De Jaren Van De Krant (2)

 

 

 

 

 

 

 

 

Nadat Bomans (op de foto door Mies Bouwman geïnterviewd) naar Elsevier vertrokken was, kwam in 1952 Gabriël Smit naar de Volkskrant. Hij zou zich vooral met de letteren gaan occuperen, een belangrijke functie, want al waren katholieken gezien hun gebrekkige bijbelonderricht minder in het (geschreven) woord geïnteresseerd dan de protestanten, ze waren wel door het taalgebruik van voormannen als Schaepman vertrouwd met de retorica.

De retoriek (of welsprekendheid) werd een belangrijke vaardigheid geacht waaraan in het onderwijs redelijk veel aandacht werd besteed. Tot diep in de jaren vijftig kregen kinderen in het middelbaar onderwijs het vak ‘apologie’ – waardoor ze leerden zich tegen andersdenkenden te verweren (‘hoe kan Maria nou onbevlekt ontvangen zijn, dat geloof je toch zelf niet?’).

Iemand als de latere premier Van Agt vertoonde er tot het eind van zijn carrière, en zelfs daarna nog, de irritante trekjes van.

Ed van Thijn, die hoogvlieger van de PvdA ten tijde van Joop den Uyl (‘ome Joop’ voor Van Agt), bleek er in elk geval niet tegen opgewassen te zijn.

Maar ook bij katholieke politici als Hans van Mierlo en Marcel van Dam vind je het terug.

Voor katholieken was het woord niet zozeer vlees geworden alswel ‘klank’: ze praatten, ze zongen en ze spraken, en het gaat wellicht niet te ver om te veronderstellen dat ze die voorkeur al vroeg in de zondagse eredienst opdeden.

Wie op grond hiervan een roomse hiërarchie der kunsten wil voorstellen, komt haast vanzelf tot de conclusie dat muziek de eerste plaats innam – niet te verwonderen als je bedenkt hoeveel ongehoorde muzikale schoonheid door diepgelovige katholieken is voortgebracht – en literatuur de tweede.

Theater daarentegen, dat toch beide factoren, woord en klank, in zich verenigt, kreeg een veel lagere waardering, vermoedelijk omdat op toneel dingen vaak zo lichamelijk getóónd werden (kussen, omhelzingen, betastingen) en dat was eng, maar met deze constatering zijn we ver afgedwaald van de ware, roomse kunst en terechtgekomen in de poel van benepenheid die de clerus, als een betuttelende schoonmoeder, volwassen boeren, burgers en buitenlui waagde op te leggen.

Een medium als film bijvoorbeeld, dat met zijn visuele invloed aansloot bij het theater en in zekere zin in het verlengde daarvan ligt, viel voor jongere katholieken niet lang meer in toom te houden, al werd het met een speciale keuring, speciale theaters en speciale voorstellingen (op zaterdagavond in het parochiehuis, waar – het mes sneed aan twee kanten – tegelijkertijd nieuwe roomse bevruchtingen konden worden geïnitieerd) nog tot in de jaren zestig geprobeerd.

Bob Bertina, de filmredacteur van de Volkskrant onder Lücker, heeft nog vaak moeten benadrukken hoe vies en voos bepaalde films voor de gelovige katholiek waren, al moet hij ook geweten hebben dat het meesterwerken waren.

De katholieke moraal en het esthetische ideaal spoorden niet in zulke ethisch geïnfecteerde breinen en iedereen die in of na de oorlog geboren was voelde dat met z’n klompen aan.

Katholieke kunst: ze moest mooi en zuiver zijn, de geest verheffen, maar de wreedheden, het vuil en de stront die na de oorlog mét het existentialisme de kop opstaken – daarbij pasten een schietgebed, een kruisteken en een gesmoord ‘satan verdwijn’.

Kunst was een ernstige vrijetijdsbesteding tot stichting ende vermaak.

GABRIËL SMIT

Dat Gabriël Smit ook bij  de Volkskrant kwam te werken was vreemd, want anders dan Bomans was hij in de oorlog behoorlijk fout geweest. Lücker betuigde zich bij andere gelegenheden nogal gevoelig op dit punt, want toen Radboud Kuitenbrouwer,  een zoon van Albert Kuyle, kwam solliciteren, kreeg hij te horen dat hij in elk geval zijn naam moest veranderen. Radboud (op de foto van Wim Ruigrok, rechts, aan het steen) werd opmaakredacteur bij de Volkskrant voordat hij overstapte naar Elsevier.
Smit was van-huis-uit oud-katholiek, maar bekeerde zich tot het rooms-katholicisme. Hij was in 1910 in Utrecht geboren, werkte bij verschillende kranten in Utrecht en Hilversum (De Gooi- en Eemlander) en debuteerde jong als dichter.

Hij was van meet af aan betrokken bij ‘het tijdschrift voor katholieke reconstructie’, De Gemeenschap, dat door Henk en Louis Kuitenbrouwer (Albert Kuyle) werd opgericht.

Na de ruzie die in 1933 in de redactie ontstond, ging hij met de gebroeders Kuitenbrouwer mee naar De Nieuwe Gemeenschap totdat de schrijver en journalist Den Doolaard (pseudoniem van Bob Spoelstra) met het blad brak vanwege zijn antisemitische toon en Smit hem volgde.

In de oorlog werkte Smit bij Het Spectrum. Hij werd lid van de Kultuurkamer en aanvaardde voor dit instituut van de moffen – waarvan je als kunstenaar lid moest zijn om je beroep te kunnen uitoefenen – de bijzondere positie van ‘correspondent’, een ander woord voor ‘aangever’. Een correspondent lichtte de moffen in over doen en laten van collega’s. In de DDR deden zulke mensen dat voor de Stasi.

K. wist hoe pijnlijk deze kwestie voor zijn schoonvader was omdat diens broer na de Bevrijding door de  Ereraad – onder voorzitterschap van de schrijver (en jurist) Bordewijk – een schrijfverbod opgelegd had gekregen. Anderen die in zijn ogen minstens zulke kwalijke dingen hadden gezegd als Kuyle en wat meer zegt: hadden gedáán (ze hadden mensen verraden!) waren de dans ontsprongen.

Daarmee doelde hij zonder zijn naam te noemen op Gabriël Smit die hij al zo lang kende en als vriend over de vloer had gehad.
Hij weigerde er verder over te praten en toen K. hem vroeg het dan op te schrijven – voor het nageslacht – zei hij dat hij dat niet kon.
Om allerlei redenen, maar een ervan was, zo maakte K. uit zijn adstructie op, dat hij geen verraad wilde plegen, niet ten opzichte van Gabriël Smit, maar ook niet ten opzichte van zijn broer, die dan wel van alles verkeerd had gedaan, maar de vuile was, nee, die hing je niet buiten.

Later heeft K. het er nog weleens met Herman Pijfers over gehad, die het jammer vond dat Henk Kuitenbrouwer zijn herinneringen niet te boek had willen stellen. Hij zou ze graag hebben uitgegeven, zoals hij in 1967 ook de memoires van de voormalige Twentse katholiek Gerard Vanter – Gerard Johannes Marinus van het Reve (1892-1975), de vader van Karel en Gerard  – had uitgegeven: Mijn rode jaren. Herinneringen van een ex-bolsjewiek.

De geslotenheid waarmee K. daar in dat Tuindorpse huis te Utrecht te maken kreeg, was toen, en niet alleen in katholieke families, het gewapende beton onder de zuilen.

Van linksaf Gabriël Smit, Godfried Bomans, Edmond Nicolas en Charles Nypels op 21 oktober 1941 in het Parkhotel te Amsterdam voor overleg over het vertalen van Charles Dickens.
Van linksaf Gabriël Smit, Godfried Bomans, Edmond Nicolas en Charles Nypels op 21 oktober 1941 in het Parkhotel te Amsterdam voor overleg over het vertalen van Charles Dickens.

 

En toch was Gabriël Smit  een aardige man.

K. leerde hem in 1980 bij de Volkskrant kennen omdat de oude bard nog weleens een sigaretje kwam roken op de redactie. Smit had altijd wel een vriendelijk woord voor je en was überhaupt een van de weinigen die iets bemoedigends zeiden over wat je geschreven had – wat in de journalistiek heel ongebruikelijk is.

K. begon het zich, nu hij deze oude collega had leren kennen, kwalijk te nemen dat hij de poëzie van Gabriël Smit nauwelijks tot zich had genomen. Zelfs het jaarlijkse Kerstgedicht op de voorpagina van de krant liet hij vaak ongelezen.

Hij huiverde voor ‘het katholieke’ in die gedichten dat hij als een onaanvaardbare beperking van de poëzie ervoer, en zelfs een aantasting ervan – alsof je van een gedicht een religieuze boodschap maakt. Het gevoel dat Smits dichterschap opriep, kwam in verhevigde mate ook over hem  bij de voormalige jezuïet Huub Oosterhuis  – wiens poëzie bij Ambo zo goed verkocht dat mede daardoor zijn eigen Basisboeken konden worden uitgegeven, zoals Herman Pijfers hem een keer fijntjes liet weten.
In het geval van Smit was er sprake van een vergissing. De man was wel degelijk een poëet in de ware zin des woords, en geen priester. Hij heeft, om met Vestdijk te spreken, alleen nooit voor het talent durven kiezen. Zijn eigen talent. Hij bleef zijn leven lang op andermans genie meedrijven.

Toch is K. Smits werk uiteindeijk om een aantal, ook niet-literaire redenen gaan lezen. Een ervan was de gevoelige tik die hij van Theo Sontrop (foto) kreeg, in die dagen de gevreesde directeur van De Arbeiderspers, en de baas van de in literair opzicht zwaar gestoorde Martin Ros, een genie in borstklopperij en achterklap – kwaliteiten die hij met zijn vriend Martin van Amerongen van Vrij Nederland deelde.

K. herinnert zich als de dag van gisteren dat Sontrop op de Frankfurter Buchmesse in de stand van Ambo kwam kennismaken. Het verbaasde hem dat hij toen naar nieuw werk van Gabriël Smit vroeg (nadat hij van de gelegenheid gebruik had gemaakt om de vraag op te werpen waarom die Amboboeken toch zo ongelooflijk lelijk waren).K. antwoordde arrogant dat hij in het werk van Smit, die katholiek, helemaal niet geïnteresseerd was en dat schoot de beroemde uitgever in het verkeerde keelgat. IJzig sprak hij: Het is poëzie, vriend!

Die uitspraak maakte indruk, vooral omdat  K. wist wie het zei. Hij kende Sontrop al enigszins, hoewel hij hem niet eerder had ontmoet. Sontrop was een katholieke jongen uit Utrecht. Hij had op het Catharijnesingel gewoond, vlak bij de Sint Martinuskerk. Zijn vader had een schildersbedrijf. Theo Sontrop had net als K. op het Bonifaciuslyceum gezeten en daar een reputatie van genialiteit achtergelaten omdat hij consequent had geweigerd examen in de exacte vakken te doen, maar niettemin (met dispensatie) was geslaagd omdat hij voor alle talen een ‘tien’ had. Daarna ging hij Frans studeren.

Sontrop was ook dichter.

Hoe bijzonder zijn werk was, had zich lang aan de waarneming van K. onttrokken, maar toen aan het eind van de vorige eeuw bij Meulenhoff het verzameld werk verscheen, wist hij dat je daar van alles over kon zeggen – ‘geconstrueerd’, ‘bedacht’, ‘taalexercities’ – maar niet dat deze stronteigenwijze dwarsligger geen talent had.

Voor zijn vrienden heeft hij veel gedaan. Als uitgever in Amsterdam tilde hij Utrechtse kunstenaars als William (later: Dirkje) Kuik, Peter Vos en Alain Teister (Jacques Boersma) naar het hoogste plateau van de vaderlandse roem en daarmee maakte hij nog iets anders duidelijk dan dat er in de provincie vaak meer  talent schuilgaat dan in Amsterdam: hij maakte zichtbaar hoe jongere katholieken – degenen die in en na de oorlog volwassen waren geworden – mijlenver verwijderd waren geraakt van het vooroorlogse benepen, clericale denken en een verlichte progressiviteit aan de dag legden die meer en meer ook de kolommen van de Volkskrant binnensloop. Die ontwikkeling liet ook Gabriël Smit niet onberoerd  – al was dat voor sommigen weer aanleiding om te zeggen dat hij met alle winden meewoei.

Tussen De Arbeiderspers en de Volkskrant zou het overigens, merkwaardigerwijs, nooit boteren. Niet tussen Kees Fens en Sontrop (en diens kwalijke paladijn Ros), maar ook niet tussen de burger Blokker en die twee ‘roomse misdienaars’ zoals hij ze beliefde te noemen.


Utrecht revisited

Waar waren de dagen van Bonifacius,
dacht ik.
De dagen dat hij in Dokkum
een kopje kleiner gemaakt werd, vroeg de vriendin
van de laatste jaren, het laatste in bed –

nee, nee, de dagen van strafwerk en herfst,
de doodstille morgens, kwart over acht,
slenterend onder kastanjebomen, althans,
zo staan ze in mijn herinnering, langs
de verdomde Kromme en Nieuwe Gracht;
lyceum over het water
vol thema’s en algebra, Tacitus, Plato,
stemmen van leraren, geur van schoolbord, de geur
van het ene meisje – en onvoldoendes
voor alles en iedereen.

In de winter de ijsbaan aan de Johannapolder.
De ijsbaan, vroeg ze, waar Schenk z’n records reed?
Nee, nee, de dagen van Friese schaatsen,
toen niemand kon rijden, behalve
het ene meisje, dat ook met de knappere jongen
uit de nog hogere klas voor me uitliep;
en had ik soms iemand om uit te leggen
dat je nu net zo goed dood kon?

En ’s avonds, twee vrienden, gedichten onder de arm,
op weg naar het Paushuis.
Een voetreis naar Rome? vroeg ze.
Nee nee, de gracht waar Marsman gewoond had,
en later reed ik dan langs het huis
van het meisje, haar kamer bleef donker,
en onvoldoendes voor alles en iedereen.

Kom terug uit die stad. Ben je zielig? vroeg ze.
Nee nee, ja ja, maar ik weet bijna alles:
de kamer van Marsman,  Tacitus, schaatsen,
waarom iedereen iedereen alleen heeft gelaten,
en dat ik op avonden zonder jou
dat meisje weer hoorde praten –

En later keek ze me aan, de vrouw van vandaag,
en al bijna gisteren, en ik zag wel
wat er ontbrak: haar ogen
gaven me onvoldoende. Vluchten dus,
net als toen, gepakt
en gezakt.

(voor Theo Sontrop)
Alain Teister: Utrecht revisited.

De katholieke lijn, die de neiging begon te vertonen tot breuken en breukjes, hier en daar, bleef niet alleen in de letteren, maar ook op andere terrein van de kunst nog lang de enig zichtbare lijn, al veranderde de toonzetting.

Onder Ad Odijk, de voorganger van Jan Paul Bresser en de man die als eerste tegen Lücker opstond – en daarmee bewees dat kunst vroeg of laat altijd weer gevaarlijk blijkt voor tirannen – waren de scheurtjes al zichtbaar, maar de facto bleven medewerkers als Kees Fens en Lambert Tegenbosch een katholiek gezicht tonen.
Daniël de Lange daarentegen, ook een man van de oude katholieke stempel, getuigde er al vroeg van dat het roomse tij gekeerd diende te worden.

 

 

 

 

 

 

 

Godfried Bomans schaakt op 25 september 1965 bij de opening van het nieuwe Volkskrantgebouw in de Wibautstraat met parlementair redacteur Jan Joost Lindner. De redacteuren Theo Uittenboogaard en Ad Bevers kijken toe. Achter hen, van links af, Cees Nooteboom, Liesbeth List, Bob Bertina en Lambert Tegenbosch. Foto uit ‘Adieu Wibautstraat’. Hieronder hoofdredacteur Jan van der Pluijm, met hoed, aan het steen met Jos Sterk, chef nachtredactie.

 

Voor zover het de literatuur betrof was Kees Fens dé man van de Volkskrant. Het was nog de tijd van die ene recensent die de toon zette (al waren er voor de andere talen uiteraard mede-recensenten).

Het was een opzienbarende gebeurtenis, in 1969, toen Kees Fens van De Tijd overstapte naar de Volkskrant.

Achteraf gezien kun je zeggen dat die stap voor Fens een verandering van sfeer betekende die hij nooit helemaal heeft kunnen verwerken. Bij de Volkskrant heeft hij zich nooit meer zo thuis gevoeld als bij De Tijd, waar met vaardige journalisten als Herman van Run en Ben Kroon een vorm van journalistieke elegantie werd beoefend – die Fens vooral ook in zijn Britse gentleman’s outfit tot uitdrukking trachtte te brengen – waarvoor bij de Volkskrant het zintuig ontbrak: daar bleef de pen (of de schrijfmachine, en later de tekstverwerker) door knuisten bediend die genetisch gezien nog hamer en sikkel hadden gehanteerd. ‘Zuur’ was dientengevolge in de ogen van de gezeten burger de toon van deze strijdbare geesten.

Kees Fens was anders dan Smit niet in vaste dienst bij de krant. Hij was leraar, eerst op een middelbare school, later aan de Frederik Müller Academie – de opleiding voor het boekenvak – en hij bemoeide zich daarom niet met het maken van de krant waarvan hij ook absoluut geen verstand had (als je hem om zijn eruditie weleens wat vroeg, was zijn standaardantwoord dat je The Times Literary Supplement voor ogen moest houden).Het was minder een bruikbaar advies dan een veelzeggende uitspraak voor Kees Fens, die te veel met zijn eigen loopbaan bezig was dan dat hij zich in bijzaken als een krant kon verliezen.

Kees Fens regisseerde zijn eigen carrière strakker dan Godfried Bomans die zich nog weleens in algemene zin met maatschappelijke kwesties wilde inlaten, Fens niet.
Fens bleef ook tot het laatst katholiek, terwijl Bomans – in een bepaald opzicht zijn grote voorbeeld – geleidelijk aan de meedogenloze domheid van het instituut begon in te zien, de tijd waarin hij begon te wankelen, en ten slotte, wereldberoemd in Nederland, viel.