De Boom In Met Die Auto’s

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

OK in mijn buurt waren de straten tijdens de laatste schoolvakantie weer opvallend leeg. Zoals gebruikelijk had de helft van Nederland huis en haard verlaten om elders de echtelijke twisten voort te zetten. Vanzelfsprekend gaat de auto mee, de Volvo, de Jeep, de Range Rover en de Porsche Cayenne – hoe rijker Nederland wordt, hoe lomper z’n wagenpark – en dat merk je.

Je voelt het zelfs.

Je ruikt het ook.

Persoonlijk onderga ik zo’n autoloze week als een bevrijding, maar ik heb me wel eens afgevraagd wat de iepen voor mijn huis ervan vinden.

Zouden zij ook zo genieten van de ruimte die het vertrokken blik achterlaat?

Ik kan er slechts naar raden, want zo ver als prinses Irene, die met bomen spréékt, ben ik nog niet. Mijn liefde voor de boom moet het zonder een dergelijk aristocratisch vermogen stellen. Ik ben maar een jongen van de gestampte pot, niet opgegroeid in parken en paleizen.

De boom is voor mij daarom, behalve een wonder, ook iets praktisch.

Vaak heb ik gedacht dat die houding een brug zou moeten slaan naar de automobilisten met wie ik graag spreek over hún liefde, hun liefde voor de auto.

Maar ze luisteren niet naar mij.

Bomen?

Wat een gelul!

Kappen, die handel!

Automobilisten willen parkeerplaatsen, geen bomen. Ik weet het en ik ben ook niet tegen parkeerplaatsen (en zelfs niet tegen auto’s), maar ik wil bomen, desnoods tegen de verdrukking in, op elke plek in de stad.

Waar het maar kan, zou ik de deelraden willen toeroepen, plant bomen.

Doe het zelf, wethouder, doe het met je kinderen, met je fractiegenoten, laat zien dat een boom geen ding is om je hond tegenaan te laten plassen of je fiets tegenaan te zetten, maar een monument, een levend beeld, een kunstwerk dat meer dan een mensenleven nodig had om uit te groeien tot de schoonheid waarmee hij nu je gemoed verzacht, net als je oude buurvrouw aan wie je soms je arm leent om haar de drukke straat over te loodsen terwijl automobilisten langs haar heen scheuren, hun vinger opsteken en door het geopende raam woedend ‘fossiel’ schreeuwen.

In een samenleving als de onze, die tot en met gereguleerd wordt door de voortschrijdende technologie – die nu eenmaal óók vernietiging is – staan we voortdurend voor dilemma’s van technologische aard, of anders gezegd: de keuze tussen natuur en techniek, tussen wat je als mens vertrouwd is en de geavanceerde wetenschap.

De keuze tussen boom en auto is zo’n dilemma.

Het is een dilemma dat al bijna een eeuw een rol speelt in discussies over de openbare ruimte, maar pas na de Tweede Wereldoorlog werd de auto een probleem, niet alleen in de stad, maar ook daarbuiten.

Als je ziet hoeveel natuur er voor de auto wordt opgeofferd aan nieuwbouwwijken, kantoorkolossen, bedrijventerreinen, weidewinkels en wegen, steeds meer wegen, weet je dat de bedreiging alomtegenwoordig en niet te stuiten is.

En de vraag rijst of je dit almaar uitdijende systeem van automobiliteit kunt vertragen, ombuigen, of misschien wel tot stilstand kunt brengen.

Ik denk, eerlijk gezegd, van niet. Ik denk dat wij zozeer door de technologie worden beheerst dat een oplossing van het mobiliteitsvraagstuk alleen van de technologie kan komen.

Pas als ‘zij’, de technologie dus, maar het zou beter zijn deze anonieme macht met ‘het’ aan te duiden, want erg vrouwelijk is ze niet, – pas als zij besluit dat het lang genoeg heeft geduurd, dat zinloos spelen met auto’s, en de aarde weer wat nieuwe energie moet krijgen, gebeurt het.

Maar zo ver zijn we nog lang niet en in de tussentijd broeden wij op oplossingen, ergeren we ons, strijden in allerlei gremia een vergeefse strijd tegen VVD’ers en soortgelijke idealisten, die altijd de auto vóór zullen laten gaan.

Het is praktischer om het probleem van de auto en de daarmee verbonden luchtvervuiling (uitstoot van CO2, die mede de opwarming van de aarde veroorzaakt) met economische middelen te bestrijden.

Reken eens uit wat u aan bomen kapotmaakt, als u gezellig met uw gezinnetje naar Zuid-Frankrijk rijdt.

Tien bomen!

Als u gaat vliegen, zijn het er tweeëndertig.

Handig om te weten zal de grage automobilist nu denken, maar wat koop ik daarvoor?

Een certificaat bij Trees for travel, bijvoorbeeld, en dat vraagt enige uitleg: als je voor het bedrag dat nodig is om de vervuiling die door jouw autorit wordt veroorzaakt te bestrijden, een dergelijk certificaat koopt, wordt dat geld in de aanplant van nieuwe bomen gestoken.

Wie de website van Milieu-Centraal (www.milieucentraal.nl) raadpleegt, krijgt het gedetailleerd en overtuigend uitgelegd.

Een boom kost dus geld. Kost ons geld, kost u en mij geld.

Het is een triviale gedachte omdat de boom daarmee een ‘gewoon’ economisch goed geworden is (net als de auto) en beroofd wordt van de mystieke kracht die eeuwenlang dichters, verliefden en kinderen heeft geïnspireerd, een vorm van poëzie die geen enkele samenleving, geen enkele stad, geen enkele straat en geen enkel mens zich kan ontzeggen, op straffe van een Amerikaans soort leven dat al wat de natuur voortbrengt als grondstof voor de technologie beschouwt.

Voor de Europese mens symboliseert de boom nog steeds het leven, óns leven, het leven dat óns aangaat en waarover wijzelf iets te zeggen hebben, hoewel het, ondanks al onze kennis, ten diepste aan ons begrip ontsnapt, de groei, de bloei, het sterven – processen waarvan de moderne, technologische mens niets wil weten, omdat hij in z’n waanwijsheid meent oppermachtig te zijn achter z’n knoppen en knopjes.

We zouden de boom heilig moeten verklaren, vooral als hij oud en der dagen zat is, en elk moment, zwaar van geschiedenis, ter aarde kan storten.

We zouden elke boom, te beginnen in Amsterdam, van een bordje moeten voorzien, waarop, net als bij een kunstwerk in het museum, de naam van z’n schepper staat.

Als we tenminste nog weten wie dat is.

WKtS
12 OKTOBER 2009