allereerst was er de historicus Akveld die als conrector de ‘kleintjes’ in de onderbouw al vroeg het beginsel ‘streng doch rechtvaardig’ bijbracht. In de hoogste klassen van het gymnasium was hij een docent van haast universitair niveau die in zijn lessen, nee, in zijn colleges, iedereen dwong mee te denken over Duitsland in de tijd van Bismarck tot Hitler.
Een ander was de breedsprakige, enthousiaste en amusante tekenleraar Jules Jongenelen (links op de foto met een collega tijdens een huldiging), oprichter van het museum Van Speeldoos Tot Pierement, die z’n leerlingen onder het verplicht natekenen van urnen en oude  vazen achteloos wegwijs maakte in de geschiedenis van de Grote Kunst.

Dan was er, voor K. heel belangrijk, de altijd wat verlegen-lacherige, maar ook geestige leraar Duits, Michielsen (‘Monkey’) – grootvader van de dichter Mark Boog – die er het zijne toe bijdroeg dat K. zijn ‘moedertaal’ niet alleen beter ging spreken, maar ook leerde schrijven.

Er waren er meer, zoals de wat verwarde en licht-dromerige neerlandicus Van Leeuwen (‘Pietje Engelenhaar’ foto onder) die hem met de poëzie in aanraking bracht – een zo hevige schok dat K. jarenlang, en zeker nog in zijn begintijd als journalist, meende zo dichterlijk mogelijk te moeten schrijven, ook als hij alleen maar een verslag van een voetbalwedstrijd hoefde te maken.

Ten slotte waren er de classici Van Herten en Kloosterman (oud-linksbuiten van het katholieke Nederlandse voetbalelftal) die hem, precieus de een, ogenschijnlijk onverschillig de ander, de woorden en zinnen van Tacitus, Homerus, Euripides en Sophocles zo grondig en tot vervelens toe lieten uitpluizen dat K. er een niet te verhelpen afwijking aan overhield: zijn verlangen om álles wat geschreven staat te willen doorgronden…

Een idyllisch beeld, zou je zeggen, een té idyllisch beeld, dat er dan ook om vraagt gerelativeerd te worden.

De boze fee was een wiskundeleraar, Van Gils, een reserve-officier met slechte ogen, die zich tegen zijn leerlingen bewapend had met een bijtend sarcasme.
Meteen al in de eerste klas scheidde hij de troep in twee kampen, of zoals hij het zei: ‘Je hebt ze mét en je hebt ze zonder.’
Een middenveld bestond er voor de bijziende houwdegen niet.

Toen K., helemaal twaalf jaar oud, in de eerste klas van het lyceum voor de eerste keer van zijn leven een proefwerk algebra mocht terug ontvangen en, gespannen als hij was, misschien toch wel of niet op een voldoende rekende, sloeg de bliksem in toen zijn naam als eerste klonk.

Kuipers!

Kuipers, dacht hij, hij?

Was hij misschien buiten zijn wil om ver boven zichzelf uitgestegen? Had hij per ongeluk misschien alle sommen goed gemaakt? Had hij een tien, of, vooruit dan, een tien min.

Het juichte in hem. Hij gloeide van trots. Zijn vader zou hem prijzen.

Op dát moment klonk het: ‘Een nul!’

Een nul?

Hij kreeg het proefwerk overhandigd.

Hij zag het mooie, ronde cijfer in rood.

Een nul!

En zo werd hij voortaan ook behandeld. Van Gils zou zes jaar lang zijn wiskundeleraar blijven, maar heeft nooit meer een woord tot hem gericht. Alleen tijdens het eindexamen deed hij zo humaan dat K. zowaar met gemiddeld een voldoende voor wiskunde slaagde.

GRENZELOZE BELEZENHEID

Heel zwaar tilde K. intussen niet aan de kwestie, hoe pijnlijk het ook was als hij aan zijn vader dacht die – zelf nauwelijks geschoold – hem had opgezadeld met het idee dat hij in Delft ingenieur moest worden.

Hij had vrienden die hem hielpen.

Om hem heen straalden een paar wiskunstige sterren van universeel niveau, zoals het genie Theo Peek, een ridder zonder vrees of blaam, die door Van Gils les in les uit op het schild werd geheven. ‘Zegt ú het dan maar, meneer Peek!” (op de foto boven rector Feldbrugge bij zijn zilveren jubileum in 1961)

Theo Peek was een ‘boerenpummel’ uit De Meern die na zijn eindexamen op kosten van de firma Philips in Utrecht wis- en natuurkunde mocht studeren, op voorwaarde dat hij daarna in het ‘nat lab’ – het natuurkundig laboratorium, een vermaarde instelling van het bedrijf – kwam werken. Theo begon er vol overgave met lasers te stoeien, een ingewikkeld lichtspel, waaraan de ‘gloeilampenfabriek in het zuiden des lands’ miljoenen zou verdienen.

Het oude Bonifacius aan de Kromme Nieuwe Gracht. Nu Instituut Schoevers.

Een andere ‘exacte’ steun en toeverlaat was René Dohmen, een jongen uit Limburg die al vroeg zelfstandig op kamers woonde. René gaf hem weliswaar niet zoals Theo Peek praktisch onderricht in het maken van sommen, maar leerde hem door het speels gebruik van een haast kosmische kennis dat er aan de wis- en de natuurkunde, mits intelligent gebruikt, een hoop te beleven viel.

Dohmen verbleef na zijn eindexamen  jaren in Frankrijk, Spanje en Noord-Afrika en bekostigde met het geld dat hij daar verdiende zijn studie biologie. Hij werd docent aan de universiteit van Utrecht en kwam toevallig vlak bij het Wilhelminapark naast prof. dr. Guus Sötemann te wonen die algauw – net als indertijd de vrienden – onder de indruk kwam van Renés grenzeloze belezenheid.

K’s leergierigheid bleef uitgaan naar vakken als Grieks, Latijn, Nederlands, Duits, Engels, Frans en geschiedenis die hem zoveel meer boeiden dan de wiskunde – misschien omdat ze nauwelijks inspanning vergden. Het hielp hem meer zelfvertrouwen te krijgen. Een steun daarbij was zeker ook dat hij op de voetbalvelden in en om Utrecht een geducht pingelaar was en later: de ontdekking dat hij met volleybal nog meer de show kon stelen – wat zeker ook een gevolg was van de belangstelling die zijn gymnastiekleraar Van Welsum voor hem had.

GEKKEN EN PRINSESSEN

Maar verreweg het belangrijkste in die jaren was misschien toch de muzische vorming die K. buiten de verplichte lessen om door het Bonifacius opdeed, het schoolconcert in Tivoli, De vrek van Molière in de Stadsschouwburg, de door Pietje Engelenhaar beheerde schoolbibliotheek – waar wonderen van woordkunst achter grauwe kaftjes bleken schuil te gaan – en de uitstapjes naar het Centraal Museum in de Agnietenstraat, waar ook de gekken (van de Willem Arnsztstichting) woonden.
En alsof dat nog niet genoeg was kwamen er nog een paar, zelden beschreven educatieve factoren bij, zoals de tennislessen van meneer Schepers op de banen van de Utrechtse Lawn Tennis Club, de eindeloze gesprekken met de veelbelovende HBS- en gymnasium-vrienden, de muziek en de sfeer in de jazzkelders onder de Oude Gracht, de ontmoetingen met door het leven gebeukte types in de morsige cafés van de binnenstad en de soms haast zusterlijk-vriendelijke en bijna vanzelfsprekende omgang met de ‘prinsessen van hoge geboorte’ in de klas, een soort meisjes dat aan Het Luie Eind in geen velden of wegen te bekennen was…

Op 13 juni 1958 mocht hij, helemaal zeventien jaar oud (zie foto), het diploma gymnasium alfa uit handen van rector Feldbrugge in ontvangst nemen, Feldbrugge, de man die bij zijn moeder op huisbezoek hemel en aarde had bewogen om K. zijn school te laten afmaken, nadat diens vader (‘de Baas’) het jaar daarvoor onverwacht was gestorven en het gezin in diepe armoede en met schulden beladen had achtergelaten.

Vaderloos als hij was, vertrok K. na een week feesten, vrijwel terstond naar de Heimat, het land van zijn moeder, het stadje Gladbeck in het Ruhrgebied waar neven en nichten, tantes en die twee overgebleven ooms hem altijd weer de beschutting boden waarnaar hij in uren van ledigheid en stille wanhoop kon hunkeren, de beschutting van door het leven, of liever gezegd door het oorlogsgeweld geslagen dierbaren, door en door goede mensen die je nooit, maar dan ook nooit lieten vallen. Hij voelde zich deze keer in Duitsland zo thuis dat hij overwoog voorgoed te blijven, maar toen een vriend in Utrecht hem liet weten dat er bij de plaatselijke, katholieke krant Het Centrum plaats voor twee leerling-journalisten was, besloot hij te solliciteren. Samen met zijn vriend en schoolmakker Ferdi Lieberwerth (foto links) kon hij op 1 september 1958 bij Het Centrum beginnen.

Hij had ervoor gekozen Nederlander te zijn.

Lees verder