De Jaren Van De Krant (1)

HET LEVENSVERHAAL VAN WILLEM KUIPERS – DEEL 3
DOOR WYTZE BENNER


Ontzaglijk beurt de dom
Zijn rijk omkransten toren,
Die straks in het zonlicht glom;
Kan niets mij dan bekoren
Is ook het schoone stom?
Iets ruischt er in mijn ooren,
Iets is er in de lucht,
Zoo zoel en onbewogen,
Dat tranen drijft in de oogen
En uit het hart een zucht.

H. SCHAEPMAN: Zucht naar het vaderland.


ET CENTRUM was in die jaren nog steeds in zekere zin ‘de krant van Schaepman’, zo genoemd naar de man die als eerste dit dagblad zijn reputatie had geschonken. Herman J.A.M. Schaepman (1844-1903) was een dichter (‘Aan U, o Koning der eeuwen’), redenaar en levensgenieter die na zijn priesterwijding in Rome theologie had gestudeerd en daar was gepromoveerd.

In 1880 werd hij lid van de Tweede Kamer waar hij met groot redenaarstalent zijn ideeën over democratie en christendom uitdroeg – een voor rooms-katholieken nog lang verboden gebleven melange.

Uitzonderlijk was ook dat hij, als katholiek priester, samenwerking met de antirevolutionairen van Abraham Kuyper voorstond.

In 1883 bereidde hij met Een katholieke partij. Proeve van een program de vorming van de latere Rooms-Katholieke Staatspartij voor.

Schaepman (foto) gebruikte Het Centrum om zijn denkbeelden omtrent democratie en christendom onder de werkende bevolking te verspreiden, want dat was steeds het ideaal van de ‘doctor’ geweest: de verheffing van de rooms-katholieke arbeider uit zijn nietswaardigheid die overigens toen ook voor andere katholieken gold, want het dominante calvinisme heeft lang geweigerd ‘die roomsen’ als fatsoenlijke staatsburgers te erkennen en liet ze ijzig in hun eigen vet gaar smoren.

Mede door toedoen van Schaepman werd Het Centrum – in 1884 opgericht door C.L. Langendam, een zoon van de man die in Nijmegen met De Gelderlander was begonnen – algauw een krant die voor- en tegenstanders politiek serieus moesten nemen, in toenemende mate nadat een stel Amsterdamse zakenlui eigenaar was geworden.

Zij maakten een landelijke krant van Het Centrum, de tweede van katholieke signatuur na De Tijd.

De rooms-katholieke historicus L.Rogier – vader van de vroeg overleden Vrij Nederland-journalist Jan Rogier – oordeelt in het boek Katholieke herleving. Geschiedenis van katholiek Nederland sinds 1853 over Schaepman als volgt: ‘Het katholieke volk verlost te hebben uit de impasse van conservatieve impotentie, is Schaepmans grootste verdienste. Hij heeft de vestingwallen van ons ultramontaans isolement afgebroken en had de moed desnoods alleen te staan als mikpunt van verdachtmaking en belediging, krenking in wat elke katholiek en in het bijzonder een priester het gevoeligst punt moet zijn: de rechtzinnigheid van zijn geloof. Deze grote man heeft moeten sterven, alvorens erkend te worden als de katholieke emancipator, als hoedanig hij altijd zal leven in het verhaal van onze weder-geboorte.’

Veel later, In de jaren dertig van de twintigste eeuw, raakte de naam Schaepman opnieuw met Het Centrum verbonden. Toen werd een neef van de grote Schaepman, de militair Th.F.M.Schaepman, die voor de Rooms-katholieke Staatspartij in de Tweede Kamer zat, politiek hoofdredacteur van de krant. Hij zou dat tot november 1937 blijven.

In de jaren vijftig had Het Centrum veel, zo niet alles van de glorie in Schaepmans tijd verloren. Het was een kleine provinciale krant geworden – gevestigd in het pand van drukkerij Lumax in Het Ondiep – die alleen door trouwe katholieken ter plaatse nog werd gelezen.

 

DE KOP DIE ALDERT WITTE VOOR HET CENTRUM ONTWIERP

In Utrecht bestonden toen vijf kranten en zogenoemde ‘kopbladen’ – plaatselijke edities van landelijke kranten. Het waren het Utrechts Nieuwsblad, het Nieuw Utrechts Dagblad (Het Parool), Trouw, Het Vrije Volk en Het Centrum. Bovendien hadden alle landelijke kranten een eigen correspondent in Utrecht. Het was dan ook heel normaal dat als je ’s morgens om negen uur op het hoofdbureau van politie aan het Paardenveld  kwam informeren naar de plaatselijke misdaden en ongelukken, je rond de gezellig koutende ‘brigges’ Cees van Dorpe een doorrookt gezelschap van wel zo’n tien verslaggevers aantrof.

Al die kranten werden geacht elkaar vliegen af te vangen, maar in feite was dat flauwekul, want het Utrechts Nieuwsblad was onbetwist de grootste en machtigste krant, met de meeste ruimte, een omvangrijke redactie en aanhangers in de hoogste kringen – wat de krant onnoemelijk veel privileges opleverde.

Ook Het Centrum leek door zijn volledige redactie die zelf al het nieuws uit binnen- en buitenland verwerkte in die categorie te vallen, maar de krant was veel kleiner, had veel minder geld en had als belangrijkste nadeel dat ze alleen door katholieken werd gelezen (die in toenemende mate het lef hadden om voor hun roomse krant te bedanken en het Utrechts Nieuwsblad te nemen).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


DECEMBER 1959 INTERVIEWDE K. DE INTERNATIONAL TONNY VAN DER LINDEN VAN DOS

De concurrentie was een spel dat zich toch vooral voor het eigen genoegen van de afzonderlijke redacteuren en verslaggevers in de beperkte ruimte van het stadsnieuws afspeelde, maar daarom was het niet vrijblijvend. Het was een leerschool, misschien de beste die er is, met ‘tegenspelers’ als Jan Kuijk en Cisca Dresselhuis (Trouw), Jan de Vos, Lucy Polak en Philip Freriks, die nog eindexamen hbs-a moest doen wat er geloof ik nooit van gekomen is (Het Vrije Volk), Dick Seip, Carlo Nagel en Sytze van der Zee (NUD) en Dirk de Moor, Bernard Martens van Vliet en Marian Bierenbroodspot (Utrechts Nieuwsblad).

Wat zij toen niet wisten en ook niet konden weten, was dat de lokale pers zich al in een terminaal stadium bevond.

Begin jaren zeventig waren de meeste van de genoemde kranten en plaatselijke edities ter ziele.

Dat Het Centrum soms een slagje won in die geestdriftig gestreden ‘kranten-oorlog’ van toen, kon misschien op het conto van chef-redacteur Kees van der Knaap geschreven worden, die een neus had voor journalistieke kwaliteit en namens de toenmalige directeur-hoofdredacteur J.P.van Vonderen zijn aanwinsten in die (nog goede) tijd vooral opviste uit de vijver met talent die het Sint Bonifaciuslyceum heette (de school waarop ook alle kinderen van de hoofdredacteur zaten of hadden gezeten).

Er waren nauwe banden tussen de school en de katholieke krant ter plaatse. Een opleiding tot journalist bestond nog niet. Wie als katholieke HBS’er of gymnasiast de aanvechting had om journalist te worden, kon het vak alleen in de praktijk bij Het Centrum leren. Het leverde telkens weer ‘grote namen’ op die als voorbeeld konden dienen en ook een richting aangaven: vroeg of laat moest je uitwijken naar Amsterdam (of desnoods naar Rotterdam, waar toen nog het Algemeen Dagblad en De Maasbode aanzien genoten).

Voor K. was zo’n naam Arie Kuiper (foto), ook een oud-Bonifaciaan, een man die zijn vak in de volle overtuiging van zijn katholieke levensbeschouwing uitoefende, maar je de kritiek niet spaarde als zinnen krom, gedachten onhelder, of koppen slordig uitgeteld waren. Kuiper ging in de jaren zestig naar De Tijd en werd later, nadat de krant weekblad was geworden, hoofdredacteur.

Een ander voorbeeld voor K. was in die beginjaren Henk Huurdeman (foto), een voortreffelijk stilist en kommaneuker bijna, die via Panorama naar de Volkskrant ging en daar als adjunct-hoofdredacteur de pensioenleeftijd bereikte.

Henk Huurdeman had overigens niet op het Bonifacius gezeten, hij kwam uit Amersfoort en had de middelbare school niet afgemaakt – in die tijd spon de journalistiek soms meer garen bij (goedkoop) talent dan bij (dure) diploma’s….

 

VRIJHEIDSBEROVING

Na twee jaar journalistieke arbeid, in Utrecht én de provincie, moest K. – hoewel hij na de dood van zijn vader officieel ‘kostwinner’ was geworden – zich melden voor militaire dienst. Hij werd als rekruut (foto achterste rij, derde van rechts) bij de luchtdoelartillerie in Ossendrecht (de afdeling ‘Kornwerderzand’) twee maanden lang getraind in het doden van mensen (‘de vijand’) en mocht na de verplichte proeven dienaangaande te hebben afgelegd naar de kaderschool van de veldartillerie in Breda.

Halverwege 1961 ging hij vandaar – met een straf van ‘veertien dagen verzwaard arrest’ omdat hij weer eens geweigerd had ’s morgens om zes uur op te staan – naar een afdeling 155 mm houwitsers in Ede waar hij zijn tijd als wachtmeester-verkenner zou uitzitten.

Met veel drank, geduld en sportbeoefening slaagde K. erin hare majesteits wapenrok van 1960-1962 te verdragen.

Ook een cursus Russisch hielp.

Maar belangrijker nog was de samenwerking met Adriaan Ditvoorst, een jongen uit Bergen op Zoom die zich bij ‘de parate troep’ het mooie baantje van (titulair) ‘welzijnsofficier’ had verworven.

De functie hield in dat Ditvoorst de landerige veldartilleristen in Ede van tijd tot tijd wat verstrooiing moest verschaffen. Geen onderbroekenlol of drankgelagen, oh, nee, daarvoor had Adriaan te verheven ideeën. Hij wilde méér, en het lukte hem inderdaad een paar keer avondvullende toneelvoorstellingen te ensceneren waaraan tal van manschappen meededen en waarvoor hijzelf álle voorbereidingen trof (inclusief het binnen de poorten lokken van zoveel mogelijk willig vrouwvolk uit de verpleeghuizen, inrichtingen, internaten en klinieken waarmee de bossen rond de legerplaats waren doorschoten).

K. hielp Adriaan bij het schilderen van de decors en dat maakte iets in hem los, waarnaar hij nog vaak zou terugverlangen.

Nog in dienst bezocht Adriaan Ditvoorst al de filmacademie in Amsterdam. In 1967 zagen K. en D. elkaar voor het eerst in vijf jaar weer bij de première van Ik kom wat later naar Madra, en nóg een keer een jaar later bij de première van Paranoia naar de novelle van W. F. Hermans aan wie K. door Adriaan werd voorgesteld als aan een oude, vriendelijke oom.

Daarna had K. nog één keer contact met zijn oude wapenbroeder. Dat was ergens in de jaren tachtig. De aanleiding was een recensie van K. in de Volkskrant over een nieuw deel van Adri van der Heijden in zijn reeks De Tandeloze Tijd.

Ditvoorst was door het stuk zo enthousiast over het boek geworden dat hij het per se wilde verfilmen. Opgewonden zei hij nog diezelfde dag achter de rechten aan te gaan…

Kort daarna, in 1987, is hij in de buurt van Bergen op Zoom de Schelde ingelopen.

Aan het leven van een uiterst talentvol, zeer gevoelig en buitengewoon intelligent filmer was een eind gekomen – een oorlogskind, net als K., en allebei bewonderaars van W.F.Hermans.

Toch was het niet de oorlog die hen met Hermans verbond – dat was het voor hen in die tijd nog pas schoorvoetend betreden drijfzand van het surrealisme.

 

HET GELE GEVAAR

Geestdodend’ is het woord waarmee zo’n verplichte diensttijd misschien nog het meest wordt getypeerd. Geestdodend, ja. Wie dat woord aan den lijve heeft ervaren, zal nooit meer met een onaangetaste opgewektheid het leven tegemoet treden. Verveling is een dodelijk virus dat zich mét de geur van de fourier in je gevechtspak nestelt en gaandeweg als een leger teken je meest kwetsbare onderdelen schendt.

Geestdodend, de geest dodend.

Dode geest.

Wat er in de praktijk van beklijft is de ontwikkeling van je talent tot lijdelijk verzet – een loodzware lamlendigheid die het laatste restje fut en moraal uit je lijf perst en erom smeekt zich door kan niet schelen wat te laten verdrijven…

K. naderde het punt van desertie – of van de waanzin waarvoor het leger in Austerlitz ruimte had gereserveerd, zijn vriend Dohmen kon erover meepraten – toen ze in 1961 te horen kregen dat ze drie maanden langer moesten dienen.

Drie maanden!

Terwijl het aftellen al was begonnen!

Oorzaak van deze krankzinnige vrijheidsberoving was de Koude Oorlog, die voor de zoveelste maal op kookpunt dreigde te geraken, nadat de verschoten rode leiders in de DDR de bouw van een muur hadden verordineerd, die in de nacht van 12 op 13 augustus 1961 begon: de Berlijnse Muur, die zoveel levens zou vergen en al spoedig het symbool werd van een politieke geborneerdheid die in de geschiedenis zijn weerga niet had.

Voor onze Haagse ‘beleidsmakers’, en niet te vergeten de NAVO, was het eeuwig dreigende ‘gevaar uit het Oosten’ plotseling zo acuut geworden dat alle dienstplichtigen langer onder de wapenen moesten blijven.

Hoe iets dergelijks in de praktijk verloopt mocht K. (rechts op de foto met een collega-wachtmeester)  buiten Nederland, in La Courtine, beleven waar hij zich toen met honderd anderen als ‘kwartiermaker’ bevond.

Zoals elk jaar zou daar, op die Franse hoogvlakte met zijn duizend bronnen, een heel legerkorps komen oefenen, maar door alle consternatie in Den Haag was onduidelijk wat de kwartiermakers waartoe K. behoorde, te doen stond.

Kwam de vaderlandse armee nu wel of niet naar Frankrijk?

De Hollandse commandant in La Courtine, een kolonel, was aan grote twijfel ten prooi. Handenwringend vroeg hij zich af of ze niet meteen rechtsomkeert moesten maken. Of moesten ze blijven? Moest hij op nadere orders wachten? Totdat een dienstplichtige korporaal die een paar jaar had bijgetekend en deze besluiteloosheid beu was, opmerkte: ‘Maar waarom bel je dan niet effe met Den Haag, man?’

Ze konden blijven en hadden een maand vakantie in de zonnige Corrèze, niets om handen, voertuigen te over, en de stilte van het Franse platteland als balsem voor de ziel.

 

TERUG NAAR DE KRANT

Maar hoe vertraagd ook, het moment van de herwonnen vrijheid naderde, ook voor K. Sommigen, zoals Adriaan Ditvoorst, namen daarop al een voorschot door zich als militair al in hun vrije tijd bij hun werkgever te melden. Ditvoorst ging naar de Filmacademie in Amsterdam, toen onder leiding van Anton Koolhaas.

K. wilde terug naar de krant.

Die was, zo bleek toen hij op onderzoek uitging, weer eens in andere handen overgegaan. Redactie en technisch bedrijf waren van Het Ondiep naar de Kromme Nieuwe Gracht verhuisd, dicht bij zijn oude scholen – een hele verbetering – en K. verheugde zich erop weer als verslaggever op avontuur te kunnen gaan en achter zijn schrijfmachine plaats te nemen.

Toen het drie maanden later dan eindelijk zo ver was, gewerd hem kort daarop een ‘dienstbevel’ uit Den Haag dat hij zich voor ‘herhalingsoefeningen’ in Breda moest melden. Geladen keerde hij op de aangegeven datum naar het leger terug. Uit protest tegen deze nieuwe vrijheidsberoving had hij een Fidel Castro-achtige baard laten staan en vatte hij het plan op, met de vechtpet diep in de ogen en een forse havana tussen de lippen, zijn manschappen tot muiterij aan te zetten.

Maar zo ver kwam het niet. Voordat hij het doorhad, was hij alweer onderdeel van de olijfgroene legermachinerie en scheurde hij opnieuw in een jeep over de met granaten doorploegde schiethei van Oldebroek waar de houwitsers al jaren hun maankraters in het stuifzand sloegen.

Hij realiseerde zich pas een paar dagen later waar hij – ondanks zijn innerlijke dwarsliggerij – mee bezig was toen hij op een dag rustig wandelend op een bospad Willem Brakman tegenkwam (op de foto links), de dokter van hun onderdeel, die het jaar daarvoor, in 1961, zijn eerste roman, Een winterreis, had gepubliceerd.

Vanaf dat moment was het met B. ’s avonds rond de gamellen goed lachen om al dat vaderlandse wapengekletter.

Dankzij hún oplettendheid, wist ‘dok’ Brakman ze te vertellen, liep het die lui in het Kremlin nu al dun door de broek…

Maar je speelt niet straffeloos met vuur.

In De werkplaats herinner ik me de twee dodelijke slachtoffers uit zijn diensttijd – de keerzijde van alle dienstplichtige  oubolligheid…

De grollen en grappen waarmee K. na zijn ontmoeting met Willem Brakman (zie foto van Johan Ghijsels) zijn meerderen – onder wie een kapitein van het voormalige Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger – provoceerde, betekenden het einde van zijn militaire loopbaan. Hij hoefde nooit meer op herhaling.

OTTO VAN REES

Voor de tweede maal weergekeerd van het front werd K. bij Het Centrum verslaggever op de stadsredactie en een tijdlang chef van die redactie. In die hoedanigheid werd hij geacht de gemeenteraad te doen, dat wil zeggen de plaatselijke politiek op de voet te volgen.

Het betekende dat hij heel direct en intens betrokken raakte bij de verwoestende ingreep in zijn stad die het plan-Hoog Catharijne was. Burgemeester en wethouders, maar vooral ook de gemeenteraad waren als was in de handen van de machtige rooms-katholieke projectontwikkelaar Bredero.

Een van diens acht kinderen was een heel vervelende geschiedenisleraar op het Bonifacius-lyceum geweest. Bij het minste en geringste strafte hij zijn leerlingen door ze een heel lesuur lang stukken uit zijn proefschrift-in-wording over Bernardus van Clairvaux over te laten schrijven.

Van links af: Trudy Pouw (Geertje Bos), Henk Bos, Hans van Echtelt, Liesbeth Kuitenbrouwer en K. in 1967.

Gelukkig biedt de journalistiek – de grootste charme van het vak – allerlei uitjes, zoals in het geval van K. het wekelijkse bioscoopbezoek waarmee de filmredacteur Henk Bos hem een plezier dacht te doen (als de stukjes die geschreven moesten worden maar heel kort waren).

K. raakte algauw zeer gesteld op Bos (en zijn ook op de stadsredactie werkzame vriendin Trudy Pouw, de dochter van de administrateur van het Sint Bonifacius-lyceum), omdat deze Groningse zoon van een in de oorlog foute vader een reusachtig, oersterk lichaam (en grote rode baard) paarde aan een buitengewoon zacht en zeer intelligent gemoed.

Bos had in Korea gevochten en heeft daar jaren later nog een film over gemaakt, met Ron Brandsteder in de hoofdrol.

Bos raakte goed bevriend met Huub Bals, die in die tijd bedrijfsleider was bij de familie Wolff in de Utrechtse filmtheaters Studio en Camera. Hij permitteerde het zich daar regelmatig de smaak van ‘het grote publiek’ aan zijn laars te lappen.

Bals stond voor het artistieke avontuur in de film en schuwde het experiment niet.

K. kende de reusachtige filmminnaar van het Bonifacius – waar hij samen met Marcel van Dam – op de HBS-a had gezeten, maar het was een feest hem nu van meer nabij mee te maken. K. zou later zelfs voor hem gaan werken. Door Henk Bos en Huub Bals kwam K. in contact met tal van Nederlandse (en buitenlandse) filmers, een boeiende periode.

Bos bracht K. ook in contact met de schilder Gérard Grassère, een leerling van de internationaal bekende en in zijn jeugd zeer avantgardistische schilder Otto van  Rees (foto), de schoonvader van de schrijver Albert Kuyle, waardoor hij ook het kunstzinnige genootschap De Luis leerde kennen en van lieverlee coryfeeën als de surrealist Joop Moesman en de meesteretser William (Dirkje) Kuik.

Door de komst van een nieuwe hoofdredacteur, mr. Simon Keesen, die secretaris van de hoofdredactie van de Volkskrant was geweest, kreeg Het Centrum een journalistieke impuls die tot nieuwe initiatieven leidde. Zo opperde Keesen het plan voor een wekelijkse zaterdagbijlage. Hij vroeg K. en Hans Friedeman die taak op zich te nemen.

Friedeman werkte op de buitenlandredactie, maar trof al voorbereidingen voor een ‘wetenschapsrubriek’. Hij zou later de eerste wetenschapsredacteur van de Volkskrant worden. Ook hij had op het Bonifacius gezeten en daar het diploma HBS-b gehaald, dat uiteraard van een geheel andere orde was dan het wat dommige a-diploma en zelfs door gymnasiasten hogelijk werd gewaardeerd (was de grote schrijver Simon Vestdijk niet zo’n HBS-b’er?).

 

RECLAME EN LITERATUUR

Na een paar jaar raakte K. uitgekeken op de beperkte mogelijkheden van zijn krant. Hij wilde naar een landelijke krant, het liefst in Amsterdam, de gebruikelijke route voor jonge journalisten die in de provincie klein begonnen en op landelijk niveau groot wilden worden.

Gezondheidsproblemen verhinderden de overstap van K. die bij het Algemeen Dagblad in Rotterdam welkom was geweest, en hij besloot daarom te gaan studeren.

Hij aarzelde tussen psychologie en Nederlands en koos ten slotte, omdat hij na zijn studie terug wilde in de journalistiek Nederlandse taal- en letterkunde in Utrecht bij prof. dr. W.A.P.Smit, de Vondelkenner (Van Pascha tot Noah) die daar toen nog net de scepter zwaaide.

Om zijn studie te kunnen betalen begaf hij zich met zijn broer Harm in de reclame. Harm was een talentvol grafisch ontwerper die in Amsterdam mede-eigenaar en art-director van het bureau  l’Eau zou worden. Drie jaar lang werkten ze samen voor bedrijven als Citroën en De Zwolsche Algemeene, maar ook voor Huub Bals, die met zijn Cinemanifestatie (links een cahier hiervoor ontworpen door Harm Kuipers) in 1965 de eerste stap zette op weg naar het latere Film International in Rotterdam.

Het reclamewerk van K. en K. werd voorbeeldig gedrukt door Bavo van Rossum, de jonge directeur van het gerenommeerde Utrechtse bedrijf dat in die jaren ook samenwerkte met Dick Bruna, Joop Moesman, William Kuik en andere kunstenaars en grafisch ontwerpers van naam.

Maar met de studie Nederlands was het reclamewerk lastig te combineren. Daarom accepteerde K. in 1967 een bijzondere functie als binnenlandredacteur bij de Volkskrant. Het bijzondere school hem in het feit dat hij uitsluitend nachtdiensten draaide (en zo overdag kon studeren).

Hij hield het drie jaar vol, mede door het begrip van collega’s als Jan Bank, Paul Kouwenberg, Ed Bente, Jacques de Jong, Hans Emans, Richard Auwerda en Bert Steinmetz.

In het jaar dat hij het kandidaatsexamen Nederlandse taal- en letterkunde bij prof. dr. Guus Sötemann in Utrecht aflegde, in 1970, nam hij afscheid van de krant, en vooral van Jan van der Pluijm, de hoofdredacteur, met wie hij een hechte band had gekregen.

K. was in Utrecht blijven wonen. Niet alleen omdat hij daar studeerde, maar ook omdat hij er in het weekend regelmatig z’n oude vrienden en collega’s zag. Met de laatsten vormde hij een voetbalelftal van journalisten dat een aantal jaren in Utrecht en wijde omgeving werd gevreesd om z’n meedogenloze catenaccio…


Kampioen! Het Utrechts Journalistenelftal maakt zijn ereronde. Van links af: Felix Thijssen, Wim Iking, Henk Jenner, Carlo Nagel, Willem Breedveld, Will Rijnders, Willem Kuipers en Dirk de Moor.

Het ‘kandidaats’ maakte de weg vrij voor een literatuurstudie die K. steeds had gewild. Ze werd mogelijk gemaakt door de nieuwe studierichting van de algemene literatuurwetenschap die prof. dr. J.C. Brandt Corstius (foto) in Utrecht had opgezet.

Het werden voor K., dankzij een staatslening van twintigduizend gulden, twee uiterst vruchtbare jaren waarin hij onder leiding van J.C.Brandt Corstius (vooral de twintigste-eeuwse avant-garde), Douwe Fokkema (vooral het Russisch Formalisme en het Modernisme), Elrud Ibsch (theorie), Jaap Oversteegen (theorie óf praktijk) en Mia Gerhardt (Joyce) gericht de letteren ontgon.

Er was meer uit de literatuur te halen dan alleen het eigen genot, zo bleek.

 

KAAKBREUK

Op 24 november 1972 verwierf hij, even opgehouden door een kaakbreuk bij het voetballen, de graad van doctorandus in de vergelijkende literatuurwetenschap, met als bijvakken de algemene taalwetenschap en de theoretische literatuurwetenschap – een stevige grondslag, leek hem, voor een nogal linguïstisch (chomskiaans) georiënteerd proefschrift over de ingrijpende veranderingen in de West-Europese poëzie, van grofweg Baudelaire en Rimbaud in de negentiende eeuw, tot bij wijze van spreken de Vijftigers in de twintigste eeuw.

Om in zijn levensonderhoud te voorzien – K. was inmiddels getrouwd met Liesbeth Kuitenbrouwer, de jongste dochter van Henk Kuitenbrouwer, de mede-oprichter van De Gemeenschap,  en vader van een zoon geworden – ging hij parttime voor  studenten, docenten en medewerkers van de Rijksuniversiteit Utrecht (bij elkaar zo’n vijfentwintigduizend man) een weekblad maken, zoals de Universiteit van Amsterdam al langer had (Folia Civitatis) en de Rijksuniversiteit Groningen sinds kort (de Universiteitskrant).

Het werk werd voortvarend ter hand genomen en na veel duwen en trekken kon er een minimale redactie worden gevormd terwijl studenten van allerlei disciplines hand- en spandiensten verleenden.

Al na een jaar kon de redactie bogen op een blad dat de toets der kritiek gemakkelijk doorstond, zelfs van de radicaal linkse rakkers van het studentenblad Trophonios (Troof, een soort Propria Cures), waar de latere strafpleiter Cees Korvinus er een genoegen in schepte om alles wat maar naar ‘gezag’ zweemde met de grond gelijk te maken.

K. probeerde zo goed en zo kwaad als het ging de dodelijk-kritische politieke strijd van zijn medewerkers en redacteuren in journalistieke banen te leiden, dat wil zeggen met de nadruk op feiten, beschrijving van die feiten en een zo precies mogelijke weergave van een eventuele samenhang tussen die feiten, maar dat viel niet mee.

‘Burgerlijk’ vond de redactie (op Charles Groenhuijsen na).

Met die manier van journalistiek bedrijven bevestigde je de wanverhoudingen in de samenleving.

Die moest je met andere methoden aan de kaak stellen.

De redactionele bijeenkomsten werden een vorm van éducation permanente over de eigentijdse journalistiek, daar in dat oer-burgerlijke, negentiende-eeuwse woonhuis van de oude Nicolaas Beets in de Boothstraat, waar dominee Anne van der Meiden, bezig te promoveren op de beste methode voor kerken om zieltjes te winnen, over de afdeling voorlichting ging.

Van der Meiden had heel andere opvattingen over journalistiek dan K.

Hij was van mening dat een redactie niet het alleenrecht op de informatie had en de kolommen wijd open moest stellen voor de lezers.

Het was een mening die een nieuw licht wierp op de discussies, zoals die tot dan toe werden gevoerd, maar veel begrip toonden de studenten niet.

Van der Meiden was in hun ogen een christelijke ‘slijmbal’, een zedepreker, dominee én carrièremaker die loerde op een professoraat, en misschien nog wel meer….

Cees Korvinus, zelf de zoon van een dominee, betoonde zich uiterst talentvol in zulke requisitoirs tegen de voorlichter, hoewel toen niemand kon bevroeden dat deze zeer eigenwijze student later de allerzwaarste criminelen zou gaan verdedigen.

Maar dat Van der Meiden, die pleitbezorger van een nieuwe ‘volksjournalistiek’, het zo ver zou schoppen dat hij later zelfs koningskinderen in de echt mocht verbinden – dát was een verrassing die alleen een dominee je kan bereiden…


THE NEW YORK REVIEW OF BOOKS

Alle discussie, rivaliteit, strijd en actiebereidheid belette de redactie niet om ook keihard, want zeer gemotiveerd, te werken.

Elke week opnieuw kwam er een zorgvuldiger en mooier geschreven, beter geïnformeerd blad uit, dat zelfs hoog aangeschreven scribenten in het buitenland wist aan te trekken.

Een krachtige ingreep was de verandering van het uiterlijk. K. vond daartoe Benno Wissing (foto) bereid, de getalenteerde ontwerper die samen met Wim Crouwel Total Design had opgericht. Met zijn rechterhand transformeerde Wissing het provinciale U-blad in een eigentijdse tabloid  – waarin net als in The New York Review of Books de mooie, oude ‘bookman’ als kopletter werd gebruikt.

Frits Müller die door perikelen in de grote krantenwereld tijdelijk zonder werk zat, had er geen enkele moeite mee zijn scherp getekende prenten aan dit blad toe te voegen.

Korte tijd later deed de jonge rechtenstudent Jos Collignon hetzelfde.

Het blad zag er nu zo kosmopolitisch uit en toonde zo weinig respect voor de heilige huisjes van de steile Utrechtse Alma Mater dat in de regionen van het universitaire ‘management’ de onrust groeide. Het leek wel een échte krant!

Het was de vraag hoe lang de gezagsdragers een dergelijke inbreuk op hun gezapige ingekeerdheid zouden verdragen.

Conflictstof hoopte zich op.

Het eerste geschil deed zich al vrij snel voor nadat K. – die op vakantie was – tegenover het Utrechts Nieuwsblad had verklaard dat een universiteitskrant in een gedemocratiseerde universiteit onafhankelijk moest zijn, en niet de spreekbuis van het bestuur.

Bovendien kon het blad, vond hij – en dat ging wel heel ver – een rol spelen in de berichtgeving over de wereld buiten de universiteit die een van de grootste ‘werkgevers’ in de regio was.

Het idee was dat de Utrechtse bevolking wel beter over de eigen regio geïnformeerd kon worden dan alleen door het nogal taaie Utrechts Nieuwsblad, de krant van de middenstand en de gezeten burgerij. Na de verdwijning van bijna alle plaatselijke kranten en kopbladen in Utrecht – Het Centrum ging in 1971 definitief ter ziele – was het Utrechts Nieuwsblad als enige over.

Zulke denkbeelden bleken absoluut taboe.

Het tumult dat erdoor teweeg werd gebracht, kon die zomer nog worden bezworen, maar het nieuwe studiejaar was nog niet begonnen of er deden zich nieuwe wrijvingen voor.

In de boezem van het Universiteitsblad sloeg het democratische hart steeds harder, sneller en radicaler en in de kringen die altijd weer beslissen over het reilen en zeilen van individuen en bevolkingsgroepen greep men steeds verkrampter naar de bètablokkers.

Het eenvoudige baantje van hoofdredacteur, waaraan K. in deeltijd was begonnen, dreigde nachtwerk te worden door alle gezeur, vergaderingen, overleg en ruzie. K. zag nauwelijks nog kans om zoiets als ‘vrije tijd’ voor zichzelf en zijn gezin te reserveren. Zelfs het voetballen schoot er bij in. Maar de grootste schade liep het voornemen op om onderzoek te doen naar het taalgebruik in de ‘moderne poëzie’. Aan zulke esoterie bestond in een tijd van Groot Onrecht geen enkele behoefte.

TEGENKRACHTEN

Wie enigszins een idee wil krijgen van de werkelijk krankzinnige complicaties waartoe in de jaren zeventig van de vorige eeuw het verlangen van een deel van de universitaire gemeenschap naar een zo onafhankelijk mogelijke berichtgeving leidde, moet beslist het boek van de historicus Kees Ribbens (Universitaire journalistiek tussen onafhankelijkheid en informatievoorziening) erop naslaan: preciezer en grondiger dan zo kun je het bureaucratische onvermogen tot verandering niet voorgeschoteld krijgen.

Het boek is veelzeggend als het gaat om de complicerende en polariserende procedures die grote, ambtelijke organisaties over zich afroepen wanneer de leiding weigert zich met fundamentele vragen in te laten, in dit geval vragen betreffende democratie, vrijheid, zeggenschap en het recht op volledige informatie voor iedereen.

Hoe groter zulke ‘gesloten’ lichamen worden (en de universiteit van Utrecht groeide in die jaren tegen de klippen op), des te sterker worden onontkoombaar de tegenkrachten die ze voorhouden waar het om gaat.

Het gezag zocht een stok om de hond te slaan.

Die werd gevonden toen de aanstelling van de hoofdredacteur (foto, met echtgenote) formeel moest worden verlengd.

De redactieraad – een bestuurlijk orgaan dat namens de leiding van de universiteit toezicht op het blad hield – greep de gelegenheid aan om K. te ontslaan en het blad, dat in belangrijke mate zijn blad was geworden, de nek om te draaien.

Een golf van protest spoelde over de oude Utrechtse academie.

De recentelijk opgebrachte, tamelijk eigentijdse make-up veranderde haar waardige aangezicht van de ene dag op de andere in een deerniswekkend masker.

K. moest weg, maar voorlopig werd hij geschorst.

 

LEERSCHOOL

Het leek gedaan met de universitaire persvrijheid (en dus ook met de journalistieke leerschool die het universiteitsblad voor veel studenten was geworden). Maar vanuit hun coffeeshop in de Nobelstraat gingen de redactieleden door met de strijd, die inmiddels overal in het land weerklank had gevonden.

Soms zaten er in het stamcafé van de redactie meer verslaggevers van andere kranten dan eigen medewerkers.

Het fenomeen van de hype was het laatste dat K. voor zijn medewerkers aanschouwelijk kon maken.

Na eindeloze verwikkelingen besliste de universiteitsraad dat het blad moest blijven bestaan. Er werd een commissie van ‘wijze mannen’ ingesteld die onder leiding van jhr. mr. C.J.A. de Ranitz, oud-burgemeester van Utrecht, een juridische vorm bedacht waardoor de grootst mogelijke onafhankelijkheid van het blad gewaarborgd werd.

K. mocht blijven, maar hij had zijn buik vol van Utrecht, het benepen gedoe ter plaatse en die verbureaucratiseerde universiteit.

Hij nam ontslag en vertrok. Met hem ging ook de ‘ideoloog’ van het blad, Rob Dettingmeijer, die zijn studie kunstgeschiedenis afmaakte, promoveerde en docent werd aan dezelfde universiteit die hij zo meedogenloos had willen veranderen.

De hele Gideonsbende viel uiteen.

Maurits Schmidt, die later bij de Volkskrant, de NOS en Het Parool zou gaan werken, was al bij het ANP in dienst getreden.

Charles Groenhuijsen, die geschiedenis studeerde, besloot definitief voor de journalistiek te kiezen. Ook hij ging voor de Volkskrant werken.

Frits Müller (zie zijn spotprent van de hoofdredacteur) kreeg weer een positie op landelijk niveau die hem paste: bij NRC-Handelsblad.

Hans van Laarhoven ging naar de NRC.

Jos Collignon ging ook naar de NRC en later naar de Volkskrant – en zo voort en zo verder, want van de talrijke studenten die aan het universiteitsblad toen hebben meegewerkt en daar veel ‘maatschappelijks’ buiten hun vak om hebben geleerd, zijn slechts van deze of gene de lotgevallen bekend: ze werden leraar, universiteitsdocent, hoogleraar, tweedehandsboekhandelaar, ‘manager’ of raakten verslaafd aan de drugs.

Le journalisme mène à tout, had K. zijn medewerkers al dikwijls als waarschuwing voorgehouden.

Na een jaar was de rust in de oude Romeinse nederzetting die Utrecht is volledig weergekeerd.

Er was nooit iets gebeurd.

Lees verder